RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. K.C. van de Wijngaart),
de burgemeester van Rotterdam
(gemachtigden: mr. C.W. de Jong, [gemachtigde] en mr. R. Weggemans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [verhuurder] uit [plaats] (de verhuurder).
Samenvatting
De burgemeester heeft besloten om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten. Verzoeker is het met deze sluiting niet eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat zij van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 heeft de burgemeester de sluiting bevolen van de woning op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. D.J. Troost, kantoorgenoot van verzoekers gemachtigde, en de gemachtigden van de burgemeester.
Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is huurder van de woning. De woning is eigendom van [verhuurder] .
2.1.
Uit de bestuurlijke politierapportage van 18 februari 2026 blijkt het volgende. De politie is op 6 februari 2026 naar het appartementencomplex gegaan waarin de woning is gevestigd, naar aanleiding van een melding voor hulpverlening. Terwijl de politie bezig was de voordeur van de woning te forceren om te controleren of de bewoner medisch in orde was, kwamen er diverse meldingen binnen dat aan de achterzijde van de woning personen van het balkon sprongen. Dit deed de politie vermoeden dat deze personen probeerden te vluchten. Bij het betreden van de woning zag de politie dat de woning was ingericht als een zogeheten versnijdingspand en dus vermoedelijk werd gebruikt voor het vervaardigen van harddrugs. Eén van de kamers in de woning was volledig ingericht om drugs te bewerken. De politie zag ook dat de gehele woning onder het fijne stof, vermoedelijk versnijdingsmiddel, zat.
2.2.
Bij de doorzoeking van de woning, op 6 februari 2026, heeft de politie diverse (verdovende) middelen aangetroffen. Uit onderzoek bleek het te gaan om de volgende (verdovende) middelen:
In de meterkast:
- netto 976 gram heroïne (blok).
In het toilet/de toiletpot:
netto 1.855 gram heroïne;
netto 1.037 gram heroïne;
netto 232 gram cocaïne.
In de woonkamer/keuken:
- netto 261,9 gram poeders, onbekend.
In de ruimte tegenover het toilet:
- netto 1.572 gram versnijdingsmiddel (paracetamol).
In de versnijdingsruimte:
zakken bruin poeder (heroïne), netto 356,7 gram;
bruin poeder (heroïne), netto 78 gram.
In de kelderbox:
- netto 20,6 gram boorzuur.
In de berging:
- netto 169 gram paracetamol.
2.3.
Naast deze (verdovende) middelen werden in de woning attributen aangetroffen die bestemd zijn voor het bewerken en verwerken van drugs voor de handel, namelijk een drugspers en diverse emmers met residu. Verder werd een GPS-baken aangetroffen. Van verzoeker is een antecedent inzake bezit van harddrugs in de politiesystemen vastgelegd. Ten aanzien van de woning zelf is geen informatie in de politiesystemen bekend. De woning is gelegen in de wijk [wijk] , gebied [gebied] . Op het onderdeel veiligheid scoren het gebied [gebied] met een score 76, en de wijk [wijk] met een score van 86, onder het stedelijk gemiddelde.
3. Naar aanleiding van de bestuurlijke politierapportage heeft de burgemeester besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. De burgemeester spreekt van een ernstig geval. Een sluiting van drie maanden is volgens de burgemeester noodzakelijk om de openbare orde te herstellen, herhaling te voorkomen en de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst.
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van ‘onverwijlde spoed’, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Verzoeker zit sinds 17 februari 2026 in voorarrest en is voornemens om de huurovereenkomst voor de woning vrijwillig op te zeggen. Voor verzoeker is op dit moment vooral van belang dat zijn familie de gelegenheid krijgt om de woning te ontruimen, zodat verzoeker de woning leeg kan opleveren. De burgemeester heeft echter op de zitting laten weten dat een eventuele sluiting van de woning daaraan niet in de weg staat. Verzoeker kan contact opnemen met de directie Veiligheid van de gemeente Rotterdam om een afspraak te maken voor een datum en tijdsbestek waarbinnen zijn familie in de woning kan om deze leeg te ruimen.
