Rechtbank Rotterdam, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:3997

Op 8 April 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/716751, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:3997. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/716751
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
8 April 2026
Advocaat:
mr. M.S. Houweling

Indicatie

Kort geding. Verstek. Ontruiming perceel met opstallen. Toewijzing.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/716751 / KG ZA 26-269

Vonnis in kort geding van 8 april 2026

in de zaak van

PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de Provincie ,

advocaat: mr. M.S. Houweling,

tegen

[gedaagde] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: gedaagden ,

niet verschenen.

1
De procedure
1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 24 maart 2026, met producties 1 tot en met 6;

de advertentie in een dagblad;

de mondelinge behandeling van 1 april 2026;

de pleitnota van de Provincie ;

het tijdens de mondelinge behandeling tegen gedaagden verleende verstek.

2
Het geschil
2.1.

De Provincie vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden te veroordelen om onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis (een gedeelte van) de onroerende zaak, kadastraal bekend Gemeente [naam gemeente] , sectie B nummer [perceelnummer] , althans het gedeelte van dit kadastrale perceel dat bestaat uit de groenstrook met de daarop aanwezige opstallen die dienstdeden als voormalige zoutopslaglocatie van de Provincie , bevindend aan de linkerzijde van de ‘Zestienhovenweg (N209)' in [naam gemeente] en grenzend aan de Schiebroekseweg, nabij de [adres] te (2661 AD) [naam gemeente] , met al het hunne en al de hunnen te verlaten en te ontruimen, en leeg en ontruimd in oorspronkelijke staat ter vrije beschikking te stellen van de Provincie , en de onroerende zaak na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,- per kalenderdag of dagdeel van een kalenderdag dat in strijd met dit vonnis wordt gehandeld;

te bepalen dat de door de Provincie in te schakelen deurwaarder gemachtigd is de ontruiming, zo nodig met behulp van de sterke arm (artikel 555 e.v. Rv i.v.m. artikel 411 Rv), ten uitvoer te leggen indien gedaagden in gebreke blijven aan het onder (i.) van het petitum gevorderde te voldoen;

te bepalen dat indien de ontruiming plaatsvindt met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van gedaagden zullen komen;

te bepalen dat deze veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van één jaar, althans een in goede justitie te bepalen termijn, ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in of op de onder (i.) van het petitum bedoelde (gedeelte van) onroerende zaak kadastraal bekend Gemeente [naam gemeente] , sectie B nummer [perceelnummer] bevindt en/of binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet;

gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW), waaronder de te maken ontruimingskosten op vertoon van de daartoe nodige, in dit vonnis te vermelden, bescheiden op de voet van artikel 3:299 lid 3 BW.

Overwegingen

3
De beoordeling
3.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Provincie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ontruiming van de onroerende zaak noodzakelijk is. De Provincie heeft in dat kader aangevoerd dat de Provincie het terrein in gebruik heeft gegeven aan een aannemer die (bouw)werkzaamheden verricht aan de N209. Deze aannemer heeft het terrein nodig voor de opslag van bouwmateriaal en -materieel gedurende deze werkzaamheden. De aannemer kan het terrein niet op om het materieel te stallen voor en/of na uitvoering van de werkzaamheden, omdat gedaagden het slot van het toegangshek hebben vervangen. Hierdoor lopen de werkzaamheden aan de N209 uit, met mogelijk (grote) financiële gevolgen voor de Provincie . Bovendien is aannemelijk dat er, na ontruiming van het terrein door gedaagden , geen sprake zal zijn van (langdurige) leegstand, omdat de Provincie heeft aangevoerd dat het terrein direct weer in gebruik wordt gegeven aan de aannemer.

Voorts is aannemelijk dat het terrein met de opstallen niet geschikt is voor bewoning; er is bijvoorbeeld geen keuken of badkamer. Het woonrecht van de krakers, die niet verschenen zijn, weegt in dit geval onvoldoende zwaar.

3.2.

De voorzieningenrechter acht het onverenigbaar met het (spoedeisend) belang van de Provincie om inlichtingen als bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv in te winnen.

3.3.

Gelet op het voorgaande komen de vorderingen van de Provincie de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden met inachtneming van het navolgende toegewezen.

3.4.

De Provincie heeft ter zitting verduidelijkt dat het om ontruiming van het gehele perceel, kadastraal bekend Gemeente [naam gemeente] , sectie B nummer [perceelnummer] , gaat. Deze ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt, in afwijking van de gevorderde termijn (te weten: onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis) gesteld op de wettelijke minimale beveltermijn voor een ontruiming van drie dagen (artikel 555 lid 1 Rv). De Provincie heeft niet gevraagd om die termijn op grond van artikel 502 lid 1 Rv te verkorten en ook niet uitgelegd waarom zij een kortere dan de wettelijke termijn vordert.

3.5.

De vordering om de veroordeling tot ontruiming te versterken met een dwangsom wordt afgewezen, omdat de Provincie niet aannemelijk heeft gemaakt dat die dwangsom noodzakelijk is. Als gedaagden de onroerende zaak niet vrijwillig verlaten, kan de Provincie immers een deurwaarder inschakelen om de onroerende zaak gedwongen te laten ontruimen.

3.6.

Vorderingen ii., iii. en v. (laatste zin) – de machtiging om de ontruiming met behulp van de sterke arm en op kosten van gedaagden te doen uitvoeren – worden afgewezen. De deurwaarder kan op grond van de wet zonder die machtiging met dit vonnis de ontruiming van het terrein met opstallen bewerkstelligen, en eventueel de sterke arm inschakelen, als gedaagden niet vrijwillig of op tijd tot ontruiming overgaan. Uit de wet volgt dat gedaagden in dat geval opdraaien voor de kosten van de gedwongen ontruiming. Er bestaat daarom geen aanleiding om voor die kosten een machtiging uit te spreken, nog afgezien van het feit dat op dit moment niet duidelijk is of er een gedwongen ontruiming gaat plaatsvinden en, als dat zo is, wat die dan kost.

3.7.

Gedaagden krijgen grotendeels ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Provincie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

151,94

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

760,00

(tarief verstekzaken)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.835,94

3.8.

De advertentiekosten die zijn gemaakt in verband met de betekening van het exploot aan gedaagden worden afgewezen, omdat de Provincie deze niet heeft gespecificeerd.

3.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.10.

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde het hele bedrag is verschuldigd. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

Beslissing

4
De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt gedaagden om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, de onroerende zaak, kadastraal bekend Gemeente [naam gemeente] , sectie B nummer [perceelnummer] , met al het hunne en al de hunnen te verlaten en te ontruimen, en leeg en ontruimd in oorspronkelijke staat ter vrije beschikking te stellen van de Provincie , en de onroerende zaak na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden,

4.2.

bepaalt dat deze veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in of op de onroerende zaak bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,

4.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.835,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.3608/106