Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:4674

Op 8 April 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/571767 / HA ZA 19-334, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:4674. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/571767 / HA ZA 19-334
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
21 April 2026
Advocaat:
mr. J.W de Groot;mr. R.G.J. de Haan

Indicatie

vonnis nav een incidentele vordering tot het verkrijgen van (aanvullende) persoonsgegevens van in Oekraïne woonachtige getuigen die in het kader van de voldoening aan een in de hoofdzaak gegeven bewijsopdracht gehoord moeten worden in een door de rechtbank Rotterdam ingestelde rogatoire commissie (artikel 843a Rv oud).

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/571767 / HA ZA 19-334

Vonnis in incident van 8 april 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

INTERNATIONAL TRANSIT S.A.L. (OFFSHORE),

gevestigd te Beiroet (Libanon),

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: ITO,

advocaat: mr. J.W. de Groot,

tegen

METINVEST B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: Metinvest,

advocaat: mr. R.G.J. de Haan.

Procesverloop

1
Het procesverloop in het incident
1.1.

Het verloop van de procedure in het incident blijkt uit:

de incidentele conclusie tot inzage, met producties 154-164;

de conclusie van antwoord in het incident, met productie 85;

de akte uitlating tevens akte overlegging aanvulling producties (165-168) van ITO;

de akte uitlating tevens akte overlegging aanvullende producties (86-89) van Metinvest;

(een beëdigde vertaling in het Engels van) het proces-verbaal van verhoor in rogatoire commissie van getuige [naam 3], gehouden op 10 november 2025 ten overstaan van de Shevchenkivskyi District Court of the city of Kyiv, Oekraine.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2
De kern van het geschil
2.1.

Voor de feiten en duiding van het geschil in de hoofdzaak verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 10 januari 2021 (hierna: het tussenvonnis). De verdere behandeling van de zaak en het (onder meer in dit incident) nader gevoerde debat tussen partijen brengen de rechtbank in dit vonnis in incident niet tot een wijziging of aanvulling daarvan. Hetzelfde geldt voor de in het tussenvonnis gebruikte (partij)namen en afkortingen.

2.2.

Tussen partijen is - in essentie - in geschil of Metinvest onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij en/of aan haar verbonden entiteiten ITO hebben benadeeld bij het verhaal van haar vordering op DMK en, in het verlengde daarvan, of Metinvest aansprakelijk is voor de schade die ITO dientengevolge lijdt omdat de (vaststaande) vordering van ITO op DMK (en IUD) ten bedrage van USD 46.829.907,78, zoals toegewezen in het Arbitrale Vonnis, onbetaald blijft.

2.3.

In het tussenvonnis is Metinvest in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat:

de overeenkomsten met betrekking tot de Cessie en de boete onder beslissende invloed van Metinvest zijn aangegaan, terwijl Metinvest daarbij opzettelijk ITO heeft geschaad bij het verhaal van haar vordering op DMK;

a. zonder het onder (1) omschreven handelen van Metinvest verhaal op DMK wél mogelijk was geweest; en

b. verhaal op de hoofdelijke schuldenaren IUD en AMK niet mogelijk is (geweest).

2.4.

Bij akte van 10 februari 2021 heeft ITO zich uitgelaten over de vraag of en op welke wijze zij bewijs wil leveren en daarbij aangegeven dat zij aan de bewijsopdracht wenst te voldoen door onder meer (de in Oekraïne woonachtige personen) [naam 1], [naam 2] en [naam 3] als getuigen te horen. In het licht daarvan heeft de rechtbank, de standpunten van partijen gehoord hebbende, een verzoek gedaan aan de Oekraïense autoriteiten om deze getuigen middels een rogatoire commissie in Oekraïne te horen.

2.5.

Op 5 februari 2025 hebben de Oekraïense autoriteiten aangegeven dat het voor hen onmogelijk is het verzoek om een rogatoire commissie uit te voeren als zij geen aanvullende gegevens van de getuigen ontvangen. In dat kader hebben de Oekraïense autoriteiten verzocht nadere gegevens omtrent de getuigen te verstrekken, zodat zij de getuigen kunnen lokaliseren en identificeren.

2.6.

ITO wil met deze incidentele vordering van Metinvest de door de Oekraïense autoriteiten noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen verkrijgen. Metinvest voert gemotiveerd verweer. Zij betwist onder meer de noodzaak van het verstrekken van de aanvullende gegevens van de getuigen, daartoe stellende dat ITO reeds over voldoende informatie beschikt om de getuigen te kunnen (doen) oproepen. Daarnaast stelt zij dat ITO geen rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van de aanvullende gegevens van de getuigen, dat gewichtige redenen zich verzetten tegen het verstrekken van die gegevens en dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verstrekking van de aanvullende gegevens van de getuigen is gewaarborgd.

