Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:4395

Op 25 March 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is NL:TZ:2605399:R-RK en NL:TZ:2605400:R-RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:4395. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
NL:TZ:2605399:R-RK en NL:TZ:2605400:R-RK
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
15 April 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 287b

Indicatie

Moratorium toegewezen. Zes maanden. De huurtermijn van maart 2026 is tijdig op 27 februari 2026 voldaan. Daarnaast zal beschermingsbewind worden aangevraagd, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1][nummer 2]

Uitspraak van 25 maart 2026

In de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

verzoekster.

1
De procedure

Verzoekster heeft op 4 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 4 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 maart 2026.

Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting op 13 maart 2026 een verweerschrift toegezonden. In het verweerschrift heeft verweerster te kennen gegeven dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.

Ter zitting van 18 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

verzoekster;

mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2
Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft inkomsten uit een WIA-uitkering van € 1.881,56 per maand. Daarnaast ontvangt verzoekster kostgeld van € 250,- per maand. De partner van verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid van € 2.369,17 per maand. De huur bedraagt € 831,39 per maand. De huurtermijn van maart 2026 is op 27 februari 2026 tijdig betaald. De partner van verzoekster zal zorgdragen dat de toekomstige huurtermijnen tijdig betaald zullen worden. Ook zal verzoekster beschermingsbewind aanvragen, waardoor de lopende huurtermijnen tijdig betaald zullen worden.

3
Het verweer

Verweerster heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat in de periode 26 juli 2025 tot en met 26 februari 2026 in zijn geheel geen huurbetalingen zijn verricht. Nergens blijkt uit waarom de lopende huurtermijnen zo lang in zijn geheel niet zijn voldaan. Verweerster is dan ook van mening dat onvoldoende aannemlijk is geworden dat de lopende huurtermijnen gedurende de voorlopige voorziening zullen worden voldaan. Verweerster refereert zich naar het oordeel van de rechtbank. Verweerster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

Overwegingen

4
De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 20 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 november 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van maart 2026 is tijdig op 27 februari 2026 voldaan. Daarnaast zal beschermingsbewind worden aangevraagd, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 november 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 4 maart 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.