Rechtbank Rotterdam, wraking bestuursrecht overig
ECLI:NL:RBROT:2026:7842
Op 11 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een wraking procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is C/10/720652 / HA RK 26-505, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:7842. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Wrakingsverzoek. Niet- ontvankelijk. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd die aanleiding zouden kunnen zijn voor een wrakingsverzoek.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: C/10/720652 / HA RK 26-505
Beslissing van 11 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
een bestuursrechter
in deze rechtbank.
1.1.
Bij e-mail van 4 mei 2026 heeft verzoeker een (herhaald) wrakingsverzoek ingediend. Hij heeft toegelicht dat hij op 3 juli 2025 bij deze rechtbank een beroepschrift heeft ingediend tegen een (afwijzend) besluit op bezwaar van het openbaar ministerie. Reden voor wraking is dat volgens verzoeker wordt geweigerd om deze zaak in te boeken. Bij e-mail van 13 mei 2026 heeft verzoeker het betreffende beroepschrift aan de wrakingskamer gezonden.
1.2.
Bij e-mail van 28 mei 2026 heeft de algemeen secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker bericht dat hij van de administratie van bestuursrecht heeft vernomen dat het beroepschrift in goede orde is ontvangen en dat de zaak is ingeboekt onder zaaknummer ROT 25/5187, hetgeen ook aan verzoeker is bevestigd. Het beroepschrift is nog in behandeling en er is nog geen rechter aan de zaak gekoppeld. De algemeen secretaris heeft verzoeker daarop gevraagd om te laten weten of hij zijn wrakingverzoek handhaaft en, indien dat het geval is, concreet te berichten 1) tegen welke rechter hij zijn wrakingsverzoek richt en 2) op welke grond(en).
1.3.
Bij e-mail van 28 mei 2026 heeft verzoeker geschreven dat hij gehoord wil worden door de wrakingskamer en vooraf geïnformeerd wil worden over de wrakingsverzoeken die dan zullen worden behandeld en wat de namen van de rechters van de wrakingskamer zijn.
2
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1.
Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd die aanleiding zouden kunnen zijn voor een wrakingsverzoek. Artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden vermeld. Het wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorschriften. Alleen al om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Gezien het voorgaande wordt aan dat debat niet toegekomen.
Beslissing
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. F. Aukema-Hartog en mr. W.J. de Veld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.