Peute voert voorts, samengevat, het volgende aan.
Zij is niet tekortgeschoten. Zij is haar verplichtingen uit de overeenkomst met Reinis, het verwerken en doorverkopen van door Reinis ingezameld oud papier en karton (hierna: OPK) volledig nagekomen.
Reinis heeft haar echter vanaf november 2019 ladingen sterk vervuild OPK geleverd, in strijd met artikel 1 van de overeenkomst. Op basis van de European List of Standard Grades of Recovered Paper and Board van de CEPI (versie juni 2003) was de overeengekomen kwaliteitsnorm primair 0% vervuiling. Vanwege die schending van de kwaliteitsnorm heeft zij extra verwerkingskosten moeten maken.
De vervuiling van OPK is in heel Nederland in 2019 en 2020 opgetreden en is grotendeels het gevolg van stijging van afgedankte, met voedselresten vervuilde maaltijdverpakkingen en van plastic. In coronatijd is het vervuilingspercentage nog toegenomen als gevolg van internetbestellingen, bezorgmaaltijden, andere (ondergrondse) inzamelmethodes en verslechterd scheidingsgedrag van burgers.
Zij heeft met Reinis voor het OPK expliciete kwaliteits- en bestemmingsafspraken gemaakt.
Op grond van de bestemmingsafspraak had Peute niet de vrijheid om met het OPK iets anders te doen dan zorgen voor hergebruik. Door de bestemmingsafspraak rustte ook op Reinis een zorgplicht. Die heeft zij meerdere keren geschonden, wat gevolgen had voor Peute. Het begrip “verwerkingskosten” moet daarom, met toepassing van de Haviltexnorm, breed worden uitgelegd. Die kosten komen volledig voor rekening en risico van Reinis.
De aan Reinis doorbelaste extra verwerkingskosten zijn daadwerkelijk opgekomen. Aanvankelijk heeft zij deze kosten in rekening gebracht op basis van een vervuilingspercentage van 3%, hoewel het overeengekomen percentage 0% was.
Onder “verwerkingskosten” vallen de standaard kosten van verwerking (artikel 6) en de extra kosten vanwege schending door Reinis van de kwaliteitsnorm (artikel 3.1).
Deze laatste kosten zijn niet gemaximeerd. Onder die kosten moeten worden begrepen de directe kosten van het opschonen van door Reinis geleverd vervuild OPK, en ook de indirecte kosten wanneer opschonen geen realistische optie was en verkoop aan derden tegen een lagere waarde heeft moeten plaatsvinden. Bij de berekening van de hoogte van die kosten is zij aanvankelijk uitgegaan van een reëel gemiddelde over de maanden november en december 2019. Later heeft zij, tot behoud van de klantrelatie met Reinis, die kosten met 20% naar beneden bijgesteld tot een all-inbedrag van € 26,- per ton aangeleverd OPK.
5.4.1
grond voor extra verwerkingskosten?
Reinis en Peute hebben in hun overeenkomst van 22 maart 2013 hun verhouding schriftelijk geregeld. Deze overeenkomst bevat een bepaling over de kwaliteit van het door Reinis aan Peute te leveren oud papier (artikel 1). Ook regelt de overeenkomst wat te doen bij afwijking van deze kwaliteitsnorm (artikel 3.1). In dat geval mag Peute de verwerkingskosten in mindering brengen op de opbrengst. Dit begrip verwerkingskosten wordt in artikel 3.1 van de overeenkomst niet geconcretiseerd. De rechtbank duidt deze kosten aan als “extra verwerkingskosten”.
Ook bevat de overeenkomst geen bepaling over de wijze van vaststelling van een afwijking van de kwaliteitsnorm.
Peute heeft voorts aan Reinis gegarandeerd dat al het papier dat Reinis aanleverde kon worden afgezet (considerans onder 4) en heeft zich jegens Reinis verplicht voor hergebruik van het oud papier te zorgen. Verbranding en/of storten van het geaccepteerde oud papier wordt niet toegestaan, aldus het slot van artikel 5.2.
5.4.2
Peute stelt zich op het standpunt dat het OPK geen enkele vervuiling mag bevatten en verwijst naar de European List of Standard Grades of Recovered Paper and Board van de CEPI (versie juni 2003).
De rechtbank stelt vast dat de norm in de overeenkomst niet duidelijk wordt genoemd.
De European List of Standard Grades of Recovered Paper and Board van de CEPI (versie juni 2003) noemt het percentage 0 niet. Uit verschillende e-mailberichten van Peute aan Reinis blijkt dat Peute zelf in elk geval niet van dat percentage uitging, maar van 1,5 of 3%. Uit niets is bovendien gebleken dat Reinis en Peute in de praktijk ten aanzien van de kwaliteit steeds zijn uitgegaan van een percentage van 0. Reinis stelt zelfs onweersproken dat de mate van vervuiling van haar OPK nooit 0% is geweest en dat Peute daarvan nooit melding heeft gemaakt. De rechtbank gaat daarom uit van een maximaal toelaatbaar vervuilingspercentage van 3%, dat Peute in de praktijk ook heeft gehanteerd en waartegen Reinis op zichzelf genomen geen bezwaar heeft geuit.
