3.2.
Onderhoudsbijdrage
3.2.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.455,- bruto per maand vast te stellen, althans een bedrag van € 1.087,- bruto per maand, jaarlijks te vermeerderen met de wettelijk vastgestelde indexering en te bepalen dat de ingangsdatum voor de partnerbijdrage is de datum waarop deze beschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage.
3.2.4.
Op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.2.5.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.2.6.
Op grond van artikel 1:157 lid 6 BW vangt de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal deze datum dan ook als ingangsdatum vaststellen.
3.2.7.
De man stelt dat een concrete onderbouwing van de behoefte van de vrouw ontbreekt zodat zij, naar de rechtbank begrijpt, onvoldoende heeft voldaan aan haar stelplicht. Omdat de behoefte van de vrouw volgt uit de door haar overgelegde berekening, welke berekening ook met stukken is onderbouwd, gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer van de man.
3.2.8.
De man betwist verder de stelling van de vrouw dat voor de berekening van haar behoefte de ‘hofnorm’ als uitgangspunt moet gelden. Partijen hebben slechts kort samengewoond en de vrouw was tijdens het huwelijk economisch zelfstandig, waardoor de hofnorm niet geschikt is om de behoefte te bepalen, aldus de man. Omdat de man niet heeft gesteld van welke behoefte dan moet worden uitgegaan en op welke wijze die zou moeten worden berekend, gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer van de man. De rechtbank is dan ook, conform het uitgangspunt, van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.2.9.
Partijen verschillen van mening over de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen waarover zij beschikten. De rechtbank zal daarom eerst het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van partijen tijdens het huwelijk berekenen. De vrouw heeft in november 2024 de echtelijke woning verlaten, zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven 2024-2 en de inkomensgegevens over 2024.
NBI vrouw tijdens huwelijk
3.2.10.
De vrouw stelt dat voor het berekenen van haar NBI gerekend moet worden met haar inkomen uit loondienst bij Stichting Ouder & Kindcentrum Academia in 2024 ten bedrage van € 24.399,-. De vrouw heeft haar andere inkomsten over 2024, zoals die volgen uit de aangifte inkomstenbelasting 2024, niet meegenomen in haar berekening. De man heeft de door de vrouw opgestelde berekening niet betwist, zodat de rechtbank van deze berekening zal uitgaan.
3.2.11.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2024 op € 1.981,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.2.12.
Tussen partijen is in geschil of bij het bepalen van het NBI van de man naast zijn inkomen bij NS Reizigers Groep BV rekening moet worden gehouden met winst uit onderneming van de eenmanszaak MuseStore/AllYouCanGet en zwarte inkomsten als huizenbemiddelaar.
Eenmanszaak MuseStore/AllYouCanGet
3.2.13.
De vrouw stelt dat de man naast zijn baan bij NS Reizigers Groep BV ook inkomsten heeft uit zijn eenmanszaak. De man stelt dat er nooit bedrijfsactiviteiten zijn ontplooid en verwijst ter onderbouwing naar zijn aangiften omzetbelasting. In het licht van de betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling niet, dan wel onvoldoende bewezen. De rechtbank houdt dan ook voor het berekenen van het NBI van de man geen rekening met winst uit onderneming van deze eenmanszaak.
Zwarte inkomsten als huizenbemiddelaar
3.2.14.
De vrouw stelt verder dat de man zwart bijverdient als huizenbemiddelaar. Ter onderbouwing verwijst de vrouw naar haar productie 16, waaruit dit zou blijken. De vrouw schat de zwarte inkomsten als huizenbemiddelaar vervolgens op € 25.000,- per jaar.
3.2.15.
De man betwist dat hij zwart bijverdient als huizenbemidelaar. De betrokkenheid van de man die volgt uit productie 16 is eenvoudig te verklaren vanuit behulpzaamheid. De man betwist dat hij hier een vergoeding voor ontvangt. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dit volgens de man ook niet.
