4.1.
Gevaar en belangenafweging
4.1.1.
Uithuisgeplaatste voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder beide bestreden besluit nam noch daarna, waardoor verweerder niet bevoegd was deze besluiten te nemen en te laten voortduren. Daarnaast voert hij aan dat er geen zorgvuldige belangenafweging is uitgevoerd, omdat hij niet is gesproken. Verweerder heeft daarom niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid het huisverbod op te leggen, te verlengen en beide besluiten te laten voortduren.
4.1.2.
Namens uithuisgeplaatste is toegelicht dat anderen dan uithuisgeplaatste en achterblijver niet tijdens het incident aanwezig waren, dat de verklaringen van hen beiden uiteenlopen en dat dus niet valt vast te stellen wat er precies is gebeurd. Uithuisgeplaatste ontkent dat hij achterblijver vanuit het niets heeft aangevallen en achtervolgd, en dat hij haar keel heeft dichtgeknepen, aan haar haren heeft getrokken en haar kleding heeft kapotgetrokken, zoals achterblijfster heeft verklaard. Daartegenover staat dat uit de onderliggende stukken blijkt dat ook anderen dan achterblijfster hebben gezien en ondervonden dat uithuisgeplaatste volledig door het lint is gegaan. Buren hebben uithuisgeplaatste van achterblijfster moeten lostrekken en hem in bedwang moeten houden totdat de politie ter plaatse was. Vervolgens heeft de politie hem in de hal handboeien moeten omdoen en in de ambulance een kalmeringsmiddel moeten toedienen. Uithuisgeplaatste was op geen enkele manier te beheersen en hij verzette zich hevig. Tijdens zijn aanhouding was hij aan het schreeuwen en schelden en wild om zich heen aan het schoppen. Alleen al op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat er sprake was van ernstig en onmiddellijk gevaar voor achterblijfster. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om het huisverbod op te leggen.
4.1.3.
Naast bovengenoemde feiten en omstandigheden bestaan zeer zorgelijke signalen. Die signalen maken onderdeel uit van de informatie in het dossier. Als eerste moet genoemd worden dat er aanwijzingen zijn van niet-fatale verwurging tijdens het incident. Niet alleen heeft achterblijfster verklaard dat uithuisgeplaatste haar keel heeft dichtgeknepen, dat zij geen lucht kreeg en dacht dat zij dood ging, ook zijn er striemen waargenomen in haar nek. Achterblijfster was erg geschrokken van het incident en wilde alleen nog maar terug naar huis om haar spullen te pakken en te verhuizen. Voor haar was de relatie op dat moment klaar. Tegelijkertijd was zij letterlijk doodsbang dat uithuisgeplaatste haar niet op een normale manier zou laten gaan, maar haar zal vermoorden als hij hoort van de breuk. Uithuisgeplaatste heeft tijdens het politieverhoor op 26 november 2025 verklaard: “Ik weet 1 ding zeker. Ik heb niets van die verdenkingen gedaan. Iemand probeert mij erin te luizen”, “Ik denk dat dit allemaal gepland was” en “ [naam 2] heeft dit wel veroorzaakt he.” Dit maakt dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat uithuisgeplaatste de rollen omdraait, achterblijfster beschuldigt en verantwoordelijk houdt en zichzelf als slachtoffer beschouwt.
4.1.4.
Na het incident is het gevaar niet geweken. Dat namens uithuisgeplaatste is aangevoerd dat achterblijfster heel graag wil dat hij weer vrij komt en dat zij de relatie een kans wil geven, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat het gevaar niet meer bestaat. Vaststaat dat achterblijfster tijdens de verlenging nog steeds ontzettend bang was voor uithuisgeplaatste, dus voor dat moment gaat zijn betoog in elk geval niet op. Dat achterblijfster de relatie met uithuisgeplaatste inmiddels wel een kans zou willen geven, heeft de rechtbank niet kunnen verifiëren. Wel heeft verweerder verklaard ook de indruk te hebben gekregen dat achterblijfster weer verder wil met uithuisgeplaatste. Echter, ook als dat zo is, is dat nog geen indicatie dat het gevaar niet langer meer bestaat. Dat zou anders kunnen zijn als uithuisgeplaatste een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, is begonnen met die hulpverlening en de reële verwachting bestaat dat hij daaraan blijft meewerken. Daarvan is allemaal niet gebleken. Verweerder heeft toegelicht dat er vooralsnog alleen veiligheidsafspraken met achterblijfster zijn gemaakt. De rechtbank is het met verweerder eens dat niet alleen veiligheidsafspraken met uithuisgeplaatste moeten zijn gemaakt, maar dat ook vereist is dat hij een reële start met hulpverlening heeft gemaakt op het gebied van middelengebruik en emotieregulatie, omdat het zo zorgelijk is dat het incident een plotselinge en extreme geweldsuitbarsting jegens achterblijfster betrof. Alleen de toezegging dat uithuisgeplaatste wil meewerken aan het maken van veiligheidsafspraken, zonder instemming met en actieve motivatie voor de start met hulpverlening, is onvoldoende.
