Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:10095

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/704183 / HA ZA 25-632, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:10095. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/704183 / HA ZA 25-632
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
14 August 2026
Advocaat:
mr. F.C.M Tamis;mr. I.L. van Willegen

Indicatie

Burengeschil. Eisers zijn door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de strook grond.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/704183 / HA ZA 25-632

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

1.
[persoon A] , 2. [persoon B] ,

beiden wonend in [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat: mr. F.C.M. Tamis,

tegen

1.
[persoon C] ,

2. [persoon D],

beiden wonend in [woonplaats] ,

gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat: mr. I.L. van Willegen.

Partijen worden hierna [persoon A] c.s. en [persoon C] c.s. genoemd.

1
De zaak in het kort
1.1.

[persoon A] c.s. en [persoon C] c.s. zijn buren van elkaar. Tussen partijen bestaat een geschil over twee stroken grond die nu onderdeel zijn van de tuin van [persoon A] c.s., maar kadastraal gezien bij het perceel van [persoon C] c.s. horen. [persoon A] c.s. doen in deze procedure een beroep op verkrijgende verjaring. De rechtbank oordeelt dat [persoon A] c.s. inderdaad eigenaar zijn geworden van de stroken grond door verkrijgende verjaring. De vordering van [persoon C] c.s. tot teruglevering van de stroken, dan wel een schadevergoeding in geld, wordt afgewezen, omdat niet vast is komen te staan dat [persoon A] c.s. te kwader trouw waren toen zij de stroken in bezit namen.

2
De procedure
2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 juli 2025, met producties 1 t/m 12, - de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 t/m 9, - de conclusie van antwoord in reconventie, - de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarop mr. Van Willegen namens [persoon C] c.s. spreekaantekeningen heeft voorgedragen,

- de situatietekening die mevrouw [persoon B] op de mondelinge behandeling heeft gemaakt, waarvan door de rechtbank een kopie per e-mail naar partijen is gestuurd,

- de akte eiswijziging namens [persoon C] c.s.,

- de e-mail van de rechtbank aan partijen van 19 maart 2026, waaruit volgt dat de eiswijziging van [persoon A] c.s. wordt toegelaten en dat [persoon C] c.s. de gelegenheid krijgt om hier bij akte op te reageren,

- de antwoordakte namens [persoon A] c.s.

3
De kern van de zaak
3.1.

[persoon A] c.s. wonen sinds 1985 aan de [adres] in Klaaswaal. Hun perceel is kadastraal bekend als ‘Klaaswaal [perceelnummer 1] ’. [persoon C] c.s. hebben in 2018 de naastgelegen woning gekocht van de ouders van [persoon C] . Zij woonden daar vanaf 2002. Hun perceel is kadastraal bekend als ‘Klaaswaal [perceelnummer 2] ’.

3.2.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de erfgrens. Op verzoek van [persoon C] c.s. heeft het Kadaster in 2023 een grensreconstructie uitgevoerd. Daaruit volgt dat de kadastrale grens niet overeenkomt met de huidige, feitelijke grens. De feitelijke grens loopt over het kadastrale perceel van [persoon C] c.s., waardoor twee (in het verlengde van elkaar liggende) stroken, die volgens het Kadaster bij het perceel van [persoon C] c.s. horen, door [persoon A] c.s. als onderdeel van hun tuin worden gebruikt.

3.3.

