Rechtbank Rotterdam, voorlopige voorziening omgevingsrecht

ECLI:NL:RBROT:2026:1122

Op 23 January 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van omgevingsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 25/10153, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:1122. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
ROT 25/10153
Datum uitspraak:
23 January 2026
Datum publicatie:
10 February 2026

Indicatie

Voorlopige voorziening. Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor de bouw van 89 woningen (buitenplanse omgevingsplanactiviteit).

Er is geen sprake van onevenredige aantasting van de privacy en het woon- en leefklimaat van verzoeker. Geen strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Het is voldoende aannemelijk dat de ontsluiting van het bestaande achterpad achter de woning van verzoeker kan en zal worden gerealiseerd. Het college heeft toegezegd dat de tekening in de bodemprocedure zal worden verduidelijkt en dat de gewijzigde versie wordt toegevoegd aan de omgevingsvergunning. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/10153

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.A. Jurna),

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. N. Bouchotrouch).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghoudster] uit [plaats 2] (vergunninghoudster)

(gemachtigde: mr. P.J. van der Woerd).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van 89 woningen en twee algemene ruimten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunninghoudster die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit van 5 november 2025 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 89 woningen en twee algemene ruimten op de locaties Nieuwe Kerkstraat, Cornelis Houtmanstraat en Jacob van Heemskerkstraat in Vlaardingen (hierna: het projectgebied). Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] , en de gemachtigde van vergunninghoudster, [persoon D] en [persoon E] .

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit

3. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 89 woningen en twee algemene ruimten in het projectgebied. Het project bestaat uit vijf bouwblokken. Vergunninghoudster wil hier 76 twee- en driekamerappartementen en 13 maisonnettes in de sociale huursector realiseren. Deze woningen komen in de plaats van 81 huurwoningen die zijn gesloopt.

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het projectgebied geldt het omgevingsplan gemeente Vlaardingen (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. (Voetnoot 1) Op het projectgebied was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Oostwijk-Zuid” (het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Vlaardingen.

4.1.

Het bouwproject is op een aantal punten in strijd met de planregels van het bestemmingsplan. Het gaat om bouwen buiten het bouwvlak, het aantal woningen per bouwperceel en bouwen op gronden met de bestemming “Verkeer-Verblijfsgebied”. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het omgevingsplan. Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. De omgevingsvergunning is daarom verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. Met het bestreden besluit heeft het college ook een omgevingsvergunning verleend voor een technische bouwactiviteit. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. (Voetnoot 2)

5. Verzoeker woont aan de [adres] in Vlaardingen. Zijn perceel grenst aan de achterkant aan bouwblok 1 van het projectgebied ( [straatnaam] [huisnummer A] - [huisnummer K] ). Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening richten zich alleen tegen de omgevingsvergunning voor bouwblok 1. Verzoeker vreest aantasting van zijn woon- en leefklimaat en wijst daarbij vooral op aantasting van de privacy. Volgens hem is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en heeft het college zijn belangen onvoldoende meegewogen.

Toetsingskader

6. Uit de artikelen 5.1 eerste lid, onder a, en 5.21, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat een omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

6.1.

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Spoedeisend belang

7. Het college betoogt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er wel een spoedeisend belang. Vergunninghoudster is al begonnen met de bouwwerkzaamheden, namelijk het boren voor de funderingen, en wil de werkzaamheden voortzetten. Door het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden kunnen onomkeerbare gevolgen ontstaan voordat op het beroep in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat er ook in het bestreden besluit van is uitgegaan dat de vergunde activiteiten onomkeerbare gevolgen kunnen hebben; daarom heeft het college met toepassing van artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet bepaald dat de omgevingsvergunning pas vier weken na de terinzagelegging in werking treedt.

Gevolgen voor de privacy en het woon- en leefklimaat

8. Verzoeker betoogt dat het gebied achter zijn woning in de nieuwe situatie aanzienlijk intensiever gebruikt zal worden. De verdubbeling van het aantal huishoudens zal leiden tot een structureel hogere mate van activiteit, geluid en zichtbewegingen. De nieuwe woningen in bouwblok 1 komen op ongeveer 9 m van de grens van zijn perceel te staan, ongeveer 5 m dichterbij dan in de oude situatie. Het college miskent dat sprake is van een ingrijpende wijziging van de ruimtelijke situatie en gevolgen voor de privacy. Verder stelt verzoeker dat er vanaf de open leefgalerij directe inkijk in zijn tuin en woning is. De leefgalerij fungeert bovendien als looproute en verblijfsgebied voor bewoners. Dit zal zorgen voor meer activiteit, geluid, zichtbewegingen en aantasting van de privacy. In de zienswijzennota heeft het college wel gesteld dat er bomen zullen worden geplant in de gemeenschappelijke binnentuin, maar die bomen hebben in de herfst en winter geen afschermende werking. Bovendien is er geen concreet groenplan waaruit blijkt welke maatregelen worden getroffen, welk type beplanting wordt gebruikt, in welke omvang en met welke borging voor beheer en instandhouding. Daarnaast betoogt verzoeker dat de lamellen die in het hekwerk van de leefgalerij worden geplaatst ontoereikend zijn om inkijk en aantasting van de privacy te verminderen. Bewoners kunnen volgens hem over de lamellen heen kijken. Deze omstandigheden maken samen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy en het woon- en leefklimaat, aldus verzoeker. Het college heeft daar volgens hem in de belangenafweging te weinig rekening mee gehouden.

8.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor de bopa kan worden verleend, omdat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2.

