2.6.
In artikel 7:236a BW is bepaald dat onder een ligplaats wordt verstaan een plaats in het water bestemd voor het afmeren van een voor bewoning bestemd drijvend object.
Volgens de wetsgeschiedenis zijn de feitelijke omstandigheden samen met de bedoeling van de eigenaar/verhuurder hierbij doorslaggevend.
In de ligplaatsovereenkomst is alleen vermeld dat [eiser] een ligplaats voor het schip huurt in de Rederijhaven. In de overeenkomst is geen specifiek aangeduide ligplaats genoemd.
De reden hiervan is dat [gedaagde] schepen wil kunnen verplaatsen, enerzijds om het historische beeld in de havens te behouden en anderzijds omdat wijziging van de ligplaats soms noodzakelijk is. Indien vaste ligplaatsen worden toegewezen, is dit niet meer mogelijk en kan er nooit meer wat veranderen in de havens. Daarom is in de algemene voorwaarden bepaald in welke gevallen de ligger zijn of haar schip moet verplaatsen.
[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat het in de praktijk met enige regelmaat voorkomt dat schepen verplaatst moeten worden, bijvoorbeeld omdat ruimte gemaakt moet worden voor een nieuw historisch schip. Ook de ligplaats van [eiser] is in het voorjaar van 2016 (en dus gedurende de ligplaatsovereenkomst) gewijzigd. Bij aanvang van de overeenkomst lag het schip langszij de Scheepmakerskade in de Rederijhaven. Op aanwijzing van [gedaagde] is de indeling van deze haven veranderd en liggen de schepen, waaronder het schip van [eiser] , nu schuin ten opzichte van de kade.
Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat [eiser] geen vaste (geografisch afgebakende) ligplaats huurt, zodat niet is voldaan aan dit criterium van artikel 7:236a BW. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of de primaire (contractuele) bestemming van de ligplaats bewoning is.