Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:7494

Op 4 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 26/3607, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:7494. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROT 26/3607
Datum uitspraak:
4 June 2026
Datum publicatie:
29 June 2026

Indicatie

Svo, vovo, Jeugdwet, ondersteuningsarrangement, vervoersvoorziening, eigen kracht

Het college heeft met het bestreden besluit de eerder aan verzoekster toegekende vervoersvoorziening gehalveerd van tien ritten naar vijf ritten per week (alleen in de ochtend). Verzoekster is het met dit besluit niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek in deze uitspraak af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/3607

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit [plaatsnaam 1], verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Haze),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Samenvatting

1. Het college heeft met het bestreden besluit de eerder aan verzoekster toegekende vervoersvoorziening gehalveerd van tien ritten naar vijf ritten per week (alleen in de ochtend). Verzoekster is het met dit besluit niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek in deze uitspraak af.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college een nieuw ondersteuningsarrangement (Voetnoot 1) toegekend aan de dochter van verzoekster, [naam 1] ([naam 1]). Het ondersteuningsarrangement is geldig voor de periode van 9 maart 2026 tot en met 7 maart 2027 en bestaat uit ondersteuning in natura: een dagprogramma en behandeling bij [naam kinderdagverblijf] in [plaatsnaam 2] ([naam kinderdagverblijf]) voor vijf dagen per week, inclusief het (taxi)vervoer naar [naam kinderdagverblijf] (vijf ritten per week, alleen in de ochtend).

2.1.

Verzoekster heeft tegen de omvang van de toegekende vervoersvoorziening (vijf ritten per week) bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 2] (neef van de partner van verzoekster, die tevens optrad als tolk) en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

3. [naam 1], geboren op [geboortedatum] 2019, heeft een autismespectrumstoornis, ADHD van het gecombineerde type en een globale ontwikkelingsachterstand. Sinds november 2024 gaat [naam 1] naar een ontwikkelcentrum van [naam kinderdagverblijf], gedurende vijf dagen per week. Het ondersteuningsarrangement van [naam kinderdagverblijf] is haar aanvankelijk toegekend met een vervoersvoorziening van tien ritten per week van en naar de locatie van [naam kinderdagverblijf], dus zowel in de ochtend als in de middag.

4. De gemeente heeft zich in januari 2026 beraden over de verlenging van het bestaande ondersteuningsarrangement, inclusief de vervoersvoorziening. Hiertoe is het ondersteuningsverslag van 25 februari 2026 opgesteld, waarin wordt geadviseerd het ondersteuningsarrangement van [naam kinderdagverblijf] te verlengen, met vijf ochtendritten per week. De partner van verzoekster mag om medische redenen geen auto besturen. Hij wordt iedere werkdag opgehaald en thuisgebracht door een collega. Verzoekster heeft ochtenddiensten, van 06:00 uur tot 11:00 uur, en kan [naam 1] daarom in de ochtend niet zelf naar [naam kinderdagverblijf] brengen. De middagritten komen te vervallen. Van verzoekster en haar partner kan volgens de gemeente worden verwacht dat zij [naam 1] in de middag zelf ophalen. Verzoekster heeft het ondersteuningsverslag vervolgens ondertekend voor ‘gezien, maar niet akkoord’.

5. Het college heeft naar aanleiding van het ondersteuningsverslag van 25 februari 2026 het bestreden besluit genomen en besloten om [naam 1] een nieuw, maar voor wat betreft het aantal ritten gehalveerd, ondersteuningsarrangement toe te kennen.

6. Verzoekster is het met het (gehalveerde) aantal ritten niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat [naam 1] niet alleen in de ochtend met de taxi naar [naam kinderdagverblijf] wordt gebracht, maar daar ’s middags ook weer met de taxi wordt opgehaald en thuisgebracht.

Daartoe voert verzoekster aan dat zij en haar partner [naam 1] niet zelf kunnen ophalen. Haar partner mag om medische redenen geen auto besturen. Zelf is zij bekend met een post-traumatische stress-stoornis door een ongeval op de snelweg in de zomer van 2025 en een val van de trap in februari 2026. Hierdoor durft zij niet meer met een auto op de snelweg te rijden. Verzoekster en haar partner beschikken verder niet over voldoende middelen om een taxi voor [naam 1] te betalen. [naam 1] kan niet onbegeleid of met het openbaar vervoer worden vervoerd. Tot en met 28 april 2026 werd [naam 1] dagelijks met de taxi naar [naam kinderdagverblijf] gebracht en gehaald. Dit gebeurde door steeds dezelfde chauffeur. Sinds 29 april 2026 wordt [naam 1] alleen nog in de ochtend opgehaald. Ook is sindsdien sprake van wisselende chauffeurs en voertuigen (auto, busje). [naam 1] heeft echter een bepaalde mate van structuur nodig. Zij raakte door de wisselende chauffeurs en voertuigen zodanig van slag dat verzoekster haar een aantal weken thuis heeft gehouden. Op dit moment gaat [naam 1] weer naar [naam kinderdagverblijf]. Verzoekster haalt haar dagelijks op, maar rijdt dan naar eigen zeggen niet zelf. Zij rijdt mee met een kennis of familielid. Niet alleen vanwege haar rijangst, maar ook omdat zij ’s nachts slecht slaapt en te moe is om te rijden. Verder is [naam 1] vaak erg onrustig in de auto en gaat dan huilen en schreeuwen, waardoor verzoekster achter het stuur ‘geblokkeerd’ raakt.