2.7.

De rechtbank wijst de vordering van ITO (gedeeltelijk) toe. Hieronder licht de rechtbank dat toe.

3
De vordering en het verweer in dit incident
3.1.

ITO vordert, zakelijk en samengevat weergegeven, Metinvest te veroordelen, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, om binnen twee werkdagen na betekening van het in dit incident te wijzen vonnis afschrift te verstrekken aan ITO, althans aan de rechtbank Rotterdam, van de door de Oekraïense autoriteiten noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en met veroordeling van Metinvest in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

ITO grondt haar vordering op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geldend tot 1 januari 2025, althans artikel 22 Rv. Ter onderbouwing van haar vordering heeft ITO - in essentie - het volgende gesteld. De Oekraïense autoriteiten hebben in het kader van de uitvoering van de door de rechtbank Rotterdam gelaste rogatoire commissie verzocht (1) de volledige namen, (2) de geboortedata en -plaatsen, (3) meest recente adressen in Oekraïne en (4) paspoortnummers van de getuigen te verstrekken, zodat zij de getuigen kunnen lokaliseren en identificeren. Metinvest heeft zich niet bereid getoond op vrijwillige basis mee te werken aan de oproeping van de getuigen. Het is voor ITO niet mogelijk de door de Oekraïense autoriteiten verzochte aanvullende gegevens van de getuigen te achterhalen zonder medewerking van Metinvest. Medewerking van Metinvest is daarom noodzakelijk om de getuigen te kunnen (doen) horen. ITO is niet in staat de aanvullende gegevens van de getuigen via de officiële Oekraïense registers te verkrijgen. Verkrijging van die gegevens is ook niet op een andere wijze mogelijk gelet op (1) het in Oekraïne geldende strafrechtelijke verbod daarop en (2) het feit dat resultaten uit publiektoegankelijke internetbronnen niet verifieerbaar - en dus onbetrouwbaar - zijn. ITO heeft een rechtmatig belang bij verstrekking van de aanvullende gegevens van de getuigen. ITO vordert verstrekking van die gegevens met als doel de getuigen te kunnen (doen) oproepen en (doen) horen in het kader van de in het tussenvonnis aan haar gegeven bewijsopdracht en de door de rechtbank Rotterdam aan de Oekraïense autoriteiten verzochte rogatoire commissie. Daarmee is verstrekking van die gegevens relevant voor de onderbouwing van ITO’s vorderingen in de hoofdzaak en, in het verlengde daarvan, noodzakelijk om het fundamentele belang van de waarheidsvinding te dienen. De door de Oekraïense autoriteiten verzochte en noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen zijn concreet aangeduid en daarmee voldoende bepaald. Het gaat bovendien om gegevens die beperkt zijn in omvang. Daarnaast zijn de aanvullende gegevens van de getuigen relevant voor een rechtsbetrekking waarbij ITO partij is, namelijk de (gestelde) rechtsbetrekking uit onrechtmatig handelen door Metinvest jegens ITO, zoals weergegeven in het tussenvonnis. Voorts is Metinvest degene die over de aanvullende gegevens van de getuigen beschikt, althans kan beschikken door de gegevens bij aan haar gelieerde rechtspersonen op te vragen en zijn de weigeringsgronden van artikel 843a lid 4 Rv (oud) niet van toepassing. Er is geen sprake van gewichtige redenen waarop Metinvest zich kan beroepen en medewerking van Metinvest is noodzakelijk voor een behoorlijke rechtsbedeling, nu ITO de door de Oekraïense autoriteiten verzochte en noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen niet kan verkrijgen zonder medewerking van Metinvest. Tot slot betoogt ITO dat de Algemene Verordening Gegevensverstrekking (AVG) noch de Oekraïense privacywetgeving (Data Protection Law) aan toewijzing van de vordering in de weg staan.

3.3.

Metinvest voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van ITO in haar vordering, althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van ITO in de kosten van dit incident, vermeerderd met rente.

3.4.

Ter onderbouwing van dit verweer heeft Metinvest - in essentie - het volgende aangevoerd. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat ITO al beschikt over de volledige namen en geboortedata van de getuigen, wat voldoende is voor de uitvoering van de rogatoire commissie. Uit het verzoek van de Oekraiense autoriteiten blijkt het tegendeel niet. Het verstrekken van aanvullende gegevens van de getuigen, zoals gevorderd, is dan ook niet noodzakelijk. Voorts heeft ITO geen rechtmatig belang bij verstrekking van de aanvullende gegevens van de getuigen. Daarnaast beschikt Metinvest niet over de aanvullende gegevens van de getuigen en kan zij daarover ook niet beschikken, zijn er gewichtige redenen die zich verzetten tegen verstrekking daarvan - in het bijzonder de AVG en de Oekraïense privacywetgeving (Data Protection Law) - en is een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verstrekking van de aanvullende gegevens van de getuigen gewaarborgd.