[persoon A] c.s. stellen dat zij eigenaar zijn geworden van de stroken door bevrijdende verjaring. Volgens [persoon A] c.s. behoren de stroken sinds in ieder geval 1985, toen [persoon A] de woning en bijbehorende tuin kocht, bij hun perceel. De afbakening die toen om het perceel stond, hebben zij gevolgd bij het inrichten van de tuin. Vanaf dat moment heeft [persoon A] de stroken in bezit gehad door de tuin af te bakenen door middel van een schutting en hekwerk. [persoon A] c.s. hebben hun tuin van beplanting voorzien en hun tuin inclusief de stroken altijd als één geheel onderhouden. Volgens [persoon A] c.s. maakt dit dat het voor derden duidelijk was dat de strook bij hun tuin hoort. De strook aan de straatkant is alleen toegankelijk via de voortuin. Weliswaar is de soort erfafscheiding in de loop der jaren een paar keer veranderd, maar de locatie van de erfafscheiding is volgens [persoon A] c.s. niet gewijzigd. [persoon A] c.s. wijzen ter onderbouwing van hun stellingen naar (lucht)foto’s.

3.4.

[persoon C] c.s. betwisten dat [persoon A] c.s. door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de stroken. Volgens [persoon C] c.s. hebben [persoon A] c.s. niet aangetoond dat de erfafscheiding altijd hetzelfde is gebleven en op dezelfde plek heeft gestaan. De foto’s waar [persoon A] c.s. naar wijzen, zijn volgens [persoon C] c.s. te onduidelijk om als onderbouwing van hun stellingen te kunnen dienen. [persoon C] c.s. hebben belang bij de strook, omdat zij een grote schuur willen bouwen die, vanwege de hoogte, één meter van de erfgrens moet staan vanwege bouwvoorschriften. Als de kadastrale erfgrens wordt aangehouden, hebben zij daar meer ruimte voor en houden zij meer ‘tuin’ over.

4
Het geschil

In conventie

4.1.

[persoon A] c.s. vorderen (samengevat), bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,

I. voor recht te verklaren dat de strook grond voor de schutting van [persoon A] c.s. aan [persoon A] c.s. toebehoort vanwege eigendomsverkrijging door verjaring,

II. voor recht te verklaren dat de strook grond achter het hekwerk van [persoon C] c.s. aan [persoon A] c.s. toebehoort vanwege eigendomsverkrijging door verjaring,

III. [persoon C] c.s. te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de inschrijving van de nieuwe eigendomsverhouding in het Kadaster, waaronder het doen opmaken van een notariële akte van verjaring, waarbij de kosten hiervan tussen partijen bij helfte worden gedeeld en waarbij dit vonnis in plaats van een ter uitvoering van dit vonnis op te maken akte kan treden,

IV. [persoon C] c.s. te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.2.

[persoon C] c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vorderingen.

In voorwaardelijke reconventie

4.3.

[persoon C] c.s. vorderen (samengevat), na eiswijziging, bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,

Primair

I. [persoon A] c.s. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding in natura, door middel van teruglevering, ontruiming en verlating van de strook/stroken grond die zij onrechtmatig in bezit hebben genomen, en ontruimd te houden en ter beschikking te stellen aan [persoon C] c.s., op straffe van een dwangsom,

II. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een erfafscheiding op de erfgrens op kosten van [persoon A] c.s., dan wel op gelijke kosten van partijen gezamenlijk,

III. en te bepalen dat, wanneer de strook/stroken binnen drie maanden na dit vonnis nog niet teruggeleverd zijn, dit vonnis in de plaats treedt voor de voor een notariële leveringsakte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening, die nodig zijn voor de notariële levering aan [persoon C] c.s.,

Subsidiair

IV. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 7.586,69,

Primair en subsidiair in conventie en in reconventie

V. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van [persoon C] c.s. en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.4.

[persoon A] c.s. concluderen tot afwijzing, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [persoon C] c.s. in de proceskosten.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, behandelt de rechtbank deze gezamenlijk.

Hoe de vorderingen worden begrepen

5.2.

