Op 30 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 25/1810, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:8191. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Het beroep tegen afwijzing van compensatie over de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen is gegrond.
Eiseres had over deze periode geen toeslagpartner. Verder volgde eiseres voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en heeft ze in beperkte mate gewerkt.
Dit zijn aanwijzingen dat eiseres wel daadwerkelijk kinderopvang heeft genoten ondanks dat dit niet in de KOI-viewer stond geregistreerd.
Het is niet evident dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag.
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor de periode van 1 januari 2012 tot
5 oktober 2012 ten onrechte afgewezen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Met besluiten van 19 september 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012 en 2013 afgewezen.
2.1.
Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) is aan eiseres een compensatiebedrag van € 74.729,- toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2011.
2.2.
Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-O OGS B) is aan eiseres een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) van € 12.702,- toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
2.3.
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 77.209,- en de bezwaren van eiseres tegen de overige besluiten ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met brieven van
10 maart 2026 en 24 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. J. van den Ende, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen voor het toeslagjaar 2012. Volgens de Dienst Toeslagen is in het jaar 2012 vooringenomen gehandeld, omdat er geen rappelbrief is verzonden aan eiseres na een verzoek om informatie, maar bestaat geen recht op compensatie, omdat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Niet zou zijn gebleken dat opvang is genoten en de toeslagpartner van eiseres zou niet voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), zoals geldend op 1 januari 2012. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft in dat jaar wel kinderopvang afgenomen en voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van kinderopvangtoeslag. Dat uit de kinderopvanginstelling (KOI)-viewer niet blijkt dat sprake was van kinderopvang, is onvoldoende voor de conclusie dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Eiseres is op 5 oktober 2012 getrouwd met [persoon A] . Hij is ten onrechte aangemerkt als toeslagpartner voor heel 2012, nu hij pas in 2013 bij eiseres in Nederland is komen wonen.
4.1.
De Dienst Toeslagen heeft erkend dat in het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld. De rechtbank laat daarom het betoog van eiseres daarover – waaronder het betoog over de vermeende onjuiste afhandeling van een herzieningsverzoek – buiten beschouwing.
4.2.
De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid, waardoor geen recht bestaat op compensatie voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat haar toeslagpartner niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wko en niet is gebleken dat kinderopvang is afgenomen. Voor het eerst op de zitting heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat ook niet is gebleken dat eiseres zelf in het toeslagjaar 2012 voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko.
4.3.
Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang.
4.3.1.
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. (Voetnoot 1) De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. (Voetnoot 2) Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten. (Voetnoot 3)
4.3.2.
Degene die voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. (Voetnoot 4)
4.3.3.
Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar, kort gezegd, arbeid verricht of gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. (Voetnoot 5)
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. De echtgenoot van eiseres was de toeslagpartner van eiseres vanaf het huwelijk op 5 oktober 2012. (Voetnoot 6) Omdat hij in de periode daarvoor niet met eiseres samenwoonde, kon hij in die periode niet als toeslagpartner worden aangemerkt. (Voetnoot 7) De activeringscoach van de gemeente Rotterdam heeft verklaard dat eiseres vanaf 8 april 2011 heeft deelgenomen aan ‘ [traject 1] ’ en vanaf 23 november 2012 aan ‘ [traject 2] ’. Dit zijn voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Volgens eiseres hebben deze trajecten elkaar opgevolgd, zodat zij aaneensluitend kinderopvang nodig had. Verder blijkt uit het overzicht arbeidsverleden van het UWV dat eiseres in 2012 in beperkte mate heeft gewerkt. Daarmee is het niet evident dat eiseres in het toeslagjaar 2012 niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko (oud). De deelname aan de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling is bovendien een aanwijzing dat eiseres wel daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen, nu het bij zulke trajecten doorgaans verplicht is gebruik te maken van kinderopvang. Het feit dat in de KOI-viewer geen opvanggegevens stonden geregistreerd, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, omdat kinderopvanginstellingen in 2012 niet verplicht waren gegevens over de opvang aan de Dienst Toeslagen te verstrekken. Het voorgaande betekent dat het niet evident is dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de eventuele compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012 en de Dienst Toeslagen opdragen ten aanzien van deze periode een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012;
draagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht.
Voetnoot 2
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Voetnoot 3
Kamerstukken II 2021/22, 35151, nr. 3, p. 72.
Voetnoot 4
Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals geldend op 1 januari 2012.
Voetnoot 5
Artikel 1.6, eerste lid, van de Wko, zoals geldend op 1 januari 2012.
Voetnoot 6
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir (oud).
Voetnoot 7
Artikel 3, tweede lid, van de Awir (oud).