3.2.16.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, niet bewezen dat de man een bemiddelende rol heeft tussen een woningzoekende en WoningNet. De rechtbank zal geen rekening houden met deze gestelde inkomsten van de man.
3.2.17.
Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2024 aan de hand van zijn loonstroken van augustus, september en oktober 2024 bij NS Reizigers BV op € 3.514,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 3.367,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- decemberuitkering € 1.256,-
(opbouw augustus t/m oktober gemiddeld € 102,92 per maand, € 1.050,64 (opbouw t/m oktober) + € 102,92 november + € 102,92 december)
- derving SAV € 1.388,-
(gemiddelde: (€ 1.230,- + € 1.538,- + € 1.230 + € 165,-) / 3)
- bonus 40 uur werken € 84,-
- pensioenpremie € 341,-
- premie PAWW € 4,-
- premie ANW-hiaat € 3,-
- premie WGA € 8,-
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.2.18.
Gelet op het voorgaande hadden partijen tijdens het huwelijk de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 5.495,- netto per maand. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.297,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 3.673,- per maand.
3.2.19.
De man stelt dat de vrouw in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zoals zij ook heeft gedaan in de periode dat partijen een gemeenschappelijke huishouding voerden. De ziektewetuitkering die de vrouw momenteel ontvangt, is een tijdelijke voorziening en vormt geen blijvende indicatie van een structurele inkomensachteruitgang – die bovendien is ontstaan ná de feitelijke scheiding, aldus de man. Het is de man bovendien bekend dat de vrouw gewoon werkt. Zij treedt regelmatig op tijdens feesten samen met haar broer die DJ is.
3.2.20.
De vrouw betwist dat zij in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat zij samen met haar broer optreedt. De vrouw is op feesten geweest waar haar broer optrad, maar heeft daarvoor geen vergoeding ontvangen.
3.2.21.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw niet bewezen dat zij samen met haar broer optreedt als DJ. Dat zij volgens de man in staat is om te werken, staat dus niet vast. Of de vrouw wel of niet in staat is om te werken, is bovendien ter beoordeling aan een verzekeringsarts van het UWV. In dit stadium zal de rechtbank dan ook het huidige NBI van de vrouw berekenen aan de hand van haar ziektewetuitkering en de tarieven 2026-1. Als de vrouw haar ziektewetuitkering verliest, zal dat leiden tot een wijziging van omstandigheden die wellicht aanleiding geeft tot het wijzigen van de partnerbijdrage.
3.2.22.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 1.067,- per maand, waarbij rekening is gehouden met een basisloon van € 290,- per week, op basis van de uitkeringsspecificatie van januari 2026).
De algemene heffingskorting is in aanmerking genomen:..
3.2.23.
Op de behoefte van de vrouw moet haar eigen inkomen van € 1.067,- per maand in mindering worden gebracht, waarna (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) een aanvullende behoefte van € 2.606,- netto per maand resteert, ofwel € 4.869,- bruto per maand.
3.2.24.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
3.2.25.
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport en daarbij gebruik maken van de tarieven 2026-1.
3.2.26.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat vermeld van € 65.573,-, op € 3.905,- per maand. De rechtbank houdt, onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.2.12, 3.2.13, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16 geen rekening met andere inkomsten zoals door de vrouw gesteld.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.2.27.
Uit de aan deze beschikking gehechte berekening volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal € 2.537,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 1.368,- per maand resteert. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 821,- netto per maand, ofwel € 1.314,- bruto per maand.
3.2.28.
Het voorgaande leidt ertoe dat een uitkering voor levensonderhoud van de vrouw van € 1.314,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.2.29.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening).
3.4.1.
Omdat partijen ná 29 januari 2019 getrouwd zijn, moet de rechtbank voor het toepasselijk recht kijken naar de bepalingen in de Huwelijksvermogensrechtverordening.