5.4.3
Volgens artikel 3.1 van de overeenkomst moest een afwijking van de overeengekomen kwaliteit met foto’s worden vastgelegd en door Peute aan Reinis worden gemeld. Peute heeft dat vanaf november 2019 verschillende keren gedaan, zo blijkt uit de
e-mailberichten met foto’s die als producties 5 tot en met 9 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd. Bij e-mailberichten van 20 november en 9 december 2019 heeft Peute aan Reinis laten weten dat zij de komende tijd het inkomende “los bont” van de Nederlandse gemeenten zou gaan monitoren op kwaliteit omdat zij in algemene zin een kwaliteitsverslechtering daarvan had geconstateerd. In dat laatste bericht heeft Peute Reinis aangeboden een toelichting te geven op haar bevindingen en haar uitgenodigd voor een overleg. Reinis achtte dat toen niet wenselijk (e-mailbericht van 10 december 2019, productie 3 bij dagvaarding).
In een daarop volgende e-mailwisseling heeft Reinis aan Peute opheldering gevraagd over de door Peute genoemde percentages geconstateerde vervuiling en Peute heeft die verschaft (e-mailberichten van 11 en 18 december 2019, productie 3 bij dagvaarding).
Peute heeft Reinis daarnaast uitgenodigd aanwezig te zijn bij de analyses van de vervuiling, maar Reinis heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Reinis heeft daarna, zo stelt Peute, laten weten dat zij er geen prijs meer op stelde “een spam” aan foto’s en kwaliteitsrapporten te ontvangen. Reinis bestrijdt dat laatste, onder verwijzing naar de brief van haar raadsman aan Peute van 19 februari 2021(productie 8 bij dagvaarding), maar in die brief is slechts sprake van een blote betwisting daarvan, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van Peute op dit punt.
De rechtbank stelt vast dat Peute in de gegeven omstandigheden jegens Reinis in voldoende mate aan haar verplichting uit artikel 3.1 van de overeenkomst heeft voldaan.
5.4.4
Peute heeft, naar zij onweersproken stelt, omdat Reinis geen rapportages en foto’s meer wilde ontvangen, noodgedwongen begin 2020 onderzoeksbureau CWM Europe ingeschakeld om bij het door Reinis geleverde OPK vast te stellen of er sprake was van vervuiling en zo ja, in welke mate.
Verspreid over de periode van medio februari tot en met eind augustus 2020, dus gedurende ruim een half jaar, heeft CWM Europe een twintigtal inspecties uitgevoerd van door Reinis bij Klein Recycling aangeleverde partijen OPK. Daarbij zijn monsters genomen die vervolgens door CWM zijn geanalyseerd. Het resultaat van die analyse was dat in negentien van de twintig gevallen de mate van gemiddelde vervuiling groter was dan 3%. De hoogste gemiddelde gemeten vervuiling was 18,4%.
Van de monsters zijn foto’s gemaakt, die bij de inspectierapporten zijn gevoegd.
Reinis bestrijdt dat de kwaliteit van haar ladingen OPK in 2020 afweek van de overeengekomen kwaliteitsnorm.
Zij heeft bij dagvaarding en in haar akte houdende overlegging producties van 5 januari 2022 gesteld dat Peute medio november/december 2019 is gestart met het sturen van periodieke verslagen van kwaliteitsanalyses, gebaseerd op een afgenomen monster van (slechts) 10 kg. op een gemiddelde partij papier en karton van 6.000-7.000 kg.
In haar akte houdende uitlaten producties van 8 april 2022, randnummer 15) stelt zij vervolgens dat de vrachten OPK die door haar worden aangeleverd 6.000 tot 7.000 kg wegen en dat monsters van slechts 10 tot 20 kg, zoals door CWM genomen, te klein waren en daarom niet representatief.
De steekproeven door CWM Europe, tussen februari en augustus 2020 genomen, hadden, zo blijkt uit de in zoverre niet betwiste inspectierapporten, een brutogewicht van achtereenvolgens:
51,1 kg
161,9 kg
432,4 kg
203,7 kg
383,4 kg
369,2 kg
275,2 kg
230,5 kg
262 kg
256 kg
139,7 kg
217,6 kg
123,2 kg
237,4 kg
206,6 kg
166,6 kg
218,8 kg
119,2 kg
211,9 kg
147,8 kg.
Reinis geeft niet alleen een verkeerde voorstelling van zaken met haar stelling dat de door CWM Europe genomen monsters slechts 10 tot 20 kg groot waren, maar onderbouwt haar stelling dat deze steekproeven niet representatief zouden zijn in het geheel niet. Dat had in dit geval zeker op haar weg gelegen, omdat de omvang van een steekproef immers niet bepalend hoeft te zijn voor de representativiteit ervan. (Voetnoot 1) Van belang is in dit verband dat Peute onweersproken heeft aangevoerd dat de vervuilingen steeds volledig door de ladingen verspreid waren.
De rechtbank gaat er bij gebreke van een toelichting van Reinis dan ook van uit dat de door CWM Europe genomen twintig steekproeven steeds voldoende representatief zijn geweest en dat op basis van die steekproeven een voldoende getrouw beeld van de vervuiling bestaat. Reinis heeft de onafhankelijkheid en de deskundigheid van CWM Europe overigens niet betwist.
Reinis heeft op 15 december 2020 een sorteeranalyse laten uitvoeren door het bedrijf
De Afvalspiegel. Uit het steekproefgebied gemeente Nissewaard is één steekproef genomen van ongeveer 750 kg. De gemeten vervuiling bedroeg 2,6 %. Het resultaat van die eenmalige meting doet niet af aan de conclusie die op basis van de twintig in tijd verspreide metingen van CWM Europe kan worden getrokken. Die conclusie is dat de kwaliteit van het door Reinis in 2020 aangeleverde OPK gemiddeld genomen onvoldoende was. Peute was dan ook gerechtigd extra verwerkingskosten in mindering te brengen op de opbrengst van het OPK. Van een eenzijdige wijziging van de overeenkomst, zoals door Reinis gesteld, is dus geen sprake.