Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht
ECLI:NL:RBROT:2026:10936
Op 7 May 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is NL:TZ:2607615:R-RK en NL:TZ:2607625:R-RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:10936. De plaats van zitting was Rotterdam.
Verwijzingen:
Faillissementswet 287a
Indicatie
Dwangakkoord afgewezen. Naar oordeel van de rechtbank is niet het maximaal haalbare aangeboden.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 7 mei 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
[verzoeker 1]
en
[verzoeker 2],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekers.
Verzoekers hebben op 25 maart 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- ABN AMRO Bank N.V., met twee vorderingen, (hierna: ABN AMRO);
die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ABN AMRO heeft voorafgaand aan de zitting, op 21 april 2026, een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 29 april 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoekers;
mevrouw S. Ramlal, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
ABN AMRO is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift eenentwintig schuldeisers, waarvan twee preferente schuldeisers met twee vorderingen en negentien concurrente schuldeisers met eenendertig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 152.880,83 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van 29 juli 2025 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 0,74% aan de preferente schuldeisers en 0,37% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekers hebben op basis van hun dienstbetrekking. Verzoeker werkte ten tijde van het aanbod 30-36 uur per week en had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Verzoekster heeft een nulurencontract en werkt gemiddeld 16 uur per week. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker als gevolg van een ernstig verkeersongeval sinds juli 2025 ziek is. Verzoeker ontvangt een ZW-uitkering en is sinds december 2025 niet meer in dienst bij zijn werkgever. Hij staat op de wachtlijst voor een keuring om zijn arbeidsongeschiktheid te kunnen beoordelen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat gekozen is voor een schuldregeling die voorziet in uitkering van een prognose-percentage, omdat verzoekster niet fulltime werkt en in overleg was met haar werkgever om meer uren te gaan werken. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels door hun budgetbeheerder voldaan.
Twintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABN AMRO stemt hier niet mee in. Zij heeft twee vorderingen van in totaal € 52.714,06 op verzoekers, die 34,5% van de totale schuldenlast beloopt.
ABN AMRO stelt zich in haar verweerschrift op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat zij in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. ABN AMRO stelt daartoe dat zij een goede analyse mist over de mogelijkheden en perspectieven van de arbeidssituatie van verzoekster. In de contacten met schuldhulpverlening is van die zijde geen toelichting gegeven waarom verzoekster niet fulltime zou kunnen werken en meer zou kunnen verdienen, maar wel waarom er een hogere afloscapaciteit wordt verwacht. ABN AMRO stelt dat zij worden voorgehouden dat de afloscapaciteit zal verbeteren, zonder dat concreet is benoemd hoe dit zal worden gerealiseerd. ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat onvoldoende gedocumenteerd is dat er voldoende inspanningen zijn gedaan om een maximaal voorstel aan de schuldeisers te bieden.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft ABN AMRO geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Overwegingen
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN AMRO bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN AMRO in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van ABN AMRO een aandeel vormen van 34,5% in de totale schuldenlast. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat ABN AMRO in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Het aanbod betreft een prognose akkoord gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een dienstverband van 30-36 uur per week van verzoeker en een nulurencontract van verzoekster. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken en dat verzoeker niet binnen afzienbare tijd weer kan gaan werken. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat verzoekster met haar werkgever zou bespreken of het mogelijk is dat zij meer uren zou kunnen werken, maar niet is gebleken dat verzoekster meer uren is gaan werken dan wel heeft gesolliciteerd naar meer uren. Dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is, staat ook niet vast. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoeker onder medische behandeling staat, onder meer van een psycholoog, en dat verzoeker nog een oproep moet ontvangen van UWV voor een medische keuring. Onvoldoende duidelijk is of, en zo ja, binnen welke termijn, verzoeker kan gaan werken en afloscapaciteit kan genereren. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekers blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van ABN AMRO als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekers of de overige schuldeisers. Het verzoek om ABN AMRO te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Beslissing
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.