3.5.

Hierna wordt, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling in het incident

Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht

4.1.

Het geschil heeft een internationaal karakter omdat ITO in Beiroet (Libanon) is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij bevoegd is kennis te nemen van de incidentele vordering en welk recht daarop van toepassing is.

4.2.

De Nederlandse rechter is bevoegd op de incidentele vordering te beslissen omdat Metinvest is gevestigd in Rotterdam (artikel 4 Brussel I-bis). Deze rechtbank is bevoegd omdat die plaats in haar werkgebied ligt (artikel 262 Rv).

4.3.

Op deze incidentele vordering is Nederlands recht van toepassing, omdat het verzoek op grond van artikel 843a Rv (zoals geldend tot 1 januari 2025) van procesrechtelijke aard is en op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is (artikel 10:3 BW).

4.4.

De internationale bevoegdheid van de rechtbank en de toepasselijkheid van Nederlands recht staan tussen partijen overigens ook niet ter discussie.

Rogatoire commissie

4.5.

Bij het tussenvonnis is aan ITO een bewijsopdracht verstrekt. Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft ITO aangegeven onder andere drie in Oekraïne woonachtige getuigen ([naam 1], [naam 2] en [naam 3]) te willen horen en verzocht deze getuigen bij wege van rogatoire commissie in Oekraïne te doen horen. De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 176 Rv en het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken van 18 maart 1970, Trb. 1979, 38 (hierna: Haags Bewijsverdrag), dat tussen Nederland enerzijds en Oekraïne anderzijds van toepassing is, een rogatoire commissie ingesteld en de bevoegde autoriteiten in Oekraïne verzocht de betreffende getuigen te (doen) horen in verband met de aan ITO in het tussenvonnis verstrekte bewijsopdracht.

4.6.

Om uitvoering te geven aan het verzoek van de rechtbank berichtten de Oekraïense autoriteiten op 5 februari 2025 (productie 154 ITO) dat zij aanvullende informatie nodig hadden om de juiste personen voor de getuigenverhoren te lokaliseren en identificeren:

“RE: Convention of 18 March 1970 on Taking of Evidence Abroad in Civil or Commercial Matters.

Your ref.no. 571767 HA ZA 19-334

The Ministry of Justice of Ukraine received your requests of questioning of [naam 3], [naam 1] and [naam 2] under the above-mentioned Convention. Please, be informed that it is impossible to execute these requests due to the lack of additional contact details of the addressees necessary to locate and identify a person (father's names, date and place of birth, last known address in Ukraine, if available, or a passport number).”

4.7.

Naar aanleiding van het bericht van de Oekraïense autoriteiten van 5 februari 2025 heeft Metinvest op 27 februari 2025 laten weten dat zij [naam 3], met wie zij een arbeidsrelatie heeft, om toestemming heeft gevraagd om zijn adresgegevens met de rechtbank te delen teneinde de rechtbank in staat te stellen deze gegevens met de Oekraïense autoriteiten te delen en dat [naam 3] deze toestemming heeft gegeven. Met betrekking tot [naam 1] en [naam 2] heeft Metinvest opgemerkt dat zij geen arbeidsrelatie met Metinvest hebben en dat Metinvest dus niet over hun (persoons)gegevens beschikt (productie 155 ITO).

4.8.

In reactie daarop heeft de rechtbank op 28 februari 2025 uitgesproken dat zij van Metinvest "in het kader van constructief meewerken aan oproeping" verwacht dat zij aan de getuigen [naam 1] en [naam 2] toestemming verzoekt om hun volledige namen, geboortedata/plaatsen en laatst bekende adressen door te geven, voor zover dat binnen haar macht ligt en toegestaan is door de geldende wet- en regelgeving (productie 156 ITO). De door Metinvest verstrekte adresgegevens van [naam 3] zijn door de rechtbank aan de Oekraïense autoriteiten doorgegeven.

4.9.

Vervolgens heeft Metinvest bij brief van 5 maart 2025, met een beroep op de relevante privacywetgeving, in het bijzonder de AVG, laten weten dat zij geen toestemming zal vragen aan de getuigen [naam 1] en [naam 2] (productie 157 ITO):

“Op 28 februari jl. berichtte Uw Rechtbank MIBV dat zij verwacht, (…) dat MIBV aan de getuigen [naam 1] en [naam 2] toestemming verzoekt om bepaalde persoonsgegevens door te geven. Zoals eerder aangegeven, hebben deze personen geen arbeidsrelatie met MIBV. Om uitvoering te geven aan de verwachting van de rechtbank komt het er in feite op neer dat MIBV de relevante groepsmaatschappij waar de getuigen werkzaam zijn verzoekt om toestemming van de getuigen [naam 1] en [naam 2] te verzoeken om (i) bepaalde

persoonsgegevens van de betreffende Oekraïense groepsmaatschappij te verstrekken aan MIBV, (ii) waarop MIBV deze gegevens doorgeeft aan de rechtbank Rotterdam, (iii) die op haar beurt de gegevens zal doorgeven aan het Oekraïense Ministerie van Justitie. MIBV heeft de situatie nogmaals zorgvuldig beoordeeld naar zowel Nederlands als Oekraïens recht en bericht Uw Rechtbank eerbiedig als volgt.

