Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Eerste aanleg - enkelvoudig Civiel recht overig

13 mei 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:3854

Op 13 mei 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht. Het zaaknummer is 9628091 CV EXPL 22-789, bekend onder ECLI code ECLI:NL:RBROT:2022:3854. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
9628091 CV EXPL 22-789
Datum uitspraak
13 mei 2022
Datum gepubliceerd
17 mei 2022
Vindplaatsen
  • PS-Updates.nl 2022-0358
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 9628091 CV EXPL 22-789

datum uitspraak: 13 mei 2022

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser]
,

woonplaats:

[woonplaats eiser]
,

eiser,

gemachtigde: mr. L.M.J. Duijverman te Den Haag,

tegen:

[gedaagde]
,

woonplaats:

[woonplaats gedaagde]
,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland.

Partijen worden hierna ‘

[eiser]
’ en ‘
[gedaagde]
’ genoemd.

1.
Het verloop van de procedure
1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 27 december 2021, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

de brief van 7 maart 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

Op 13 april 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en de gemachtigden besproken.

2.
De feiten
2.1.

Op 28 oktober 2021 zijn partijen aanwezig geweest bij een bijeenkomst van de beleggersclub waar zij lid van zijn aan de

[adres]
. In de nacht van 28 op 29 oktober 2021 is het na een woordenwisseling tussen
[gedaagde]
en
[naam]
(hierna:
[naam]
) – de huisgenoot van
[eiser]
– uit de hand gelopen en is er onenigheid tussen partijen ontstaan waarbij
[eiser]
letsel aan zijn schouder heeft opgelopen.

2.2.

[eiser]
is met een ambulance naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis gebracht, waar een luxatie aan zijn linkerschouder (arm uit de kom) is geconstateerd. Hij is in het ziekenhuis behandeld en daarna met de taxi naar huis gegaan.
[eiser]
heeft pijnstillers voorgeschreven gekregen en zijn arm enkele weken in een mitella gedragen. Ook is hij gestart met fysiotherapie.

2.3.

In het verslag van de arts van

[eiser]
d.d. 29 oktober 2021 is – voor zover hierbij van belang – het volgende opgenomen:

“(…) Patiënt probeerde een onenigheid te sussen, tussenbeide gekomen. Hierbij een duw op de linker schouder gekregen. Niet gevallen. (…) Rechtsdominant. Rond 23:30 nog biertje gedronken. Nooit eerder schouderproblemen gehad.

Schrijft met links, doet de rest met rechts. (…)”

2.4.

De zorgverzekeraar van

[eiser]
heeft € 385,- aan eigen risico bij
[eiser]
in rekening gebracht voor het ambulancevervoer op 29 oktober 2021.

2.5.

Ook

[gedaagde]
heeft in de nacht van 28 op 29 oktober 2021 letsel opgelopen.
[gedaagde]
heeft daarom op 29 oktober 2021 telefonisch contact opgenomen met zijn huisarts. In het verslag van de huisarts van de telefonische bespreking is – voor zover hierbij van belang – het volgende opgenomen:

“(…) is gister gevallen, achterover met voorhoofd tegen deurpost aan. er zit een bult op voorhoofd. doet wat pijn. gister zag hr wazig. Gebeurde om 12 uur snachts en om 2 uur was dit weer over. heeft niet overgegeven. niet misselijk geweest. hr weet goed wat er gebeurd. vannacht gewoon geslapen. heeft pcm ingenomen tegen de pijn dit hielp goed. hr vraagt waar hij op moet letten

trauma capitis

ass uitgelegd dat hr zn rust moet nemen en PCM mag nemen bij hoofdpijn. Bij overgeven, misselijk worden, verergering hoofdpijn contact arts.”

2.6.

Partijen hebben geen aangifte gedaan van het voorval.

2.7.

Bij brief van 9 november 2021 van zijn gemachtigde heeft

[eiser]
[gedaagde]
formeel aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden en zal lijden als gevolg van het door hem gestelde onrechtmatig handelen van
[gedaagde]
.

2.8.

