RECHTBANK Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 16 juli 2026
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker,
Verzoeker heeft op 17 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 juli 2026.
Ter zitting van 9 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw [persoon C] , klantregisseur;
de heer [persoon D] , namens Woonstad (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. Hij heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Inmiddels betaalt verzoeker ook de lopende huurtermijnen. Zo is onder meer de huur van juni 2026 en juli 2026 voldaan. Verzoeker was zich niet bewust van de huurverhoging per juli 2026. Hij heeft daarom per ongeluk het oude termijnbedrag voldaan.
Verweerster heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het verzoek kan worden toegewezen. Hoewel verzoeker bij de betaling van de huur van juli 2026 nog geen rekening heeft gehouden met de huurverhoging per juli 2026, en daarom € 21,92 te weinig heeft betaald, worden de lopende huurtermijnen inmiddels weer voldaan. Verweerster heeft er vertrouwen in dat zij, met tussenkomst van schuldhulpverlening, tot een constructieve oplossing kan komen met verzoeker.
Overwegingen
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 9 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 29 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker de lopende huurtermijnen inmiddels betaalt. Verzoeker heeft een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarnaast ontvangt hij huur- en zorgtoeslag. Daarmee heeft verzoeker voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Beslissing
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 29 september 2025 opgemaakte proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
24 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.