Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:7406

Op 20 March 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11566410 CV EXPL 25-4547, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:7406. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
11566410 CV EXPL 25-4547
Datum uitspraak:
20 March 2026
Datum publicatie:
25 June 2026

Indicatie

Ligplaatsovereenkomst m.b.t. een historisch schip. Geen sprake van een vaste ligplaats, zodat niet is voldaan aan artikel 7:236a BW.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11566410 CV EXPL 25-4547

datum uitspraak: 20 maart 2026 (bij vervroeging)

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. M.L. van der Elst,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigden: mr. P.J. Velthuizen en mr. S. Buter.

De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1
De procedure
1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 8 februari 2025, met bijlagen 1 tot en met 12;

het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 3;

de akte overlegging producties van [eiser] , met bijlagen 13 tot en met 19;

de akte overlegging productie van [gedaagde] , met bijlage 4;

de akte eiswijziging van [eiser] .

1.2.

Op 26 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [persoon A] , directeur, bijgestaan door mr. Velthuizen.

Overwegingen

2
De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiser] is eigenaar van een historisch schip. Het betreft een spits met de naam [naam schip] (hierna: het schip).

2.2.

[gedaagde] heeft (onder andere) ten doel het vanuit cultuurhistorisch perspectief in stand houden en bevorderen van het gebruik van de historische havens in Rotterdam.

Op basis van een tussen de gemeente Rotterdam en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst onderverhuurt [gedaagde] tegen lage tarieven ligplaatsen bestemd voor (voornamelijk) historische schepen in een aantal binnenstadhavens in Rotterdam, waaronder de Rederijhaven.

2.3.

Tussen [gedaagde] en [eiser] is op 18 november 2014 een ligplaatsovereenkomst gesloten met betrekking tot een ligplaats voor het schip in de Rederijhaven. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing.

2.4.

[eiser] stelt dat hij een ligplaats in de zin van artikel 7:236a BW huurt en dat hij daarom recht heeft op de wettelijke huurbescherming voor woonruimte.

[eiser] eist in deze procedure (na wijziging van eis) dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten ligplaatsovereenkomst met betrekking tot de ligplaats aan de [naam locatie] in Rotterdam kwalificeert als huur van een ligplaats in de zin van artikel 7:236a BW en dat deze ligplaats moet worden aangemerkt als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW.

[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij voert aan dat geen sprake is van een ligplaats als bedoeld in artikel 7:236a BW, omdat het geen vaste ligplaats is en de primaire bestemming van de ligplaats niet bewoning is, maar het behoud van varend erfgoed.

2.5.

De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing gekomen is.

[eiser] huurt geen vaste ligplaats

2.6.

In artikel 7:236a BW is bepaald dat onder een ligplaats wordt verstaan een plaats in het water bestemd voor het afmeren van een voor bewoning bestemd drijvend object.

Volgens de wetsgeschiedenis zijn de feitelijke omstandigheden samen met de bedoeling van de eigenaar/verhuurder hierbij doorslaggevend.

In de ligplaatsovereenkomst is alleen vermeld dat [eiser] een ligplaats voor het schip huurt in de Rederijhaven. In de overeenkomst is geen specifiek aangeduide ligplaats genoemd.

De reden hiervan is dat [gedaagde] schepen wil kunnen verplaatsen, enerzijds om het historische beeld in de havens te behouden en anderzijds omdat wijziging van de ligplaats soms noodzakelijk is. Indien vaste ligplaatsen worden toegewezen, is dit niet meer mogelijk en kan er nooit meer wat veranderen in de havens. Daarom is in de algemene voorwaarden bepaald in welke gevallen de ligger zijn of haar schip moet verplaatsen.

[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat het in de praktijk met enige regelmaat voorkomt dat schepen verplaatst moeten worden, bijvoorbeeld omdat ruimte gemaakt moet worden voor een nieuw historisch schip. Ook de ligplaats van [eiser] is in het voorjaar van 2016 (en dus gedurende de ligplaatsovereenkomst) gewijzigd. Bij aanvang van de overeenkomst lag het schip langszij de Scheepmakerskade in de Rederijhaven. Op aanwijzing van [gedaagde] is de indeling van deze haven veranderd en liggen de schepen, waaronder het schip van [eiser] , nu schuin ten opzichte van de kade.

Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat [eiser] geen vaste (geografisch afgebakende) ligplaats huurt, zodat niet is voldaan aan dit criterium van artikel 7:236a BW. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of de primaire (contractuele) bestemming van de ligplaats bewoning is.

2.7.

De conclusie is dat geen sprake is van een ligplaats in de zin van artikel 7:236a BW en dus ook niet van woonruimte als bedoeld in artikel 7:233 BW, zodat de gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

2.8.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 720,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.9.

Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiser] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

Beslissing

3
De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 720,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.

764