Voor doorzending van persoonsgegevens is onder de relevante privacywetgeving, in het bijzonder de Algemene Verordening Gegevensbescherming, een grondslag nodig. Een grondslag kan zijn toestemming of een wettelijke grondslag. Echter, bij een hiërarchische verhouding zoals tussen werkgever en werknemer kan er niet van uit worden gegaan dat toestemming volledig vrijelijk is gegeven, en kan dit dus doorgaans niet als grondslag voor gegevensverwerking (waaronder internationale doorzending van persoonsgegevens) worden

gebruikt. Een wettelijke grondslag ontbreekt op dit moment ook. De door Uw Rechtbank uitgesproken verwachting dat MIBV constructief meewerkt, en hoezeer MIBV dat ook wenst te doen (en dat ook doet voor zover zij daar ruimte toe heeft getuige het feit dat MIBV de adresgegevens van [naam 3] heeft gedeeld met de rechtbank), doet daaraan niet af.”

4.10.

In de brief van de Oekraïense autoriteiten van 24 april 2025 (productie 166 ITO) hebben de Oekraïense autoriteiten laten weten dat zij het verzoek om een rogatoire commissie retour zenden wegens het ontbreken van de noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen:

"Your ref.num. 571767 HA ZA 19-334

RE: Convention of 18 March 1970 on Taking of Evidence Abroad in Civil or Commercial Matters.

The Ministry of Justice of Ukraine returns the requests of questioning of [naam 3], [naam 1] and [naam 2] under the above-mentioned Convention due to the lack of additional contact details of the addressees necessary to locate and identify a person (father's names, date and place of birth, last known address in Ukraine, if available, or a passport number)."

4.11.

Vervolgens berichtten de Oekraïense autoriteiten (bij brief, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 28 januari 2026) dat zij voor wat betreft [naam 3] uitvoering hebben gegeven aan het verzoek van de rechtbank.

Belang bij de vordering

4.12.

Nu [naam 3] lopende de procedure in het incident op 10 november 2025 ten overstaan van de Shevchenkivskyi District Court of the city of Kyiv, Oekraine, in rogatoire commissie als getuige is gehoord, oordeelt de rechtbank dat ITO daardoor geen belang meer heeft bij haar vordering voor zover die ziet op het verkrijgen van de door de Oekraïense autoriteiten (kennelijk aanvankelijk) noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van [naam 3]. Daarom verklaart de rechtbank ITO voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk in haar vordering.

Toepasselijkheid artikel 843a Rv (geldend tot 1 januari 2025)

4.13.

Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv op 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht bij die wet blijft dit artikel van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart, totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure is gestart vóór 1 januari 2025 (de dagvaarding dateert van 26 maart 2019). Dat betekent dat de rechtbank de incidentele vordering tot het verkrijgen van aanvullende gegevens van de getuigen moet beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv (geldend tot 1 januari 2025).

Toetsingskader artikel 843a Rv (geldend tot 1 januari 2025)

4.14.

De vraag die voorligt is of ITO op grond van artikel 843a Rv (oud) recht heeft op inzage en afschrift van de door de Oekraïense autoriteiten noodzakelijk geachte aanvullende gegevens van de getuigen. Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat artikel 843a Rv (oud) niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage en afschrift van stukken/gegevens jegens degene die deze tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage en afschrift van bepaalde stukken/gegevens afhankelijk stelt van enkele cumulatieve vereisten (zie hierna onder 4.22 e.v.).

4.15.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv (oud) kan een partij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde stukken/gegevens aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze stukken/gegevens te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

4.16.

Artikel 843a lid 4 Rv (oud) bepaalt dat geen gehoudenheid tot overlegging van de stukken/gegevens bestaat indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde stukken/gegevens is gewaarborgd.

Welke gegevens zijn noodzakelijk om uitvoering te kunnen geven aan de rogatoire commissie?

4.17.

Om uitvoering te kunnen geven aan de rogatoire commissie hebben de Oekraïense autoriteiten verzocht (1) de volledige namen, (2) geboortedata en -plaatsen, (3) meest recente adressen in Oekraïne, indien beschikbaar, of paspoortnummers van de getuigen te verstrekken (zie hiervoor onder r.o. 4.6).

4.18.