In de dagvaarding is onderstaande luchtfoto opgenomen, met de toelichting: [persoon A] heeft op onderstaande afbeelding aangegeven hoe de huidige erfgrens ten opzichte van de kadastrale grens loopt. De zwarte lijn betreft de kadastrale grens

en de rode lijn de gebruikers grens.”:

De rechtbank heeft op basis hiervan en aan de hand van de situatietekening die mevrouw [persoon B] tijdens de mondelinge behandeling heeft gemaakt, met inachtneming van de toelichting van partijen op de mondelinge behandeling, een situatietekening gemaakt op een kopie van de kadastrale kaart uit het relaas van bevindingen van het Kadaster (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie). Deze situatietekening is als afbeelding hieronder ingevoegd. De kadastrale erfgrens is hierin aangegeven als een dikke, zwarte lijn. De feitelijke grens loopt in de afbeelding om het rode en groene stuk heen door het perceel van [persoon C] c.s. De stam van de liguster staat in de buurt van de erfgrens, maar staat daar niet exact op. De rechtbank heeft de vorderingen van [persoon A] c.s. zo begrepen dat vordering I ziet op het groene gedeelte en vordering II op het rode gedeelte. Hierna zal de groene strook (vordering I) ‘strook A’ worden genoemd en de rode strook (vordering II) ‘strook B’. De verhoudingen op de afbeeldingen komen niet exact overeen met de werkelijkheid.

Afbeelding 1 (situatieschets door de rechtbank, geanonimiseerd):

[persoon A] c.s. zijn ontvankelijk

5.3.

De rechtbank wijst de vordering van [persoon C] c.s. om [persoon A] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren, af. Weliswaar was tijdens de mondelinge behandeling een toelichting nodig op de vordering, maar dat maakt nog niet dat de dagvaarding niet aan de formele eisen van artikel 111 Rv voldoet. Daarnaast volgt de rechtbank [persoon C] c.s. niet in hun betoog dat [persoon A] c.s. onvoldoende belang bij hun vorderingen hebben en dat zij daarom niet-ontvankelijk zijn. Dat de stroken grond in vergelijking met de rest van de tuin weinig oppervlakte omvatten, betekent niet dat zij geen belang hebben bij het behouden van dit stuk van hun tuin. Bovendien hebben [persoon A] c.s. hun belang onderbouwd door aan te voeren dat zij, indien de stroken teruggeleverd moeten worden, de klimop aan de zijkant van het huis niet meer kunnen snoeien en de serredeur en de opslagkelder onder de serre niet meer toegankelijk zullen zijn. Aangezien [persoon A] c.s. ontvankelijk zijn in hun vorderingen, worden de vorderingen hierna inhoudelijk beoordeeld.

Juridisch kader

5.4.

Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (art. 3:306 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Ingevolge 3:108 BW wordt het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, bepaald naar verkeersopvatting, met inachtneming van de op die bepaling volgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (ECLI:NL:HR:2023:784).

[persoon A] c.s. zijn door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van beide stroken

Strook A

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat [persoon A] c.s. eigenaar zijn geworden van strook A door bevrijdende verjaring. Aan de vereisten hiervoor is namelijk voldaan. [persoon A] c.s. hebben de strook in bezit genomen door de feitelijke macht over de strook uit te oefenen vanaf het moment dat de schutting door [persoon A] werd geplaatst in 1986. Dat blijkt uit de door [persoon A] c.s. overgelegde familiefoto’s in de tuin en de luchtfoto’s. Daaruit blijkt ook genoegzaam dat [persoon A] c.s. de strook en de rest van de tuin als één geheel hebben onderhouden en beplanting en een terras hebben aangebracht. Naar verkeersopvatting is de strook grond daardoor (optisch) onderdeel van de tuin geworden en dit moet voor derden zichtbaar en duidelijk geweest zijn. Dat het bezit van [persoon A] c.s. onafgebroken en gedurende een periode van minstens 20 jaar is geweest, blijkt eveneens uit de door [persoon A] c.s. overgelegde foto’s. Daarop is namelijk te zien dat eind jaren ‘80, in de jaren ’90 en gedurende de jaren 2000 er een erfafscheiding stond in de vorm van een schutting die, net zoals toen de schutting werd geplaatst in 1986, er voor zorgt dat de strook naar uiterlijke verschijning bij het perceel van [persoon A] c.s. hoort. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit en/of aan de gestelde (globale) datering van de foto’s.

