3.1.
Verzoekster is een 25-jarige vrouw met twee minderjarige kinderen van drie en zes, die vanwege eigen gebruik van haar verhuurder per januari 2027 uit haar woning moet vertrekken. Verzoekster heeft madelungse deformiteit waardoor haar gewrichten krom groeien. Zij heeft daardoor veel pijn en moeite bij dagelijkse dingen. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘ernstige en chronische medische problematiek’ (Voetnoot 1).
Waar gaat deze procedure over?
4. Het college heeft op 17 oktober 2025 de aanvraag afgewezen op de grond dat verzoekster niet in een zelfstandige woning woont. (Voetnoot 2) Het college is in het besluit op het bezwaar van verzoekster bij de intrekking van de urgentieverklaring gebleven. Het college stelt zich op het standpunt dat omdat verzoekster niet in een zelfstandige woonruimte woont zij niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring en dat zij daarom niet medisch is onderzocht. Het college stelt zich verder op het standpunt dat verzoekster niet dakloos is en dat haar situatie niet verschilt van andere gezinnen in Rotterdam die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Ook overweegt het college dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de urgentiegrond ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ (Voetnoot 3) omdat zij niet aan gestelde voorwaarden voldoet.
5. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij een urgentieverklaring krijgt tot de uitspraak in de beroepsprocedure. Verzoekster heeft daartoe verschillende gronden aangevoerd.
De voorzieningenrechter wijst verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
7. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek. Verzoekster heeft in het kader van het spoedeisend belang aangevoerd dat haar huurcontract afloopt per januari 2027 omdat haar verhuurder de woning nodig heeft voor eigen gebruik. Ook is er sprake van een huurachterstand, die onder meer is ontstaan vanwege de energiekosten. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoekster uit eigen beweging haar woonruimte heeft verlaten en inmiddels met een dochter bij haar moeder verblijft en dat de andere dochter van verzoekster bij de moeder van de vader verblijft, zodat zij daar naar school kan blijven gaan. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster in een lastige situatie verkeert, maar zij is niet dakloos en er zijn ook geen aanwijzingen dat zij de komende tijd dakloos dreigt te raken. Haar kinderen hebben onderdak en de situatie is in zoverre stabiel. Verzoekster heeft ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de woning van haar moeder medisch ongeschikt is om daar te verblijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster de behandeling van het beroep kan afwachten.