Metinvest heeft betoogd dat niet alle in het onder r.o. 4.6 weergegeven citaat genoemde gegevens benodigd zijn voor de uitvoering van de rogatoire commissie en dat volstaan kan worden met één van de door de Oekraïense autoriteiten opgevraagde gegevens. Ter onderbouwing daarvan verwijst zij naar het voegwoord “of” in de opsomming en naar de omstandigheid dat de door haar verstrekte adresgegevens van [naam 3] voldoende waren voor de Oekraïense autoriteiten om ten aanzien van deze getuige de rogatoire commissie uit te voeren.

4.19.

Een redelijke uitleg van het bericht van de Oekraïense autoriteiten houdt in, dat zij voor de uitvoering van de rogatoire commissie in elk geval de volledige namen, geboortedata en geboorteplaatsen nodig hebben en aanvullend ofwel paspoortnummers ofwel recente adressen van de getuigen. Daarvan gaat de rechtbank dan ook uit.

4.20.

ITO heeft in haar incidentele conclusie tot inzage geboortedata en namen verstrekt die op Oekraïense overheidswebsites aan de zoektermen ‘[naam 2]’ en ‘[naam 1]’ worden gekoppeld. Nog daargelaten dat gelet op de beperkte context van de Automated System of Enforcement Proceedings website de door ITO gevonden gegevens niet verifieerbaar en dus mogelijk onbetrouwbaar zijn, zijn deze gegevens, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, op zichzelf blijkbaar niet voldoende voor het gerecht om de getuigen te kunnen oproepen en identificeren (in Oekraïne).

4.21.

Dat de door Metinvest aan de Oekraïense autoriteiten verstrekte adresgegevens van [naam 3] voldoende waren voor de Oekraïense autoriteiten om de rogatoire commissie ten aanzien van deze getuige uit te voeren, doet aan het voorgaande niet af. Immers, voldoende aannemelijk is geworden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de getuigen [naam 2] en [naam 1], anders dan de getuige [naam 3], niet vrijwillig bereid zijn mee te werken aan een verhoor.

Persoonsgegevens

4.22.

Bij de beoordeling is verder van belang dat ITO verstrekking vordert van persoonsgegevens in de zin van de AVG en de Oekraïense privacywetgeving (Ukraine Data Protection Law). Volledige namen, geboortedata en -plaatsen, meest recente adressen en/of paspoortnummers betreffen immers informatie aan de hand waarvan een natuurlijk persoon direct of indirect kan worden geïdentificeerd.

Toepassing artikel 843a Rv (oud)

4.23.

Op basis van artikel 843a lid 1 Rv (oud) is een vordering tot inzage en afgifte van stukken/gegevens toewijsbaar wanneer aan de volgende (cumulatieve) voorwaarden is voldaan: (1) er moet sprake zijn van een rechtmatig belang, (2) de vordering heeft betrekking op bepaalde bescheiden, (3) er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking en (4) en degene van wie de bescheiden worden gevorderd, moet deze tot zijn beschikking of onder zijn berusting hebben. Hieronder wordt per categorie beoordeeld of aan deze vereisten is voldaan.

Rechtmatig belang

4.24.

Een rechtmatig belang is aanwezig indien een materieelrechtelijke aanspraak op de gevraagde stukken/gegevens bestaat, dan wel sprake is van een bewijsbelang. Van dat laatste is sprake indien de gevraagde stukken/gegevens dienen tot bewijs van feiten en/of rechten waarvan een partij, mede gelet op het processuele debat tussen partijen, de bewijslast draagt.

4.25.

Met het stellen van deze voorwaarde (in combinatie met de voorwaarde ‘bepaalde bescheiden’) van de exhibitieplicht wordt beoogd om zogenaamde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Het begrip ‘rechtmatig belang’ moet dan ook niet beperkter worden uitgelegd dan noodzakelijk is voor het bereiken van dit doel.

4.26.

In het licht van het doel van deze voorwaarde is de rechtbank van oordeel dat een rechtmatig belang aanwezig moet worden geacht, indien ITO zonder de aanvullende gegevens van de getuigen niet in staat is om het bewijs te leveren zoals in het tussenvonnis aan haar opgedragen. Dat is hier het geval. De Oekraïense autoriteiten hebben immers zelf uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de aanvullende gegevens noodzakelijk zijn om uitvoering te kunnen geven aan de rogatoire commissie.

4.27.

Daarnaast kan de verklaring van een getuige een bijdrage leveren aan de waarheidsvinding in een civiele procedure. Niet gesteld of gebleken is dat in de gegeven omstandigheden de aanvullende gegevens van de getuigen ook redelijkerwijs langs een andere weg kunnen worden verkregen. Volgens ITO kan zij de door de Oekraïense autoriteiten noodzakelijk geachte aanvullende gegevens niet (allemaal) van anderen of op andere (betrouwbare) wijze verkrijgen. Dat dit niet mogelijk is, is door Metinvest onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan het eerste vereiste is dus voldaan.

