Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:11600

Op 10 August 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/716672 / JE RK 26-522, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:11600. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/716672 / JE RK 26-522
Datum uitspraak:
10 August 2026
Datum publicatie:
10 September 2026

Indicatie

Beschikking van de kinderrechter

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/716672 / JE RK 26-522

Datum uitspraak: 10 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over fictieve weigering van een schriftelijke aanwijzing betreffende een omgangsregeling

in de zaak van

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats],

advocaat mr. N.S. van der Vliet uit Rotterdam,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

mr. R.A.A.H. van Leur,

hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te Dordrecht.

In zijn adviserende taak is gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.

1
Het verdere verloop van de procedure
1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de tussenbeschikking van 21 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

het aanvullende verslag van de bijzondere curator van 4 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum;

de briefrapportage met bijlagen van de GI van 28 juli 2026, ontvangen op 5 augustus 2026.

1.2.

Op 12 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2];

de bijzondere curator;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 3].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft in een therapeutische setting bij hulpverleners van het UitwijkTeam, [naam 4] of [naam 5] (afwisselend), en in de weekenden bij de grootouders moederszijde (mz).

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 oktober 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 januari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 28 april 2026. Ook heeft de kinderrechter bij deze beschikking een bijzondere curator benoemd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 oktober 2026.

2.5.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 april 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 oktober 2026.

3
Het aangehouden verzoek
3.1.

De moeder verzoekt, voor zo ver mogelijk, uitvoering bij voorraad:

Primair:

I. Om het niet nemen van een besluit (fictieve weigering), waarbij de reactietermijn verliep op 5 maart jl., aan te merken als een besluit dan wel schriftelijke aanwijzing omgang en deze vervallen te verklaren;

II. Alsmede een zelfstandige omgangsregeling te bepalen in de zin van artikel 1:265f, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarbij [minderjarige] de eerste drie maanden een keer in de twee weken op vrijdag van 16:00 uur tot 20:00 uur bij de moeder verblijft. Daarbij staat de moeder ervoor open dat de eerste drie keer begeleid zullen plaatsvinden. Na deze drie maanden verzoekt moeder te bepalen dat [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 20:00 uur bij de moeder verblijft, dan wel een omgangsregeling te bepalen welke in goede justitie en in het belang van de minderjarige juist wordt geacht.

Subsidiair:

Op grond van artikel 1:262b BW een geschil met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling voor te leggen. Hierbij verzoekt moeder om binnen het kader van de geschillenregeling te bepalen dat de GI haar besluit dient te heroverwegen om de omgang op te schorten en dient toe te werken naar een opbouwende omgangsregeling, zoals genoemd onder punt II, waarbij in ieder geval zo spoedig mogelijk een plan van aanpak wordt opgesteld hoe de omgang kan worden hervat.

De moeder heeft ter zitting van 21 april 2026 haar verzoek gewijzigd, in die zin dat het voorstel is om de omgangsregeling pas na drie maanden te laten ingaan.

4
De standpunten
4.1.

Door en namens de moeder is haar verzoek (wederom) ter zitting gewijzigd in die zin dat een tussenstap wordt ingebouwd door eerst te starten met vaste belmomenten. Door en namens de moeder is haar verzoek als volgt toegelicht. Sinds twee weken zoekt [minderjarige] op eigen initiatief contact met de moeder via WhatsApp. Zij hebben nu bijna dagelijks positief contact. In tegenstelling tot wat de GI en de bijzondere curator in hun rapporten aangeven, is er wel degelijk een mogelijkheid tot contactherstel. Op korte termijn moet het viergesprek plaatsvinden. Het is jammer dat dat niet al is gebeurd. Intussen kan er gestart worden met het inplannen van belmomenten. Zowel voor [minderjarige] als voor de moeder is het fijn dat duidelijk is wanneer die belmomenten zijn, zodat de moeder ook echt beschikbaar is. Vervolgens is van belang dat er, na een maand telefonisch contact, fysieke omgangsmomenten ingepland gaan worden. De moeder zou graag zien dat dit een beschikking wordt vastgelegd, aangezien eerder is gebleken dat het te lang duurt als de regie bij de GI wordt belegd. Er moet helderheid komen, zowel voor moeder als voor [minderjarige].

4.2.

De GI heeft het volgende ter zitting naar voren gebracht. Het klopt dat er sinds kort weer appcontact is tussen [minderjarige] en de moeder. Dat is positief, maar tegelijkertijd zorgelijk. [minderjarige] zoekt opeens erg veel contact. De moeder kan daar niet altijd op reageren en dat zorgt voor onbegrip en teleurstelling bij [minderjarige]. De GI staat open voor het starten met vaste belmomenten, maar het is nu nog te vroeg om al een omgangsregeling voor daarna vast te leggen. Op dit moment heeft [minderjarige] vakantie en heeft zij de rust om het contact met de moeder aan te gaan, maar na de zomervakantie zal zij starten in de brugklas en wordt haar therapie van Yulius hervat. Ook moet het viergesprek tussen de GI, de moeder, de bijzondere curator en [minderjarige] nog plaatsvinden. Er moet eerst bekeken worden hoe dit de komende tijd allemaal gaat verlopen. [minderjarige] is erg onvoorspelbaar, dus het is belangrijk dat zowel [minderjarige] als de moeder worden beschermd voor teleurstellingen.

