Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:10866

Op 5 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is NL:TZ:2609156:R-RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:10866. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
NL:TZ:2609156:R-RK
Datum uitspraak:
5 June 2026
Datum publicatie:
31 August 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 284

Indicatie

Verzoek WSNP toegewezen. Toegelaten op basis van de hardheidsclausule in verband met CJIB-boetes. Er is een eerdere ingangsdatum bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Rekestnummer: [nummer]

vonnis van 5 juni 2026

op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te [adres],

[postcode] [plaatsnaam].

Waar deze zaak over gaat

[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.

Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de Wsnp per december 2025 in te laten gaan. Ook dit verzoek wordt toegewezen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1
De procedure
1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

1.2.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 19 en 20 mei 2026, aanvullende stukken ontvangen.

1.3.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- [verzoeker],

- mevrouw L. Middelburg-Christiaens, schuldhulpverlener van Geldplein.

Overwegingen

2
De beoordeling

Ontvankelijkheid

2.1.

Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.

2.2.

Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst niet wil meewerken aan een schuldregeling. De Belastingdienst stelt dat [verzoeker] te veel privé onttrekkingen uit zijn onderneming heeft gedaan en dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. [verzoeker] heeft hierover verklaard dat hij gebruik maakte van één bankrekening. Hierop deed hij zowel zijn zakelijke uitgaven als zijn privé uitgaven waardoor er moeilijk onderscheid viel te maken.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare tijd tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

De toelating

2.4.

[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

2.5.

De schuld aan het CJIB, die binnen de drie-jaarstermijn valt, is niet te goeder trouw ontstaan. De schuld aan het CJIB bestaat uit verkeersboetes uit 2023 en 2024. Deze boetes staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.

2.6.

In dit geval bestaat echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. Ter zitting heeft [verzoeker] hierover verklaard dat zijn bus was gestolen waardoor hij een nieuwe bus moest aanschaffen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de Apk-keuring van de bus twee jaar geldig was maar dat bleek niet het geval waardoor de verzekeraar de verzekering heeft beëindigd. [verzoeker] was hiervan niet op de hoogte en heeft daardoor een periode onverzekerd gereden. Hierdoor zijn er verschillende boetes ontstaan. Na de beëindiging van zijn onderneming heeft [verzoeker] de bus weggedaan. [verzoeker] wil graag van zijn schulden af. Hij staat sinds

22 augustus 2025 onder budgetbeheer. Ter zitting heeft hij blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoeker] zijn verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen

2.7.

[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

2.8.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.

Duur

2.9.

De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.

De ingangsdatum

2.10.

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

2.11.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

2.12.

[verzoeker] heeft in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject vanaf

1 december 2025 een bedrag van € 7.094,46 gespaard, waarmee is voldaan aan de in dat traject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb. Daarnaast is in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting voldaan. [verzoeker] heeft sinds 1 december 2024 een dienstbetrekking voor 36 uur per week.

2.13.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 1 december 2025, zijnde de dag waarop de eerste aflossing in de zin van artikel 349a lid 1 Fw is gedaan.

3
De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
3.1.

De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

3.2.

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

3.3.

De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

3.4.

De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.

3.5.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

3.6.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

3.7.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].

3.8.

Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum]-1986 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[postcode] [plaatsnaam];

voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsadres];

- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot

en tot bewindvoerder [naam],

gevestigd te [postadres]

;

- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 december 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op

1 juni 2027;

- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.