Rechtbank Rotterdam, proces-verbaal bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:2888

Op 17 February 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een proces-verbaal procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 25/1257, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:2888. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROT 25/1257
Datum uitspraak:
17 February 2026
Datum publicatie:
19 March 2026

Indicatie

Wht, mondelinge uitspraak, beroep ongegrond, private schulden, schuld is terecht niet overgenomen, publieke schuld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1257

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Gorinchem, eiseres

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. M.S. Polat).

Inleiding
1.1.

Met een besluit van 26 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd om een schuld van eiseres aan de Belastingdienst van € 905,- over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

1.2.

Met het besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft de minister het primaire besluit gehandhaafd.

1.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.4.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister, vergezeld door mr. S. Salhi.

1.6.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de minister de schuld ten onrechte niet heeft overgenomen.

3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. De rechtbank licht dit hierna toe.

3.2.

De schuld van eiseres voldoet niet aan de vereisten die gelden voor het overnemen van private schulden op grond van de Wht. Het betreft namelijk een publieke schuld, die ziet op het terugbetalen van te veel ontvangen zorgtoeslag over het jaar 2021. De schuld valt dus niet onder de reikwijdte van de regeling over het overnemen van private schulden.

3.3.

De rechtbank merkt nog het volgende op. Schulden in verband met de terugvorderingen van toeslagen kunnen op grond van de Wht onder voorwaarden voor kwijtschelding in aanmerking komen. Maar dat geldt slechts voor toeslagschulden die betrekking hebben op een berekeningsjaar van voor 2021. (Voetnoot 1)

3.4.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die de toepassing daarvan rechtvaardigen. Verder is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met algemene rechtsbeginselen of hogere regelgeving. Het bestreden besluit is toereikend gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

4.

4.1.

Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister de schuld van eiseres terecht niet heeft overgenomen. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

4.2.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026 door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 3.1, eerste lid, van de Wht.