5.6.

De rechtbank kan [persoon C] c.s. niet volgen in hun betoog dat de door [persoon A] c.s. ingebrachte foto’s zo onduidelijk zijn dat deze buiten beschouwing zouden moeten blijven. Hetzelfde geldt voor hun standpunt dat hieruit niet kan blijken dat de strook altijd afgescheiden is geweest van het perceel van [persoon C] c.s. en optisch bij de tuin van [persoon A] c.s. zou horen. De foto’s van [persoon A] c.s. zijn naar het oordeel van de rechtbank van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk om als onderbouwing van hun stellingen te dienen.

5.7.

[persoon C] c.s. betwisten niet dat [persoon A] in 1986 een schutting heeft geplaatst en dat er een erfafscheiding heeft gestaan (en nog staat). Wat zij wel betwisten, is dat de erfafscheiding altijd in dezelfde vorm en op dezelfde plek heeft gestaan. Zij wijzen er op dat op de foto’s van [persoon A] c.s. te zien is dat in 1993 de schutting uit drie delen bestond, dat in 2001 het laatste schuttingsdeel maar voor de helft aanwezig was, en later dat het laatste schuttingsdeel grotendeels begroeid is, en dat de schutting op een gegeven moment niet meer tot de slootkant reikte.

[persoon C] c.s. miskennen dat, om te spreken van onafgebroken bezit, niet vereist is dat de erfafscheiding gedurende 20 jaar in exact dezelfde vorm en positie is blijven staan. Doorslaggevend is of een bezitter op basis van de verkeersopvatting de feitelijke macht over de strook uitoefent. De rechtbank oordeelt dat dat hier het geval is. Het maakt niet uit of de schutting tijdelijk lager of hoger is geweest, er anders uit heeft gezien, er begroeiing tegenaan stond en of deze op een gegeven moment niet meer helemaal tot de slootkant reikte. Het gaat er om dat de strook optisch gezien bij de tuin van [persoon A] c.s. hoorde en als zodanig in gebruik was.

5.8.

Volgens [persoon C] c.s. is het bezit van [persoon A] c.s., voor zover hij dat had, afgebroken geweest. Zij wijzen in dit kader op een foto vanaf hun woning, genomen in 2003, waarop geen schutting te zien zou zijn maar alleen begroeiing (afbeelding 16 in de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie). Dit maakt volgens [persoon C] c.s. dat [persoon A] c.s. niet als bezitters kunnen worden aangemerkt. Dit betoog gaat niet op. Los van het feit dat de wijze van erfafscheiding tussen beide percelen op deze foto bijna niet waarneembaar is, blijkt uit de foto’s uit de fotoalbums die [persoon A] c.s. hebben overgelegd (productie 8 bij dagvaarding, pagina 29, 31, 33, 34, 37 en 40) dat er (inderdaad) begroeiing is achter de schutting. Dat op deze foto de schutting vanaf het perceel van [persoon C] c.s. toen niet waarneembaar was, kan dus kloppen. Dit betekent in ieder geval niet dat geen sprake kan zijn van onafgebroken bezit door [persoon A] c.s. Mocht er tijdelijk (gedeeltelijk) geen schutting hebben gestaan, wat niet is gebleken, dan kwalificeert begroeiing ook als erfafscheiding / begrenzing van de tuin.

Strook B

5.9.