In bouwblok 1 waren in de oude situatie 16 woningen aanwezig. In de nieuwe situatie zijn dit er 18, namelijk 5 appartementen op de begane grond en 13 maisonnettes op de eerste en tweede verdieping. Voor het gedeelte van de bebouwing waar verzoeker op uitkijkt, ging het in de oude situatie om zes woningen en in de nieuwe situatie om zeven woningen. Het gebouw heeft een ingang aan de Nieuwe Kerkstraat. De maisonnettes zijn bereikbaar via het centrale trappenhuis en de leefgalerij op de eerste verdieping. De deur tussen het trappenhuis en de leefgalerij bevindt zich tegenover de woning van verzoeker. Op de leefgalerij bevinden zich ook de privébuitenruimtes voor de maisonnettes.De nieuwe bebouwing wordt ongeveer 11 m hoog. Dit is lager dan de maximale bouwhoogte uit het bestemmingsplan. De oude bebouwing was ter hoogte van de woning van verzoeker enkele meters lager dan wat het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakte. In het bestreden besluit is afgeweken van het bouwvlak uit het bestemmingsplan. Hierdoor komt de nieuwe bebouwing op ongeveer 9 m van de grens van het perceel van verzoeker te staan. In de oude situatie was de afstand tot de perceelsgrens ongeveer 14 m.

8.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy en het woon- en leefklimaat van verzoeker en overweegt daarover het volgende. In vergelijking met de situatie die het bestemmingsplan mogelijk maakt – waarbij in het verleden overigens niet alle bouwmogelijkheden daadwerkelijk zijn benut – is de vergunde situatie ongunstiger voor verzoeker. De woningen komen 5 m dichter bij de perceelsgrens te staan. Het aantal woningen wordt weliswaar niet veel groter, maar er komt een leefgalerij op de eerste verdieping van waaruit er zicht is op de tuin en de woning van verzoeker. Op de leefgalerij komen niet alleen buitenruimtes voor de maisonnettes direct tegenover de woning van verzoeker, maar ook een deur naar het trappenhuis en een looproute naar alle 13 maisonnettes in bouwblok 1. Dit heeft gevolgen voor de privacy van verzoeker. Daarnaast kan er hinder optreden door bijvoorbeeld geluid.Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college deze gevolgen echter in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten, mede gelet op het stedelijke karakter van de omgeving. De resterende afstand tot de perceelsgrens is 9 m. De afstand tot de woning van verzoeker is nog aanzienlijk groter. Het college heeft voldoende toegelicht dat een leefgalerij aan de straatkant vanwege welstandseisen niet wenselijk is. Het hekwerk van de leefgalerij wordt voorzien van lamellen die ervoor zorgen dat personen die op de leefgalerij zitten geen zicht hebben op het perceel van verzoeker. Dit is vastgelegd in de omgevingsvergunning. Staande en lopende personen hebben vanaf de leefgalerij nog steeds zicht op het perceel van verzoeker, maar het college heeft het aannemelijk kunnen achten dat de personen die de leefgalerij als looproute naar hun woning gebruiken daar over het algemeen slechts kort zullen verblijven. Op de zitting is duidelijk geworden dat het college het planten van bomen in de gemeenschappelijke binnentuin niet ziet als noodzakelijke maatregel om de inbreuk op de privacy te beperken. Het planten van de bomen heeft een ander doel, namelijk compensatie voor het kappen van andere bomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hoefde het college daarom in verband met de privacy van omwonenden geen verdere voorschriften over de bomen aan de omgevingsvergunning te verbinden. Ter zitting heeft vergunninghoudster wel toegezegd dat zij bereid is om bij het maken van een groenplan voor de binnentuin rekening te houden met de belangen van verzoeker. Gelet hierop heeft het college zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen de vergunde afwijking van het omgevingsplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter ziet daarom in zoverre geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

Ontsluiting van het achterpad achter de woning van verzoeker

9. Verzoeker voert aan dat op de bouwtekeningen niet duidelijk genoeg is aangegeven hoe de ontsluiting van het bestaande achterpad achter zijn woning wordt vormgegeven. Hij vreest dat het achterpad in de nieuwe situatie geen ontsluiting meer zal hebben en dat zijn woning daardoor aan de achterkant niet meer bereikbaar zal zijn.

9.1.

Uit de stukken blijkt dat het achterpad achter de woning van verzoeker in het verleden werd ontsloten op de Nieuwe Kerkstraat via een doorgang tussen en onder de woningen door. Volgens het college wordt het achterpad in de nieuwe situatie ontsloten op de Nieuwe Kerkstraat nabij de 2e Van Leyden Gaelstraat. Hiervoor is nodig dat er aanpassingen aan een van de tuinen worden gedaan of dat de trap in het bouwplan wordt verschoven. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat de ontsluiting kan en zal worden gerealiseerd. Verzoeker heeft ook aangevoerd dat de ontsluiting niet duidelijk genoeg in de omgevingsvergunning is vastgelegd. Ter zitting heeft het college toegezegd dat de tekening in de bodemprocedure zal worden verduidelijkt en dat de gewijzigde versie wordt toegevoegd aan de omgevingsvergunning. Gelet hierop en gelet op het belang van vergunninghouder bij een spoedige uitvoering van het bouwplan ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden en dat vergunninghoudster de bouwwerkzaamheden niet hoeft stil te leggen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingOmgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit,

(…)

tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.(…)2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een bouwactiviteit,(…)voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Artikel 5.18. (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur) 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.(…)

Artikel 5.21. (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit) 1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:

a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,

b. de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

c. op de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:

1°. de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,

2°. de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.

3. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in laatstbedoeld lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.

4. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.

Bijlage bij artikel 1.1 van deze wetA. BegrippenVoor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:(…)bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;(…)buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;(…)omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;(…)

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen) 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Voetnoot 2

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).