Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:7013

Op 26 May 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 26/2742, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:7013. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROT 26/2742
Datum uitspraak:
26 May 2026
Datum publicatie:
17 June 2026

Indicatie

Vovo, geen spoedeisend belang. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoekster uit eigen beweging haar woonruimte heeft verlaten en inmiddels met een dochter bij haar moeder verblijft en dat de andere dochter van verzoekster bij de moeder van de vader verblijft, zodat zij daar naar school kan blijven gaan

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/2742

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 in de zaak tussen [naam 1] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Het college heeft verzoeksters aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden. Zij woont niet in een zelfstandige woning.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Procesverloop

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 17 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

3.

3.1.

Verzoekster is een 25-jarige vrouw met twee minderjarige kinderen van drie en zes, die vanwege eigen gebruik van haar verhuurder per januari 2027 uit haar woning moet vertrekken. Verzoekster heeft madelungse deformiteit waardoor haar gewrichten krom groeien. Zij heeft daardoor veel pijn en moeite bij dagelijkse dingen. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’ (Voetnoot 1).

Waar gaat deze procedure over?

4. Het college heeft op 17 oktober 2025 de aanvraag afgewezen op de grond dat verzoekster niet in een zelfstandige woning woont. (Voetnoot 2) Het college is in het besluit op het bezwaar van verzoekster bij de intrekking van de urgentieverklaring gebleven. Het college stelt zich op het standpunt dat omdat verzoekster niet in een zelfstandige woonruimte woont zij niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring en dat zij daarom niet medisch is onderzocht. Het college stelt zich verder op het standpunt dat verzoekster niet dakloos is en dat haar situatie niet verschilt van andere gezinnen in Rotterdam die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Ook overweegt het college dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de urgentiegrond ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ (Voetnoot 3) omdat zij niet aan gestelde voorwaarden voldoet.

5. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een urgentieverklaring krijgt tot de uitspraak in de beroepsprocedure. Verzoekster heeft daartoe verschillende gronden aangevoerd.

De voorzieningenrechter wijst verzoek af

6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

7. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek. Verzoekster heeft in het kader van het spoedeisend belang aangevoerd dat haar huurcontract afloopt per januari 2027 omdat haar verhuurder de woning nodig heeft voor eigen gebruik. Ook is er sprake van een huurachterstand, die onder meer is ontstaan vanwege de energiekosten. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoekster uit eigen beweging haar woonruimte heeft verlaten en inmiddels met een dochter bij haar moeder verblijft en dat de andere dochter van verzoekster bij de moeder van de vader verblijft, zodat zij daar naar school kan blijven gaan. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster in een lastige situatie verkeert, maar zij is niet dakloos en er zijn ook geen aanwijzingen dat zij de komende tijd dakloos dreigt te raken. Haar kinderen hebben onderdak en de situatie is in zoverre stabiel. Verzoekster heeft ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de woning van haar moeder medisch ongeschikt is om daar te verblijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de behandeling van het beroep kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster geen urgentieverklaring hoeft te geven in afwachting van de behandeling van het beroep. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

De rechter is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 3.4.2. van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening).

Voetnoot 2

Op grond van artikel 3.1.3., eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening in samenhang gelezen met artikel 3.4.2., eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening.

Voetnoot 3

Artikel 3.4.3. van de Verordening.