Spoedeisend belang

7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van ‘onverwijlde’ spoed, dus als de beslissing op het bezwaar of beroep niet kan worden afgewacht.

7.1.

De voorzieningenrechter neemt, gelet op wat verzoekster op de zitting heeft aangevoerd, het spoedeisend belang in deze zaak wel aan. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Juridisch kader

8. In artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald dat, indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening waarborgt, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

In het tweede lid is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp, voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige omvatten van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

8.1.

Volgens artikel 3.1.3, eerste lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025 (de Verordening) kan de jeugdige pas in aanmerking komen voor vervoer van en naar daghulp als de eigen kracht niet toereikend is. Dit betekent dat de jeugdige gelet op zijn leeftijd, beperkingen of psychosociale problematiek niet in staat is om zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de locatie waar daghulp wordt geboden en dit ook niet mogelijk is met behulp van zijn ouders of inzet van het sociaal netwerk.

8.2.

Volgens paragraaf 6.8 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 (de Beleidsregels) kan het college met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.1.3 van de Verordening een vervoersvoorziening verstrekken voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar als onderdeel van de verleende individuele voorziening, daghulp wordt genoten. Deze voorziening moet noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Het college maakt de afweging tot het inzetten van vervoer, op basis van het uitgangspunt dat jeugdige en ouders in het kader van ‘eigen kracht’ en ouderbetrokkenheid, zelf zorgdragen voor het vervoer. Als ouders niet in staat zijn de jeugdige te vervoeren via het openbaar vervoer of de eigen auto, fiets, of ander vervoermiddel, wordt een betrokkene uit het eigen netwerk ingezet voor vervoer. Pas als vervoer op deze wijze niet mogelijk blijkt, kan een vervoersvoorziening door een externe vervoerder worden overwogen.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

10. Niet in geschil is dat [naam 1] vanwege haar leeftijd en psychische beperkingen niet in staat is zelfstandig van en naar de locatie van [naam kinderdagverblijf] te reizen. Verder heeft het college onderkend dat verzoekster en haar partner [naam 1] in de ochtend niet zelf naar [naam kinderdagverblijf] kunnen brengen. De partner van verzoekster mag om medische redenen niet autorijden en verzoekster draait ochtenddiensten, van 06:00 uur tot 11:00 uur. Het college heeft daarom besloten om [naam 1] nog wel een vervoersvoorziening toe te kennen voor vijf ochtendritten per week.

11. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [naam 1] niet langer een vervoersvoorziening voor de middagritten toe te kennen. Niet is gebleken dat verzoekster niet in staat is om op eigen kracht, of met hulp vanuit haar sociale netwerk, naar [naam kinderdagverblijf] te rijden om haar dochter daar op te halen. Verzoekster is in het bezit van een rijbewijs. Daarbij heeft het college met het werkrooster van verzoekster (en haar partner) uitdrukkelijk rekening gehouden door te faciliteren dat [naam 1] in de ochtend met de taxi wordt opgehaald. Het college heeft ook onderkend dat bij verzoekster sprake is van medische en psychische klachten en van vermoeidheidsklachten als gevolg van een slaaptekort. Dit heeft voor het college echter nog geen reden hoeven zijn om aan te nemen dat verzoekster [naam 1] niet zelf bij [naam kinderdagverblijf] kan ophalen of daarvoor niet de hulp van anderen uit haar sociale netwerk kan inroepen. Het college heeft in dit verband kunnen stellen dat verzoekster voor haar rijangst (psychische) hulp kan zoeken, of rijlessen kan nemen om weer meer zelfvertrouwen te krijgen. Verder is niet gebleken dat personen uit haar directe omgeving niet bereid of niet in staat zijn om verzoekster te helpen. Verzoekster heeft immers op de zitting verklaard dat zij [naam 1] nu zelf ophaalt, maar dat iemand uit haar sociale netwerk dan voor haar rijdt. De voorzieningenrechter begrijpt dat [naam 1], gezien haar behoefte aan structuur, er baat bij heeft dat het vervoer door een vaste chauffeur wordt verricht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in deze vaste structuur ook worden voorzien als [naam 1] dagelijks in de ochtend met de taxi wordt gebracht en in de middag wordt opgehaald door haar moeder (eventueel met hulp van een kennis of familielid). Bovendien strekt de door het college toegekende vervoersvoorziening niet zover dat de chauffeur die [naam 1] in de ochtend ophaalt steeds dezelfde persoon moet zijn. Het college kan die garantie ook niet bieden. Dat is aan het vervoersbedrijf zelf. Het college heeft hier geen invloed op. Dit vormt daarom op zichzelf ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

12. Wellicht ten overvloede wil de voorzieningenrechter verzoekster nog meegeven dat het verstandig is om te blijven zoeken naar een opvanglocatie voor [naam 1] die dichter bij haar woonadres is gelegen.

13. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat de met het bestreden besluit toegekende (gehalveerde) vervoersvoorziening in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen uitbreiding krijgt van de toegekende vervoersvoorziening. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet.