Op 27 May 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 24/4834, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6996. De plaats van zitting was Rotterdam.
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
Procesverloop
2. Met het besluit van 3 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022 afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2023.
2.2.
Met het besluit van 28 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 oktober 2023 ongegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. (Voetnoot 1)
2.3.
Partijen hebben de rechtbank verzocht het beroep niet op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. (Voetnoot 2)
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist en eiseres in zoverre geen belang meer heeft bij haar beroep. De Dienst Toeslagen moet wel het griffierecht en de proceskosten van eiseres vergoeden voor zover die kosten betrekking hebben op het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen.
4. Eiseres heeft verzocht om herziening van het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek afgewezen, omdat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan zij een herzieningsverzoek heeft ingediend. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft ten onrechte geen consequenties verbonden aan de overschrijding van de termijn van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) ter zake van de kinderopvangtoeslag in 2022. Het handelen van de Dienst Toeslagen is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd.
6. Voor de beoordeling van het beroep is de volgende regel van belang. De Dienst Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Dienst Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld. (Voetnoot 3)
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek van eiser terecht afgewezen. Eiseres heeft in het geheel niet toegelicht waarom het recht op kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2019 tot en met 2022 op een te laag bedrag zou zijn vastgesteld. Reeds daarom heeft de Dienst Toeslagen het herzieningsverzoek terecht afgewezen. De in artikel 19 van de Awir gestelde termijn is geen fatale termijn, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. (Voetnoot 4) Het betoog van eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden en het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, slaagt niet, omdat eiseres dit betoog op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Het beroep is voor het overige ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. De Dienst Toeslagen moet het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De zaak, voor zover die betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, is van licht gewicht, omdat de zaak in zoverre alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Voetnoot 2
Artikel 8:57 van de Awb.
Voetnoot 3
Artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir.
Voetnoot 4
ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.