4.1.5.
Namens uithuisgeplaatste wordt – mede in dat kader – bepleit dat verweerder een onzorgvuldige belangenafweging heeft uitgevoerd, omdat uithuisgeplaatste niet is gesproken. Uithuisgeplaatste voert daartoe aan dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om hem te spreken, terwijl dit wel van verweerder verwacht had kunnen worden – zowel voorafgaand aan het nemen van de besluiten als op 12 december 2025 toen de gemachtigde van uithuisgeplaatste was benaderd door achterblijfster omdat zij de situatie tussen hen zou willen verbeteren. Uithuisgeplaatste meent dat van verweerder in elk geval méér verwacht had mogen worden dan een enkel terugbelverzoek achter te laten in de penitentiaire inrichting.
4.1.6.
De rechtbank constateert op grond van de stukken het volgende.
Voorafgaand aan de oplegging van het huisverbod is eerst op 25 november 2025 geprobeerd om uithuisgeplaatste te spreken, maar op dat moment was een gesprek vanwege zijn toestand nog niet mogelijk. Op 26 november 2025 was het wel mogelijk om uithuisgeplaatste te spreken, met hulp van een tolk. Dit gesprek is in een uitgebreid verslag neergelegd en meegewogen in het opleggingsbesluit. Zo is in de belangenafweging meegenomen dat uithuisgeplaatste heeft verklaard dat hij bij zijn moeder in België zou kunnen verblijven.
Voorafgaand aan de verlenging is op 2 december 2025 een e-mail verzonden naar het detentiecentrum met het verzoek aan uithuisgeplaatste om voor 4 december 2025 13.00 uur te bellen. Uithuisgeplaatste heeft daar niet op gereageerd, maar bepleit wel dat van verweerder meer pogingen tot contact verwacht hadden mogen worden. De rechtbank volgt uithuisgeplaatste niet in zijn betoog. Zij betrekt daarbij dat deze hoorkwestie zich afspeelde in de context dat uithuisgeplaatste (wist dat hij) als verdachte vastzat wegens verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit (zware mishandeling en poging tot doodslag) en dat hij via het detentiecentrum in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord waarbij hij zijn eigen verhaal had kunnen vertellen. Het is uithuisgeplaatste zelf die die mogelijkheid in het geheel onbenut heeft gelaten. Hij heeft geen enkele actie ondernomen. Uithuisgeplaatste heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat hij niet op het terugbelverzoek heeft kunnen ingaan. Zonder verdere toelichting vindt de rechtbank de enkele stelling van uithuisgeplaatste dat verweerder meer pogingen tot contact had kúnnen ondernemen, onvoldoende voor de conclusie dat verweerder dat ook daadwerkelijk had moeten doen. Uithuisgeplaatste wijst op achterblijfster die de situatie zou willen verbeteren. In dit kader is echter doorslaggevend het antwoord op de vraag of uithuisgeplaatste zich is gaan inzetten voor verbetering. Als uithuisgeplaatste zich daar daadwerkelijk voor wilde inzetten, dan had hij kunnen en moeten ingaan op het terugbelverzoek. Zoals gezegd is voor hulpverlening onvoldoende dat iemand verklaart daarvoor open te staan. Het accepteren van een hulpaanbod vraagt om een actieve houding, die uithuisgeplaatste tot nu toe nog niet heeft laten zien.