Ook voor strook B geldt dat [persoon A] c.s. eigenaar zijn geworden door bevrijdende verjaring. Aan de vereisten hiervoor is voldaan. [persoon A] c.s. hebben de strook in bezit genomen door de feitelijke macht hierover uit te oefenen in 1985, toen zij na de aankoop van de woning de toen reeds bestaande afbakening van het perceel hebben gevolgd bij het plaatsen van de beplanting en later een hekwerk. Uit de door [persoon A] c.s. overgelegde foto’s blijkt genoegzaam dat de strook sinds de aankoop van hun woning naar verkeersopvatting bij de voortuin van [persoon A] c.s. hoort. [persoon A] c.s. hebben de voortuin en de strook altijd als één geheel onderhouden. De parkeerplaats van [persoon C] c.s. is vernieuwd rond 2004. Toen is ook de grens tussen de percelen gevolgd die toen aanwezig was. Uit de overgelegde foto’s blijkt daarnaast dat de situatie, zoals deze ten tijde van de aankoop van het huis in 1985 en nu is, niet wezenlijk is veranderd, behalve dat de soort erfafscheiding een aantal keer is gewijzigd. Dit laatste is, anders dan [persoon C] c.s. stelt, niet relevant voor de vraag of er sprake is van onafgebroken bezit gedurende 20 jaar. Zoals in overweging 5.7. al is geoordeeld, is doorslaggevend of een bezitter op basis van de verkeersopvatting de feitelijke macht over de strook grond uitoefent. De rechtbank oordeelt dat dat het geval is. Kijkend naar de luchtfoto’s en de oude foto’s uit de fotoalbums kan niet anders worden geconcludeerd dat de strook sinds de aankoop van de woning naar verkeersopvattingen onderdeel uitmaakt van het perceel van [persoon A] c.s.

De ‘Heusden-vordering’ wordt afgewezen

5.10.

[persoon C] c.s. vorderen, indien bevrijdende verjaring wordt aangenomen, op basis van onrechtmatige daad teruggave, ontruiming en verlating van de stroken, omdat [persoon A] c.s. de stroken onrechtmatig in gebruik hebben genomen. Deze vordering is gebaseerd op het “Heusden-arrest” (ECLI:NL:HR:2017:309). In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat een partij die door verjaring eigenaar wordt van een stuk grond “bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW”. Dat oordeel is er op gebaseerd dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onder omstandigheden onrechtmatig handelt. Indien de voormalig eigenaar dat vordert en degene die de zaak in bezit heeft genomen nog steeds eigenaar is, kan de bezitter dan worden veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding de zaak terug te leveren.

5.11.

Een beroep op het “Heusden-arrest” kan slechts slagen indien de persoon die de zaak in bezit neemt en houdt, te kwader trouw was en om die reden onrechtmatig handelen kan worden verweten. Het enkele feit dat [persoon A] c.s. de stroken in bezit hebben genomen, maakt nog niet dat zij onrechtmatig gehandeld hebben. Daarvoor dient vast te staan dat zij op dat moment te kwader trouw waren. [persoon C] c.s. stellen dat [persoon A] c.s. de eigendomsbewijzen die zijn ingeschreven in de openbare registers hadden moeten raadplegen voorafgaand aan het plaatsen van de erfafscheidingen. Dat veronderstelt dat bij de koopakte van [persoon A] c.s. in 1986 een kadastrale kaart is bijgevoegd waaruit dat zou kunnen blijken. Dat die kaart bij de koopakte zat, is niet concreet gesteld en ook niet gebleken. Het is goed mogelijk dat zo’n kaart destijds niet bij de koopakte zat; dat was toen niet zo gebruikelijk als dat het nu is. In het midden blijft de vraag of een kaartje voldoende detail en/of maatvoering zou hebben bevat om eenduidige conclusies te kunnen trekken over de perceelsgrens en daarmee over de vraag naar kwade trouw. Een andere feitelijke grondslag voor kwader trouw hebben [persoon C] c.s. niet gesteld. De stelplicht en bewijslast ligt wat dit betreft op [persoon C] c.s. en zij hebben daar niet aan voldaan. De stellingen van [persoon A] c.s. over de toenmalige staat van het perceel en over de feitelijke omstandigheden op basis waarvan de grens van het perceel is aangenomen, kunnen daarom onbesproken blijven.

5.12.

