Rechtbank Rotterdam
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 28 januari 2026
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] een eerdere ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Overwegingen
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet de heer [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens de heer [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat het nog steeds onduidelijk is of alle schuldeisers bekend zijn, terwijl schuldhulpverlening al vanaf 9 april 2024 bezig is met het in kaart brengen van de schuldenlast. Omdat de hoogte van de schuldenlast niet zeker is, heeft schuldhulpverlening het minnelijk traject niet kunnen voortzetten.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. De heer [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
2.4.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] schulden heeft aan de Belastingdienst. Uit het overgelegde overzicht van de Belastingdienst is gebleken dat de totale schuld € 211.170,10 bedraagt. Een deel van deze schulden is ontstaan in 2022, 2023 en 2024 en vallen daarmee binnen de drie-jaarstermijn. Deze schulden vloeien onder andere voort uit de onderneming van de heer [verzoeker] . De schulden zijn ontstaan doordat de heer [verzoeker] zijn administratie niet op orde had en niet tijdig belastingaangiftes heeft gedaan. De heer [verzoeker] heeft niet gereserveerd voor de Belastingdienst waardoor er in 2022 en 2023 veel vorderingen onbetaald zijn gelaten. Deze schulden aan de Belastingdienst staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. De heer [verzoeker] heeft aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die tot het ontstaan van deze schulden hebben geleid inmiddels onder controle heeft. De onderneming van de heer [verzoeker] is op 31 december 2023 opgeheven. Daarnaast heeft de heer [verzoeker] verklaard dat inmiddels alle aangiftes zijn gedaan. De heer [verzoeker] wil graag van zijn schulden af, ook in het belang van zijn minderjarige kinderen. Hij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat de heer [verzoeker] zijn verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
2.7.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Daarbij betrekt de rechtbank dat de heer [verzoeker] eerst een arbeidsovereenkomst had voor 24 uur per week. Inmiddels heeft hij een arbeidsovereenkomst van 40 uur per week en werkt hij fulltime.
2.8.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
2.9.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
2.10.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.11.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.12.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan de afdrachtverplichting is voldaan. Daarnaast heeft de heer [verzoeker] grotendeels niet fulltime (36 uur per week) gewerkt en uit het dossier volgt niet dat hij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. De heer [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij voorheen een arbeidsovereenkomst had voor 24 uur per week. Recentelijk is hij een arbeidsovereenkomst aangegaan voor 40 uur per week. Er zijn door de heer [verzoeker] geen (aanvullende) sollicitatiebewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij in de periode waarin hij 24 uur per week werkzaam was op zoek is geweest naar een aanvullende dienstbetrekking.
2.13.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3
De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen tijdens de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
3.6.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
Beslissing
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;aldaar voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger
en tot bewindvoerder A. Noordzij,
gevestigd te Postbus 7441,
3284 ZG Zuid-Beijerland;
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 28 januari 2026 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 28 juli 2027;
draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026. (Voetnoot 1)