Bepaalde bescheiden

4.28.

Dat geldt ook voor het tweede vereiste. Dit vereiste brengt mee dat een vordering tot inzage en afschrift dermate concreet dient te zijn dat goed vastgesteld kan worden welke stukken/gegevens bedoeld worden. Metinvest heeft op dit punt geen verweer gevoerd en duidelijk is dat de vordering betrekking heeft op de registratie van de volledige namen, geboortedata en -plaatsen, meest recente adressen in Oekraïne, indien beschikbaar, of paspoortnummers van de getuigen. Deze gegevens zijn concreet aangeduid en daarmee voldoende bepaald. Bovendien gaat het om gegevens die beperkt zijn in omvang en niet verder strekken dan noodzakelijk voor het kunnen lokaliseren, identificeren en oproepen van de getuigen in het kader van de uitvoering van de door de rechtbank verzochte rogatoire commissie. Van een “fishing expedition’ is dan ook geen sprake.

Aangaande een rechtsbetrekking

4.29.

Zoals ITO terecht stelt, moet een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad als een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv (oud) worden beschouwd. De gevraagde gegevens zijn bovendien relevant voor de onderbouwing van haar stellingen door middel van getuigenbewijs. Daarmee gaan de gevorderde gegevens de rechtsbetrekking tussen ITO en Metinvest, en dus een rechtsbetrekking waarbij ITO partij is, aan. Het enkele feit dat de getuigen waarvan de aanvullende gegevens worden gevorderd geen partij zijn in deze procedure doet aan het voorgaande niet af. Aan het derde vereiste is dus ook voldaan.

Tot zijn beschikking of onder zijn berusting

4.30.

Artikel 843a lid 1 Rv (oud) bepaalt dat inzage kan worden gevorderd van bepaalde stukken/gegevens van degene die deze stukken/gegevens tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. De woorden “tot zijn beschikking” moeten ruim worden opgevat. Zij doelen niet alleen op het fysiek onder zich hebben van de stukken/gegevens, maar ook op het ter beschikking kunnen krijgen van de stukken/gegevens door ze bij een derde op te vragen. Nodig is dan wel dat de aangesprokene in een zodanige verhouding staat tot de derde, dat hij jegens die derde aanspraak op afgifte kan maken.

4.31.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de getuigen hoge functies bekleden binnen de Metinvest Groep. [naam 1] is momenteel werkzaam als Head of Chief Executive Officer’s Office bij de Metinvest Groep en [naam 2] is momenteel werkzaam als General Director of EMZ bij Metinvest Holding LLC. (waarvan [naam 3] bestuurder is).

4.32.

Gelet op het feit dat Metinvest aan het hoofd staat van en aldus controle uitoefent over de Metinvest Groep, waar Metinvest Holding LLC ook onderdeel van uitmaakt, en de getuigen belangrijke functies hebben binnen de Metinvest Groep, ligt het voor de hand dat Metinvest beschikt of kan beschikken over een stuk of meerdere stukken waarin alle aanvullende gegevens, althans voldoende aanvullende gegevens van de getuigen zijn opgenomen. Het feit dat [naam 1] en [naam 2] geen directe arbeidsrelatie met Metinvest hebben doet daar niet aan af. Indien Metinvest niet beschikt over de aanvullende gegevens van de getuigen kan van haar worden verlangd deze bescheiden bij een derde op te vragen. Dit geldt te meer als deze derde, zoals in dit geval, een rechtspersoon is waarover zij controle uitoefent.

4.33.

Met de in het tussenvonnis en hiervoor weergegeven verbanden tussen Metinvest en Metinvest Holding LLC en de posities van de getuigen binnen de Metinvest Groep is voldoende aannemelijk geworden dat Metinvest, indien zij niet zelf over de aanvullende gegevens van de getuigen beschikt, jegens gelieerde rechtspersonen binnen de Metinvest Groep, althans Metinvest Holding LLC aanspraak kan maken op afgifte van de aanvullende gegevens van de getuigen. Metinvest heeft niet, althans onvoldoende weersproken dat de Metinvest Groep, althans Metinvest Holding LLC, over de aanvullende gegevens van de getuigen beschikt.

4.34.

Gelet op het voorgaande mag, met het oog op de proceseconomie en het belang van de aanvullende gegevens van de getuigen voor de waarheidsvinding, van Metinvest worden verlangd dat zij, indien zij niet zelf over de aanvullende gegevens van de getuigen beschikt, deze gegevens bij genoemde, aan haar gelieerde rechtspersonen opvraagt. De theoretische mogelijkheid dat de aanvullende gegevens van de getuigen niet (meer) actueel zijn staat er niet aan in de weg dat ook aan het vierde vereiste is voldaan.