[gedaagde]
heeft de aansprakelijkheid niet erkend. Bij brief van 22 november 2021 heeft hij gereageerd dat hij het in de brief van 9 november 2021 geschetste beeld niet herkent en uit welwillendheid graag verneemt wat het voorstel van
[eiser]
voor een minnelijke schikking inhoudt.

2.9.

Bij brief van 3 december 2021 van zijn gemachtigde heeft

[eiser]
het voorstel gedaan om de kwestie minnelijk te regelen door betaling van
[gedaagde]
van € 1.000,- tegen finale kwijting wegens de geleden materiële en immateriële schade.
[gedaagde]
heeft dit voorstel niet geaccepteerd.

3.
Het geschil
3.1.

[eiser]
eist dat
[gedaagde]
bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan
[eiser]
te betalen € 2.047,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van
[gedaagde]
in de proceskosten.

3.2.

[eiser]
baseert de eis op het volgende. Door toedoen van
[gedaagde]
heeft hij letsel aan zijn schouder opgelopen, wat voor veel pijn en beperking van zijn bewegingsvrijheid heeft gezorgd. De schade die
[eiser]
door het onrechtmatig handelen van
[gedaagde]
heeft opgelopen moet door
[gedaagde]
aan hem vergoed worden.
[eiser]
heeft de materiële schade begroot op € 547,- (€ 385,- eigen bijdrage zorgverzekering, € 152,- eigen bijdrage advocaatkosten en € 10,- aan taxi- en/of parkeerkosten). De immateriële schade is door
[eiser]
conform de richtlijnen van de Stichting Letselschaderaad in combinatie met de aard van het letsel, de duur van de behandeling, de geleden pijn en het ongemak begroot op € 1.500,-.

3.3.

[gedaagde]
is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. De schade kan hem niet worden toegerekend, omdat hij het letsel van
[eiser]
niet opzettelijk heeft veroorzaakt.
[gedaagde]
heeft gehandeld in reactie op een duw van
[eiser]
, waarbij
[gedaagde]
zijn hoofd en enkel heeft bezeerd. Gelet op het voorgaande is er sprake van eigen schuld van
[eiser]
als bedoeld in artikel 6:101 BW. Ook betwist
[gedaagde]
de hoogte van enkele door
[eiser]
opgevoerde schadeposten.

4.
De beoordeling
4.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of

[gedaagde]
een schadevergoeding aan
[eiser]
moet betalen naar aanleiding van de gebeurtenissen in de nacht van 28 op 29 oktober 2021. Om vast te kunnen stellen of dat het geval is dient allereerst beoordeeld te worden of er sprake is van onrechtmatig handelen door
[gedaagde]
.

4.2.

Vast staat dat in de nacht van 28 op 29 oktober 2021 een incident tussen

[eiser]
en
[gedaagde]
heeft plaatsgevonden.
[gedaagde]
heeft in dat kader erkend dat hij
[eiser]
op enig moment een duw heeft gegeven waarbij
[eiser]
slecht terecht is gekomen. Hiermee heeft
[gedaagde]
de lichamelijke integriteit van
[eiser]
geschonden en zich in beginsel onrechtmatig gedragen jegens
[eiser]
. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van
[gedaagde]
een rechtvaardigingsgrond bestaat.

4.3.

[gedaagde]
beroept zich op artikel 6:101 BW. Op grond van het eerste lid van dit artikel geldt wanneer de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dat de vergoedingsplicht verminderd wordt door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Concreet betekent dit dat als de schade (mede) het gevolg is van een omstandigheid die aan
[eiser]
kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht van
[gedaagde]
wordt verminderd en
[eiser]
daarom (een deel van) de door hem geleden schade niet kan verhalen op
[gedaagde]
.

4.4.

Het is in beginsel aan

[gedaagde]
om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat zijn handelen wordt gerechtvaardigd door eigen schuld aan de zijde van
[eiser]
. In dat kader heeft hij een verklaring van zijn huisarts overgelegd waaruit blijkt dat hij zich op 29 oktober 2021 om 15:50 uur telefonisch bij de huisarts heeft gemeld vanwege een pijnlijke bult op zijn voorhoofd en omdat zijn zicht enige tijd wazig was.