4.3.

De bijzondere curator acht het meest wenselijke dat de regie bij de GI ligt. Zowel [minderjarige] als de moeder kunnen soms hevige emoties tonen. Kleine dagelijkse zaken kunnen al tot grote ruzies leiden. Er dient eerst een goede basis in het contact te zijn, voordat er gelijk een regeling wordt vastgelegd. Anders ligt het risico op een mislukking op de loer.

4.4.

De Raad staat achter de visie van de GI. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt. De Raad oppert om de belmomenten voor een specifieke duur vast te leggen zodat daarna door de GI verder gekeken kan worden wat een passende vervolgstap is.

Overwegingen

5
De beoordeling

Ontvankelijkheid:

5.1.

De kinderrechter stelt vast dat bij beschikking van 21 april 2026 onder punt 5.3. reeds is geoordeeld dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek en dat het fictieve besluit van de GI kan worden aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing, inhoudende een weigering om een omgangsregeling vast te stellen.

Schriftelijke aanwijzing/omgangsregeling:

5.2.

Op grond van artikel 1:265f BW kan de gecertificeerde instelling de contacten tussen de ouders en de kinderen beperken voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing. Deze beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:264 BW deze schriftelijke aanwijzing op verzoek van de ouder(s) geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren en zo nodig in het belang van de minderjarige een regeling vaststellen betreffende de omgang.

5.3.

Sinds de vorige zitting is er sprake van een prille positieve ontwikkeling. Sinds circa twee weken is er weer contact tussen [minderjarige] en de moeder via WhatsApp, op initiatief van [minderjarige]. Hoewel dit contact nog zeer pril is, zorgt dit wel voor een opening om het contactherstel aan te gaan. Alle partijen zijn het er met elkaar over eens dat het wenselijk is om daarop aan te sluiten met vaste belmomenten. Ook de kinderrechter is van oordeel dat dit een goede vervolgstap is. Het is aan de GI om de concrete belmomenten daarvoor in te plannen, maar gedacht kan worden aan een keer per week op een vaste dag en vast tijdstip. Dit geeft zowel [minderjarige] als de moeder duidelijkheid en kan teleurstellingen voorkomen. De kinderrechter benadrukt dat de situatie op dit moment nog erg kwetsbaar is om in het contactherstel direct al (te) grote stappen te zetten. Het enkele feit dat er sinds kort weer appcontact is, is al een grote en goede stap. [minderjarige] en de moeder hebben lang geen contact gehad, kampen ieder met hun eigen problematiek en de praktijk leert dat er maar iets hoeft te gebeuren of het contact wordt verbroken. Deze kwetsbaarheid leidt de kinderrechter tot het oordeel dat het op dit moment veel te vroeg is om een omgangsregeling met fysieke contactmomenten vast te leggen voor de periode na de belmomenten. Daarvoor is noodzakelijk dat het contactherstel nog verder wordt uitgediept, in die zin dat ook gewerkt wordt aan wederzijdse emotionele toenadering. Het contact dient dan ook niet enkel in frequentie en vorm te worden uitgebreid, maar ook inhoudelijk kwalitatief zijn er nog stappen te zetten, waardoor er ook meer begrip kan ontstaan voor elkaars positie. Hierbij is dan ook weer noodzakelijk dat er aandacht is voor de ouder-kindrelatie. Van de moeder mag namelijk meer worden verwacht aan geduld en begrip dan van [minderjarige].

De kinderrechter is van oordeel dat onder regie van de GI verder gekeken moet worden wanneer en op welke wijze (verdere) uitbreiding van de contacten mogelijk is. Het zetten van vervolgstappen is mede afhankelijk van het verloop van de belmomenten, de start op de middelbare school en de behandeling bij Yulius. Daarnaast is het heel goed als eerst alsnog het gesprek tussen de GI, de moeder, de bijzondere curator en [minderjarige] plaatsvindt. Bij het (verdere) contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder staat het belang van [minderjarige] voorop.

5.4.

Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter geen aanleiding om de fictieve weigering van de GI om een omgangsregeling vast stellen te vernietigen dan wel om zelf een omgangsregeling vast te leggen. De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder dan ook in zoverre af.

Geschillenregeling:

5.5.

In het verlengde van dat wat onder 5.3. is overwogen en geoordeeld, ziet de kinderrechter evenmin aanleiding om tot geschilbeslechting over te gaan, inhoudende het in dat kader de GI te verplichten een omgangsregeling dan wel een plan van aanpak daarvoor op te stellen. Ter zitting is gebleken dat de GI openstaat voor contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder en bereid is daarin de nodige - en de mogelijke - stappen te zetten. De kinderrechter wijst ook dit (subsidiaire) verzoek af.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek van de moeder af, voor zover daarop niet eerder is beslist.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 18 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).