Tussenconclusie

4.35.

Het voorgaande betekent dat is voldaan aan alle vereisten die artikel 843a lid 1 Rv (oud) stelt en Metinvest de aanvullende gegevens van de getuigen in beginsel aan ITO moet verstrekken, tenzij er sprake is van een uitzondering als genoemd in lid 4 van voornoemd artikel.

Gewichtige redenen

4.36.

Bij de beoordeling van de vraag of er gewichtige redenen aanwezig zijn, gaat het (onder meer) om de vraag of het zwaarwegende maatschappelijke belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het belang van vertrouwelijkheid. Volgens de wetgever wordt met gewichtige redenen met name gedoeld op vertrouwelijke c.q. bijzondere (persoons)gegevens, zoals die met betrekking tot politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging, seksuele geaardheid, medische status/gezondheid of de financiële positie van personen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De aanvullende gegevens van de getuigen waarvan ITO verstrekking vordert bestaan uit identificerende gegevens en kwalificeren niet als vertrouwelijke/bijzondere (persoons)gegevens als bedoeld door de wetgever. Het enkele feit dat de aanvullende gegevens van de getuigen persoonsgegevens betreffen is dus onvoldoende om aanwezigheid van gewichtige redenen aan te nemen.

4.37.

Naar het oordeel van de rechtbank staat, anders dan Metinvest stelt, niets aan toewijzing van de vordering tot verstrekking van de aanvullende gegevens van de getuigen in de weg. ITO heeft, zoals in r.o. 4.24 e.v. is geoordeeld, een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv (oud) bij het verkrijgen van de aanvullende gegevens van de getuigen. De verwerking van die gegevens, die kwalificeren als persoonsgegevens, is om die reden in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk (en gerechtvaardigd) voor ITO voor de uitoefening en/of onderbouwing van haar rechtsvordering (namelijk het bewijs van haar stellingen door middel van getuigen) en het kunnen uitvoeren van de rogatoire commissie. Daarnaast ligt het recht op bewijslevering ook besloten in het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

4.38.

Tegen deze achtergrond weegt het belang van Metinvest om geen vertrouwelijke persoonsgegevens aan derden te verstrekken (en geen inbreuk te maken op de privacy van de personen waarvan de gegevens worden gevorderd) in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het zwaarwegende belang van ITO bij het verkrijgen van de aanvullende gegevens van de getuigen voor de waarheidsvinding in het kader van de uitoefening van haar rechtsvordering. Daarbij speelt een rol dat de Oekraïense autoriteiten de aanvullende gegevens van de getuigen noodzakelijk achten voor het kunnen uitvoeren van de rogatoire commissie.

4.39.

Uit de beschikbare gegevens omtrent de Oekraïense privacywetgeving (Data Protection Law) blijkt niet van een andere afweging dan in de AVG. Uit de omstandigheid dat de Oekraïense rechter om deze gegevens vraagt, leidt de rechtbank af dat het verstrekken van die gegevens in beginsel naar Oekraïens recht toelaatbaar is. Aangenomen moet verder worden dat het voldoen aan het bevel van de Nederlandse rechter in het kader van het Verdrag dat de basis is van de rogatoire commissie voor zover nodig als rechtvaardiging zal gelden.

4.40.

Dat openbaarmaking van persoonlijke informatie van de getuigen een bedreiging zou kunnen vormen voor het leven en de gezondheid van de getuigen omdat zij betrokken zijn bij de organisatie van de verdediging van Oekraïne of omdat zij anderszins (indirect) de Oekraïense strijdkrachten ondersteunen doet daaraan, wat daarvan overigens ook zij, niet af.

Immers, indien en voor zover de aanvullende gegevens van de getuigen niet openbaar gemaakt moeten worden en dus niet aan ITO verstrekt moeten worden omdat deze, gelet op de huidige oorlogssituatie, geheim moeten blijven, kan dit worden opgelost door, zoals subsidiair door ITO gevorderd, alleen de rechtbank inzage in de gegevens te verstrekken. Met het oog op een behoorlijke rechtsbedeling kan op deze manier een volledige waarheidsvinding gewaarborgd blijven.

4.41.

De conclusie is dat er geen sprake is van gewichtige redenen die zich er tegen verzetten dat Metinvest gehouden is de aanvullende gegevens van de getuigen te verstrekken.

Behoorlijke rechtsbedeling zonder inzage of afschrift

4.42.