4.5.

Verder geldt dat partijen het erover eens zijn dat

[gedaagde]
- voordat hij
[eiser]
een duw heeft gegeven - tijdens de woordenwisseling door
[eiser]
naar beneden is gebracht. Wel verschillen zij van mening over de manier waarop dit is gebeurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft
[eiser]
toegelicht dat hij dit heeft gedaan door
[gedaagde]
rustig bij zijn kraag te pakken en hem langzaam naar beneden te brengen. Dit wordt door
[gedaagde]
echter betwist. Zijn lezing van de gebeurtenissen is dat hij een duw kreeg van
[eiser]
en met zijn hoofd tegen de deurpost viel. Daarna heeft hij uit schrik en/of zelfverdediging op zijn beurt een duw gegeven aan
[eiser]
, aldus
[gedaagde]
.

4.6.

In het licht van de bevindingen van de huisarts van

[gedaagde]
in samenhang met hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling over en weer hebben aangevoerd acht de kantonrechter de stelling van
[gedaagde]
dat sprake is van eigen schuld van
[eiser]
als bedoeld in artikel 6:101 BW voorshands bewezen. De kantonrechter acht het op basis van de aangevoerde omstandigheden aannemelijk dat de bult op het hoofd van
[gedaagde]
- waarmee hij zich bij zijn huisarts heeft gemeld - is ontstaan tijdens een valpartij en dat hij dus niet rustig naar beneden is gebracht door
[eiser]
. Dit neemt niet weg dat
[eiser]
, zoals tijdens de mondelinge behandeling namens hem aangeboden, zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dit betekent dat
[eiser]
feiten en omstandigheden zal moeten aandragen die de voorshands bewezen stelling van
[gedaagde]
ontzenuwen.

4.7.

Als

[eiser]
erin slaagt het hiervoor bedoelde tegenbewijs te leveren, dan kan het beroep van
[gedaagde]
op eigen schuld als rechtvaardigingsgrond niet slagen. In dat geval is er geen sprake van eigen schuld van
[eiser]
en ligt zijn vordering in beginsel voor toewijzing gereed.

4.8.

Slaagt

[eiser]
niet in het leveren van tegenbewijs dan heeft
[gedaagde]
zich met succes beroepen op een rechtvaardigingsgrond en kan (een deel van) de schade niet aan
[gedaagde]
worden toegerekend. De consequentie is in dat geval dat de vordering gedeeltelijk of geheel wordt afgewezen.

4.9.

Gelet op het voorgaande zal

[eiser]
tot bewijslevering worden toegelaten. Daartoe wordt de zaak verwezen naar de hierna te melden rolzitting.

4.10.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium aangehouden.

5.
De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

laat

[eiser]
toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van
[gedaagde]
dat sprake is van eigen schuld van
[eiser]
als bedoeld in artikel 6:101 BW;

5.2.

bepaalt dat:

[eiser]
ter rolzitting van donderdag 9 juni 2022 om 14:45 uur bij te nemen akte in de gelegenheid is mede te delen of, en zo ja, op welke wijze hij dit tegenbewijs wenst te leveren, waarbij de akte uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12:00 uur ter griffie ontvangen moet zijn;

en indien hij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren hij bij die gelegenheid op het bewijsthema betrekking hebbende bescheiden direct in het geding dient te brengen;

en indien hij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen hij bij akte opgave dient te doen van het aantal en de personalia van de door hem voor te brengen getuigen alsmede van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden juli, augustus en september 2022, zodat vervolgens een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;

5.3.

wijst

[eiser]
erop dat namen en woonplaatsen van eventueel voor te brengen getuigen ten minste zeven dagen vóór het te houden getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter en de wederpartij moeten worden aangezegd;

5.4.

bepaalt dat

[eiser]
te zijner tijd zelf zorg dient te dragen voor behoorlijke oproeping van de getuigen;

5.5.

bepaalt dat een eventueel getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw) te Rotterdam, ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter;

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416

Artikel 6:162 lid 2 BW

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158