[persoon A] c.s. hebben gevorderd dat de kosten gemoeid met het inschrijven van de nieuwe eigendomsverhoudingen in het Kadaster bij helfte door partijen gedeeld zullen worden en dat dit vonnis in de plaats kan treden van een voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis op te maken akte. [persoon C] c.s. hebben daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze vordering dan ook toewijzen.

Conclusies

In conventie

5.13.

[persoon A] c.s. zijn door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van zowel strook A als strook B. Vorderingen I en II worden daarom toegewezen.

De overige (uitvoerige) stellingen van [persoon C] c.s. hebben na hetgeen hiervoor is overwogen geen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke bespreking.

Voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis zijn de feitelijke omstandigheden bepalend, waarbij de schutting van [persoon A] c.s., vervolgens het hek ter hoogte van de parkeerplaats van [persoon C] c.s. en dan de liguster(stam) de loop van de erfgrens bepalen.

5.14.

Vordering III zal worden toegewezen, in die zin dat [persoon C] c.s. zal worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het bij het Kadaster laten inschrijven van de nieuwe eigendomsverhouding, waaronder zo nodig begrepen wordt het doen opmaken van een notariële akte van verjaring, waarbij de kosten door partijen bij helfte worden gedragen en waarbij dit vonnis in de plaats kan treden van een ter uitvoering van dit vonnis op te maken akte.

In reconventie

5.15.

Omdat niet vast is komen te staan dat [persoon A] c.s. te kwader trouw hebben gehandeld, kan het beroep op het “Heusden-arrest” niet slagen. Dit geldt voor zowel de vordering tot teruglevering als de vordering tot schadevergoeding in geld. De vorderingen in reconventie worden daarom afgewezen.

Proceskosten

5.16.

Aangezien [persoon C] c.s. in conventie in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij de proceskosten van [persoon A] c.s. betalen. Deze worden tot op heden begroot op:

dagvaarding € 146,43

griffierecht € 331,00

salaris advocaat € 1.632,50 (2,5 punten x tarief II)

nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beschikking)

totaal € 2.298,93

5.17.

Aangezien [persoon C] c.s. ook in reconventie in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij de proceskosten van [persoon A] c.s. betalen. Deze worden tot op heden begroot op € 653,00 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat. De nakosten in conventie en in reconventie worden conform het liquidatietarief tezamen begroot op € 296,00. De nakosten in reconventie worden daarom begroot op € 107,00 zijnde het restant na de nakosten in conventie. In totaal worden de proceskosten in reconventie dus begroot op € 760,00.

5.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank

In conventie

6.1.

verklaart voor recht dat Strook A en Strook B zoals aangegeven in afbeelding 1 onder overweging 5.2. aan [persoon A] c.s. toebehoren vanwege eigendomsverkrijging door verjaring,

6.2.

veroordeelt [persoon C] c.s. tot het verlenen van medewerking aan het bij het Kadaster laten inschrijven van de nieuwe eigendomsverhouding, waaronder zo nodig begrepen wordt het doen opmaken van een notariële akte van verjaring, waarbij de daarmee gemoeide kosten door partijen bij helfte gedeeld worden en waarbij dit vonnis zo nodig in de plaats kan treden van een ter uitvoering van dit vonnis op te maken akte,

6.3.

veroordeelt [persoon C] c.s. in de proceskosten van [persoon A] c.s. van € 2.298,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente als [persoon C] c.s. niet tijdig betalen,

In reconventie

6.4.

wijst de vorderingen af,

6.5.

veroordeelt [persoon C] c.s. in de proceskosten van [persoon A] c.s. van € 760,00,

In conventie en in reconventie

6.6.

veroordeelt [persoon C] c.s., onder voorwaarde dat zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe hebben betaald en het vonnis daarna wordt betekend, om € 98,00 plus de kosten van betekening aan [persoon A] c.s. te betalen,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

6.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

3727/1694