Ten slotte heeft Metinvest gesteld dat een behoorlijk rechtsbedeling voor ITO ook zonder de hier aan de orde zijnde vordering gewaarborgd is. In dit verband voert zij – kort gezegd – aan dat ITO inmiddels over voldoende informatie beschikt om de getuigen op te kunnen roepen, althans dat het voldoende is voor de Oekraïense autoriteiten om de getuigen op te roepen op basis van de reeds voor ITO beschikbare informatie over de getuigen. Van ITO mag worden verwacht eerst deze (recent) door haar verzamelde gegevens te delen met de Oekraïense autoriteiten. In die zin is de onderhavige exhibitievordering prematuur, aldus Metinvest.

4.43.

De rechtbank overweegt dat de Oekraïense autoriteiten het voor het uitvoeren van de rogatoire commissie noodzakelijk achten om over de volgende identificerende gegevens van de getuigen te beschikken: (1) de volledige namen, (2) geboortedata en -plaatsen, (3) meest recente adressen in Oekraïne, indien beschikbaar, of paspoortnummers van de getuigen te verstrekken (zie hiervoor onder 4.6).

4.44.

In tegenstelling tot wat Metinvest stelt, is een behoorlijke rechtsbedeling met alleen de reeds voor ITO beschikbare informatie (te weten de namen en geboortedata van [naam 2] en [naam 1]), nog daargelaten of deze gegevens betrouwbaar zijn, naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gewaarborgd. In dit verband verwijst de rechtbank naar hetgeen zij reeds hiervoor heeft overwogen onder r.o. 4.20 bezien in combinatie met r.o. 4.21.

4.45.

Niet is gebleken van een geschikt alternatief om de aanvullende gegevens van de getuigen te verkrijgen. Ook is niet gesteld of gebleken dat het bewijs van de onderwerpelijke feiten redelijkerwijs ook langs andere (minder bezwarende/belastende) weg kan worden verkregen, zodat het verhoor van de getuigen uit een oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist. Hoewel [naam 3] is gehoord en de hem gestelde vragen heeft beantwoord waren die vragen niet gelijk aan de vragen die gesteld moeten worden aan de beide andere getuigen. Aldus zou ITO een onredelijk nadeel (en Metinvest een dito voordeel) genieten als de getuigenverklaringen niet als bewijsmiddel in de procedure beschikbaar komen.

4.46.

Voor zover Metinvest meent dat zij de aanvullende gegevens van de getuigen alleen mag verstrekken na een rechterlijke uitspraak, is aan die eis met dit vonnis in incident voldaan.

Conclusie

4.47.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vordering tot het verstrekken van de aanvullende gegevens als vermeld onder r.o. 4.17 van de getuigen [naam 1] en [naam 2] zal toewijzen op de wijze zoals in de beslissing is bepaald.

Nevenvorderingen

Termijnstelling

4.48.

De rechtbank ziet aanleiding om een langere termijn dan gevorderd te stellen om te voldoen aan de veroordeling. De rechtbank geeft Metinvest een termijn van vier weken (vanaf de datum van betekening van dit vonnis) om de aanvullende gegevens van de getuigen aan de rechtbank te verstrekken (zie hiervoor onder r.o. 4.40), zodat zij voldoende gelegenheid heeft om de gegevens bij de aan haar gelieerde rechtspersonen op te vragen als zij daarover zelf niet (meer) beschikt.

Dwangsom

4.49.

Gelet op de toezegging van Metinvest om aan de veroordeling te voldoen, ziet de rechtbank ervan af om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. ITO heeft haar belang bij een dwangsom op dit moment bovendien onvoldoende onderbouwd. Voldoet Metinvest toch niet aan de veroordeling, dan kan dat een rol spelen bij het uiteindelijke oordeel van de rechtbank over de vraag of ITO het bewijs heeft geleverd.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.50.

De rechtbank zal de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat wil zeggen dat de beslissing moet worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank vindt het onwenselijk als aanwending van een rechtsmiddel de tenuitvoerlegging van dit vonnis kan opschorten. ITO heeft, gelet op de reeds verstreken tijd, een zwaarwegend belang bij het op korte termijn (via de rechtbank) beschikbaar komen van de aanvullende gegevens van de getuigen en, in het verlengde daarvan, in rogatoire commissie afgelegde verklaringen van de getuigen.

Proceskosten

4.51.

Metinvest is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident betalen. De proceskosten (inclusief nakosten) van ITO worden begroot op:

salaris advocaat € 9.262,00 (2 punten x € 4.631,00)

nakosten € 189,00 (plus verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 9.451,00

4.52.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart ITO niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze ziet op [naam 3];

5.2.

veroordeelt Metinvest tot het binnen vier weken vanaf de datum van betekening van dit vonnis verstrekken aan de rechtbank van de aanvullende gegevens als vermeld onder r.o. 4.17 van de getuigen [naam 1] en [naam 2];

5.3.

veroordeelt Metinvest in de proceskosten van € 9.451,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Metinvest niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

5.4.

veroordeelt Metinvest in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. Th. Veling en mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

801/106/1980/3669