Verder heeft verzoeker niet (met stukken) onderbouwd dat de verhuurder na opzegging van de huurovereenkomst huurkosten op hem zal verhalen als de woning wordt gesloten. Dit valt ook niet af te leiden uit de zienswijze die de verhuurder op 10 maart 2026 heeft ingediend. Het enige bezwaar wat de verhuurder daarin naar voren brengt is dat de woning drie maanden lang niet kan worden verhuurd als deze wordt gesloten, terwijl er sprake is van woningnood. Voor het overige heeft de verhuurder aangegeven achter het besluit van de burgemeester te staan en de huurovereenkomst te zullen laten ontbinden mocht deze niet vrijwillig worden opgezegd. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat als na opzegging van de huurovereenkomst ten onrechte op verzoeker huurkosten worden verhaald, hij deze civielrechtelijk kan terugvorderen.
Is het bestreden besluit evident onrechtmatig?
5. Ondanks het ontbreken van een spoedeisend belang kan er aanleiding zijn alsnog een voorlopige voorziening te treffen. Bijvoorbeeld als het besluit waartegen verzoeker opkomt evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter acht het bestreden besluit echter niet evident onrechtmatig.
5.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker allereerst niet in de stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij de brief van 2 maart 2026 met het voornemen tot sluiting niet heeft ontvangen en daarom geen zienswijze heeft kunnen indienen. Voorzover hier al sprake is van een gebrek, ziet de voorzieningenrechter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat verzoeker hierdoor niet is benadeeld. Verzoeker heeft in het verzoek- en bezwaarschrift alsnog de gelegenheid gehad om gronden tegen de sluiting naar voren te brengen. Bovendien waren de sleutels van de woning al op 6 februari 2026 door de officier van justitie inbeslaggenomen en is het beslag pas opgeheven nadat de burgemeester op 16 april 2026 het bestreden besluit had genomen. Indien verzoeker dus in een zienswijze had aangegeven dat hij de woning wilde leeghalen, dan had dit er niet toe geleid dat hij de woning eerder had kunnen laten ontruimen.
5.2.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker niet heeft betwist dat de burgemeester in dit geval bevoegd is om tot sluiting over te gaan. Ook heeft verzoeker niet betwist dat in de woning voldoende is aangetroffen om van die bevoegdheid gebruik te kunnen maken. Naast een handelshoeveelheid harddrugs zijn ook attributen en stoffen aangetroffen die worden gebruikt voor het verwerken en bewerken van harddrugs voor de handel in de woning. Verder was één kamer in de woning volledig ingericht als versnijdingsruimte voor harddrugs. Dit maakt een sluiting van de woning voor drie maanden in beginsel noodzakelijk om het daarmee beoogde doel te kunnen bereiken.
5.3.
Hieraan kan niet afdoen dat verzoeker bereid is om de huurovereenkomst op te zeggen en niet naar de woning zal terugkeren. Ook de omstandigheid dat de sleutels van de woning al op 6 februari 2026 door de officier van justitie in beslag zijn genomen en de woning feitelijk al drie maanden dicht is geweest neemt de noodzaak voor een (bestuursrechtelijke) sluiting niet alsnog weg. Hoewel de woning in die drie maanden feitelijk niet toegankelijk was, is daarmee niet aantoonbaar het effect bereikt dat met een bestuursrechtelijke sluiting is beoogd. Niet is bijvoorbeeld gebleken dat de woning in die periode van drie maanden daadwerkelijk verzegeld is geweest (geen effectieve sluiting). In dat geval heeft voor omwonenden en belangstellenden niet duidelijk hoeven zijn dat de woning was gesloten en is het doel van de sluiting, namelijk het herstel van de openbare orde, het voorkomen van herhaling en het wegnemen van de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit, nog niet bereikt.
6. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: