Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig insolventierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:9840

Op 16 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is NL:TZ:2608503:R-RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9840. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
NL:TZ:2608503:R-RK
Datum uitspraak:
16 July 2026
Datum publicatie:
11 August 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 284

Indicatie

WSNP toegewezen. Toepassing hardheidsclausule. Verzoek eerdere ingangsdatum gedeeltelijk toegewezen. Gedeeltelijk voldaan aan de afdrachtplicht.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer]

Vonnis van

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoeker,

Waar deze zaak over gaat

De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] , samen met zijn partner (mevrouw [persoon A] ) een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 22 april 2025. Dit verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1
De procedure
1.1.

De heer [verzoeker] heeft (samen met zijn partner) een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

1.2.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 juli 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- de heer [verzoeker] , verzoeker,

- mevrouw [persoon A] , partner van de heer [verzoeker] ,

- de heer [persoon B] , schuldhulpverlener,

- mevrouw N. Yerlikaya, beschermingsbewindvoerder.

1.3.

Op 10 juli 2026 zijn, namens de heer [verzoeker] , aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

2
De beoordeling

De toelating

2.1.

De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan het CJIB en de Belastingdienst die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Bij het CJIB gaat het dan om WAHV-boetes. Bij de Belastingdienst gaat het om vorderingen die zien op de bijdrage zorgverzekering, kindgebonden budget, motorrijtuigenbelasting en inkomstenbelasting. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. De rechtbank merkt in dat kader op dat de heer [verzoeker] in gemeenschap van goederen is getrouwd met mevrouw [persoon A] . Tijdens de zitting van 9 juli 2026 is verklaard dat de schulden voor zover bekend gemeenschappelijk zijn.

2.3.

In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Zowel de heer [verzoeker] als mevrouw [persoon A] heeft geen onderneming meer. De heer [verzoeker] heeft inmiddels ook beschermingsbewind, zodat het ontstaan van nieuwe schulden niet in de rede ligt. De heer [verzoeker] is daarnaast voldoende doordrongen van de consequenties van het maken van (dergelijke) nieuwe schulden gedurende de regeling.

2.4.

Verder is ter zitting nadrukkelijk met de heer [verzoeker] gesproken over de in de WSNP geldende verplichtingen. Expliciet is gesproken over de auto die hij nog gebruikt. Besproken is dat de bewindvoerder zal kijken naar de waarde van de auto en de noodzaak om de auto al dan niet te behouden.

2.5.

De heer [verzoeker] heeft blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Bij de rechtbank is dan ook voldoende vertrouwen ontstaan dat de heer [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

2.6.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.

Duur

2.7.

De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.

De ingangsdatum

2.8.

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

2.9.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan.

2.10.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de heer [verzoeker] geen vtlb-berekening heeft overgelegd voor de periode van april 2025 tot en met juni 2025. Bovendien is er geen vtlb-berekening overgelegd voor de periode vanaf juli 2026. De rechtbank kan dus niet controleren wat de afdrachtcapaciteit was in die periodes. De heer [verzoeker] heeft wel vtlb-berekeningen overgelegd voor de periode van juli 2025 tot en met december 2025 en de periode van januari 2026 tot en met juni 2026.

Volgens de vtlb-berekening per juli 2025 had de heer [verzoeker] (samen met zijn partner) een afdrachtcapaciteit van € 1.437,59. In de periode per januari 2026 was de afdrachtcapaciteit € 1.589,30. De rechtbank merkt op dat meerdere onderliggende stukken van die vtlb-berekeningen ontbreken, zoals een specificatie van de huur en de hoogte van de zorgpremie. Bovendien is de vtlb-berekening niet juist ingevuld. De hoogte van het loon (dat ook fluctueert) en de reiskosten zijn verkeerd opgenomen in de verschillende vtlb-berekeningen. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de vtlb-berekeningen kloppen en dat daarmee de afdrachtcapaciteit uit die berekeningen juist is. Voorts zijn meerdere vtlb-berekeningen overlegd voor de periode per januari 2026, waarbij één van de berekeningen uitkomt op een afdrachtcapaciteit van € 1.335,30. Het ligt evenwel binnen de risicosfeer van de heer [verzoeker] om – in samenwerking met schuldhulpverlening – de onderliggende stukken van de vtlb-berekening(en) bij te voegen en deze te voorzien van een toelichting. Nu de rechtbank niet kan controleren welke vtlb-berekening juist is, gaat zij uit van de hogere afdracht capaciteit van € 1.589,30.

2.11.

De rechtbank stelt verder vast dat de heer [verzoeker] (samen met zijn partner) wel gespaard heeft gedurende het minnelijk traject. Gelet op de overgelegde stukken kan de rechtbank een bedrag van in totaal € 2.681,78 aan afdrachten plaatsen. De overige genoemde bedragen in het aflossingsoverzicht zijn niet voorzien van een duidelijke omschrijving, dan wel vallen buiten de uit de vtlb-berekeningen volgende afdrachtverplichting (bijvoorbeeld de belastingteruggave). Verder heeft er – gelet op de stukken in het dossier – van april 2025 tot en met februari 2026 beslag gelegen op het inkomen van mevrouw [persoon A] . Daardoor is een deel van de inkomsten alleen betaald aan één schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende een periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan de heer [verzoeker] . Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.

2.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de afdrachtverplichting dus niet correct kan vaststellen, nu het verzoek op dit punt onvolledig is. Het had op de weg van de heer [verzoeker] en zijn schuldhulpverlener gelegen om die informatie aan te leveren. De rechtbank stelt evenwel vast dat de heer [verzoeker] (en zijn partner) wel gedeeltelijk hebben voldaan aan de afdrachtverplichting. Echter, onvoldoende om tot een eerdere ingangsdatum van 22 april 2025 te komen. Nu de rechtbank niet de exacte afdrachtcapaciteit kan vaststellen, maar gelet op de inspanningen van de heer [verzoeker] wel aanleiding ziet om een eerdere ingangsdatum te bepalen, neemt zij een gemiddelde afdrachtcapaciteit van € 1.513,45 als uitgangspunt. Namelijk het gemiddelde van de afdrachtcapaciteit per juli 2025 (€ 1.437,59) en per januari 2026 (€ 1.589,30). Rekening houdende met die afdrachtcapaciteit en de voor de rechtbank te plaatsen afdrachten en beslagen, ziet de rechtbank aanleiding om de eerdere ingangsdatum vast te stellen op 16 september 2025.

2.13.

De rechtbank stelt daarbij vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject wel aan de inspanningsverplichting is voldaan. De heer [verzoeker] werkt immers fulltime.

3
De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
3.1.

De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

3.2.

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

3.3.

De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

3.4.

De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.

3.5.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

3.6.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

3.7.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .

3.8.

Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom

en tot bewindvoerder W.P. Groenendijk,

gevestigd te Postbus 324

3330 AH Zwijndrecht,

stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 16 september 2025 en de duur op achttien maanden;

draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met mr. T.M.M. de Laat, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.