Rechtbank Rotterdam, voorlopige voorziening bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:2011

Op 11 February 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 26/941, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:2011. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROT 26/941
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
2 March 2026

Indicatie

Varia, vovo, opvang, Oekraïners, derdelanders, geen besluit, 1:3 Awb

Deze uitspraak gaat over de schriftelijke mededeling van het college aan verzoeker dat hij de opvanglocatie voor Oekraïners uiterlijk 29 januari 2026 moet hebben verlaten. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit is waartegen bezwaar of beroep open staat. De mededeling is niet op rechtsgevolg gericht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/941

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam, het college

(gemachtigde: mr. C.W.M. Berendsen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de schriftelijke mededeling van het college aan verzoeker dat hij de opvanglocatie voor Oekraïners uiterlijk 29 januari 2026 moet hebben verlaten. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit is waartegen bezwaar of beroep open staat. De mededeling is niet op rechtsgevolg gericht.

Procesverloop

Procesverloop

1. Met de brieven van 23 januari en 27 januari 2026 heeft het college verzoeker meegedeeld dat hij de opvanglocatie in de gemeente Hardinxveld-Giessendam uiterlijk op 29 januari 2026 (om 13.00 uur) zelfstandig moet hebben verlaten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

Het college heeft toegezegd de opvang op de opvanglocatie te continueren tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college, vergezeld van [persoon A] .

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

1.3.

Verzoeker heeft een terugkeerbesluit gehad (Voetnoot 1). De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2025 (NL24.9713) buiten zitting (Voetnoot 2) uitspraak gedaan op het beroep tegen dat terugkeerbesluit en het beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak op 9 januari 2026 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Afdeling heeft het hoger beroep terugverwezen naar de rechtbank Den Haag ter behandeling als verzetschrift. Dit, naar de voorzieningenrechter begrijpt, vanwege de rechtsmiddelenclausule die onder de uitspraak was vermeld.

Waar gaat deze zaak om?

2. Met de brief van 23 januari 2026 heeft het college verzoeker - kort gezegd - meegedeeld dat hij als gevolg van de uitspraak van 14 november 2025 geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Voor verzoeker geldt een statuscode 98. Verzoeker had Nederland, en daarmee de opvanglocatie, uiterlijk op 12 december 2025 - vier weken na de uitspraak - moeten verlaten. Verzoeker heeft hieraan niet voldaan. Uit coulance heeft het college verzoeker nog een termijn gegeven tot uiterlijk 29 januari 2026 om alsnog de opvanglocatie te verlaten.

2.1.

Met de brief van 27 januari 2026 heeft het college verzoeker, in aanvulling op de brief van 23 januari 2026, nog de uiterste vertrektijd meegedeeld waarop hij de opvanglocatie moet hebben verlaten: uiterlijk 29 januari 2026 om 13.00 uur.

3. Verzoeker is het met de inhoud van deze brieven en de daarin vervatte mededeling dat hij de opvanglocatie moet verlaten niet eens. Met zijn verzoek wil verzoeker bereiken dat de beslissing tot beëindiging van de opvang wordt geschorst en dat hij in de opvang mag blijven totdat op het verzet, dan wel het hoger beroep tegen de uitspraak van 14 november 2025 is beslist.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk

4. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt. (Voetnoot 3)

6. Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.

7. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de mededeling van het college in de brieven van 23 januari en 27 januari 2025, dat verzoeker de opvanglocatie uiterlijk 29 januari 2029 (om 13.00 uur) dient te verlaten, een besluit is. Daarvoor is bepalend of deze mededeling gericht is op rechtsgevolg. Dit is het geval als daarmee de rechtspositie van verzoeker is gewijzigd.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat door de mededeling in de brieven van 23 januari en 27 januari 2026 de rechtspositie van verzoeker niet is gewijzigd. Met het terugkeerbesluit, en het ongegrond verklaren van het beroep daartegen bij uitspraak van 14 november 2025, is komen vast te staan dat verzoeker geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming in Nederland en dat hij Nederland en dus ook de opvanglocatie in Hardinxveld-Giessendam dient te verlaten. De mededeling in de brieven van 23 januari en 27 januari 2026 is daarom niet op rechtsgevolg gericht. Deze brieven zijn daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verzoeker kan tegen deze brieven dus geen bezwaar maken of beroep instellen. Daarom kan ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd.

9. Het enkele feit dat het college uit coulance heeft besloten de opvang nog te verlengen tot 29 januari 2026, en vervolgens tot de uitspraak op het onderhavige verzoek, maakt het voorgaande niet anders.

10. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorzienig daarom niet-ontvankelijk verklaren. Zoals op de zitting is besproken kan verzoeker, hangende het verzet, een voorlopige voorziening vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag met het verzoek om de behandeling van het verzet nog in Nederland te mogen afwachten en tot die tijd in de opvang te blijven. Het is aan die rechtbank om daarop te beslissen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat verzoeker de opvanglocatie moet verlaten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Voor de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 2 tot en met 5 van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2025 (NL24.9713)

Voetnoot 2

Met toepassing van artikel 8:57 van de Awb.

Voetnoot 3

Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.