Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster woont samen met haar meerderjarige zoon ( [persoon E] ) op het adres [adres] in Vlaardingen. Zij huurt deze woning van Stichting Waterweg Wonen.
4. De politie heeft in de periode van 12 tot en met 18 januari 2026 meerdere overlastmeldingen ontvangen over het (vermoedelijk) dealen van drugs vanuit verzoeksters woning. De politie heeft op 22 januari 2026 verzoeksters woning doorzocht. Daarbij zijn in de slaapkamer van verzoeksters zoon onder meer zakjes met in totaal bruto 8,67 gram cocaïne, een weegschaal, lege gripzakjes en ponypacks, en een vuurwapen met munitie in het magazijn aangetroffen. Dit blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 22 januari 2026 en de aanvullende informatie van de politie van 3 februari 2026.
Waar gaat het in deze zaak om?
6. De burgemeester heeft de woning van verzoekster op 22 januari 2026 met spoed gesloten voor twee weken. Met het besluit van 5 februari 2026 heeft de burgemeester de sluiting verlengd tot en met 22 juli 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met haar verzoeken om een voorlopige voorziening bereiken dat de bestreden besluiten worden geschorst, tot op de bezwaren is beslist.
Intrekking van het verzoek met zaaknummer ROT 26/992
7. Verzoekster heeft het verzoek tegen de spoedsluiting van 22 januari 2026 (ROT 26/992) op de zitting ingetrokken. Het gaat in deze uitspraak daarom alleen nog over het verzoek tegen de verlengde sluiting (ROT 26/1191).
8. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Niet ter discussie staat dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De sluiting heeft immers tot gevolg dat verzoekster zes maanden lang geen toegang heeft tot haar woning en, al dan niet tijdelijk, dakloos zal worden. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
9. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
10. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
11. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een lokaal een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien.
11.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning 8,67 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne komt voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. Verder zijn in de woning ook een weegschaal, verpakkingsmateriaal en een vuurwapen aangetroffen. De burgemeester heeft daarom kunnen aannemen dat de drugs in de woning aanwezig waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking in of vanuit de woning. Verzoeker heeft niet betwist dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daar anders over te oordelen.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?
12. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe het Damoclesbeleid vastgesteld. Een sluiting van de woning voor zes maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal hij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om de met de sluiting gediende doelen te bereiken. (Voetnoot 1)
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de (verlengde) sluiting van de woning op zichzelf nog steeds een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde, het wegnemen van de loop op de woning en de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit en het verder voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving, en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De spoedsluiting van twee weken was naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende om deze doelen te bereiken.
14. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
15. De burgemeester hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet het beleid dat bij een ernstig geval, waarbij harddrugs zijn aangetroffen, in beginsel wordt overgegaan tot een sluiting van zes maanden. Het Damoclesbeleid spreekt van een ernstig geval bij onder meer het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs, aan drugshandel gerelateerde attributen, de mate waarin de woning betrokken is bij drugshandel of bekend staat als pand waar drugs aanwezig is (bijvoorbeeld vanwege meldingen van omwonenden) en verwijtbaar gedrag van bewoners. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel in drugs in of vanuit het pand, zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Daarbij draagt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de noodzaak voor een sluiting ook bij of het pand is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. (Voetnoot 2)
16. De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de situatie die op 22 januari 2026 in de woning is aangetroffen kan worden aangemerkt als een ernstig geval. In de woning is een ruime (handels)hoeveelheid van 8,67 gram cocaïne aangetroffen, in combinatie met drugsgerelateerde attributen, zoals een weegschaal, gripzakjes, ponypacks en een vuurwapen. Daarbij is ook van belang dat de woning bij de politie in beeld is gekomen door meerdere meldingen van buurtbewoners over mogelijk drugsgerelateerde overlast vanuit de woning. Hieraan doet niet af dat de meldingen waar in de bestuurlijke rapportage aan wordt gerefereerd slechts een kort tijdsbestek besloegen (van 12 tot en met 18 januari 2026). De zoon van verzoekster heeft zelf tegenover de politie verklaard dat hij voorafgaande aan de politie-inval al meerdere maanden in drugs handelde en ook twee keer een pakketje met drugs van het balkon van de woning naar beneden heeft gegooid. Deze verklaring komt overeen met de inhoud van de meldingen van buurtbewoners aan de politie, waarin is aangegeven dat vanaf het balkon pakketjes naar beneden werden gegooid. De burgemeester heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in combinatie met de drugsgerelateerde attributen, het vuurwapen en de overlastmeldingen aannemelijk maakt dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel, of in ieder geval bekend is in het criminele (drugs)circuit. Daarbij heeft de burgemeester terecht ook betrokken dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk, die tevens is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
17. De burgemeester heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is om de loop op de woning eruit te halen, de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen en verdere herhaling te voorkomen en dat deze doelen niet enkel kunnen worden bereikt met het geven van een waarschuwing. De sluiting heeft in zoverre dan ook geen punitief karakter.
18. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
19. Vast staat dat de situatie die op 22 januari 2026 in de woning is aangetroffen ernstig is te noemen. De voorzieningenrechter heeft vooralsnog echter onvoldoende aanwijzingen dat verzoekster wist van het handelen van haar zoon en van de spullen die de politie in zijn slaapkamer heeft aangetroffen. De voorzieningenrechter ziet daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat verzoekster van de situatie in de woning een verwijt kan worden gemaakt. De zoon heeft weliswaar tegenover de politie bekend dat hij in drugs handelde, hij deze heeft afgeleverd op de fiets en twee keer een pakketje van het balkon naar beneden heeft gegooid, maar uit de stukken blijkt niet waarop de burgemeester het standpunt baseert dat verzoekster daarvan op de hoogte was, of had kunnen zijn. Stukken (van de politie) waaruit blijkt dat verzoekster van deze zaken op de hoogte was ontbreken. Weliswaar kan tot op zekere hoogte van verzoekster als hoofdbewoner worden verlangd dat zij toezicht houdt op de woning, maar zij hoeft daarin niet zover te gaan dat zij haar zoon in alles controleert, inclusief zijn slaapkamer, en zijn handelen nagaat. Daarbij is van belang dat haar zoon een 35-jarige volwassen man is en dat de drugs, de attributen en het vuurwapen op zijn eigen slaapkamer zijn aangetroffen. Het enkele feit dat verzoekster thuis was op het moment van de politie-inval en haar verklaring op de zitting dat zij heel af en toe wel in de slaapkamer van haar zoon komt om op het balkon te komen, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat er zonder meer vanuit kan worden gegaan dat verzoekster van de situatie op de hoogte was, of had kunnen zijn. De voorzieningenrechter acht hierbij tevens van belang dat verzoekster buiten de deur werkt en daarnaast nog zorgtaken heeft voor haar gehandicapte zoon. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoekster in deze kwestie niet als verdachte is aangemerkt. Daarbij heeft verzoekster gesteld, en met verklaringen onderbouwd, dat zij niet (langer) elders kan verblijven.
20. Verzoekster heeft verder te kennen gegeven er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat haar zoon niet meer in de woning kan verblijven. Verzoekster heeft verklaard dat haar zoon geen sleutel meer heeft van de woning en dat zij hem geen toegang meer tot de woning zal verlenen. Verzoekster is desnoods bereid om een locatie- of huisverbod voor haar zoon te vragen. Stichting Waterweg Wonen heeft in dit verband op de zitting aangegeven dat zij zich nog beraden over de vervolgstappen die zij naar aanleiding van het besluit van de burgemeester zullen nemen. De uitkomst hiervan zou kunnen zijn dat ten aanzien van verzoekster een zogenaamd tweede-kans-besluit (aansturend op gedragsverandering) zal worden genomen. Maar (buitengerechtelijke) ontbinding van de huurovereenkomst wordt vooralsnog niet uitgesloten. De voorzieningenrechter komt het daarom gerade voor dat verzoekster afspraken maakt met de woningstichting, gericht op het verkrijgen van een tweede kans en over de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. De voorzieningenrechter acht een termijn van twee weken vanaf de zitting, dus tot 23 februari 2026, niet onredelijk voor partijen om tot deze afspraken te komen.
21. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter bij de huidige stand van zaken tot het oordeel dat de sluiting van de woning met ingang van 23 februari 2026 niet langer evenwichtig is.
22. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding voor het treffen van de hiernavolgende voorlopige voorziening.