In de eerste plaats moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een rechtskeuze (artikel 22). De vrouw stelt dat zij kiest voor toepassing van het Nederlandse recht, maar op grond van artikel 23 geschiedt de rechtskeuze bij schriftelijke, gedagtekende en door beide echtgenoten ondertekende overeenkomst. Daar is hier geen sprake van. Dat betekent dat op het huwelijksvermogensstelsel van toepassing is het recht van de staat waar de echtgenoten na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hadden (artikel 26 lid 1 sub a). Vaststaat dat de eerste gewone verblijfplaats van partijen na de huwelijksvoltrekking in Nederland was. Dat leidt tot de conclusie dat Nederlands recht van toepassing is op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen.
3.4.2.
Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap
3.4.3.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
3.4.4.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW).
3.4.5.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift, pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen, rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
3.4.6.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
3.4.7.
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vo´o´r de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.
3.4.8.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.
3.4.9.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 25 oktober 2024.
3.4.10.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
3.4.11.
Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
3.4.12.
De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.
a) Echtelijke woning aan de [adres] en daarop rustende hypotheek ten behoeve van Centraal Beheer
3.4.13.
Partijen verzoeken over en weer de woning aan de man toe te delen, waarbij de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening.
3.4.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overwaarde die bij helfte verdeeld moet worden. De rechtbank zal bepalen dat voor de hoogte van de hypothecaire schuld uitgegaan moet worden van 25 oktober 2024 als peildatum, waarbij de rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3.4.41. Toedeling van de woning aan de man kan alleen plaatsvinden als hij in staat is de toedeling te financieren. De rechtbank zal hiermee rekening houden en de wijze van verdeling van de woning gelasten als hierna in het dictum vermeld.
b) Schuld aan vader van de man
3.4.15.
De echtelijke woning is in juni 2023 casco gekocht door de ouders van de man omdat partijen de financiering niet rond kregen. Op 16 februari 2024 is de woning overgedragen aan partijen. Niet in geschil is dat de woning in de tussentijd volledig is verbouwd.
3.4.16.
De man stelt dat partijen tijdens het huwelijk de volgende drie schulden zijn aangegaan bij zijn vader in verband met (de verbouwing van) de echtelijke woning:
schuld in verband met de aanschaf van de keuken ten bedrage van € 30.000,-. De man verwijst ter onderbouwing naar een door partijen ondertekende leningovereenkomst van 25 juni 2023;
schuld in verband met de aanschaf van zonnepanelen en overige kosten van de verbouwing ten bedrage van € 60.000,-. De man verwijst ter onderbouwing naar een door partijen ondertekende lening overeenkomst van 1 januari 2024;
schuld in verband met de overdracht van de woning door de ouders van de man aan partijen voor € 11.000,- minder dan de taxatiewaarde, gebaseerd op een mondelinge afspraak.
De man stelt op grond van het voorgaande dat partijen aan de vader van de man € 101.000,- verschuldigd zijn. Voor deze schuld zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig. De man is bereid de schulden af te lossen wanneer het aandeel van de vrouw daarin wordt verrekend met haar deel van de overwaarde van de echtelijke woning.
3.4.17.
De vrouw betwist het bestaan van de door de man genoemde schulden. De verbouwing is volgens de vrouw gefinancierd met contant geld dat partijen hebben ontvangen op hun bruiloft, de verkoop van sieraden en gouden munten en zwarte inkomsten van de man als huizenmakelaar. De vrouw betwist verder gemotiveerd dat de leningovereenkomsten door haar zijn ondertekend. De handtekening die daar te zien is, is niet van haar.
3.4.18.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. Voorop staat bovendien dat het niet mogelijk is door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102 BW neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers.
3.4.19.
De rechtbank overweegt dat alleen in het geval dat partijen het eens zijn over het bestaan van een schuld dan wel dat een schuld anderszins (door tussenkomst van een rechter) in rechte is komen vast te staan, de rechtbank een oordeel kan geven over de onderlinge draagplicht van partijen ten aanzien van een schuld. De vraag óf een schuld bestaat – of een derde al dan niet een vordering op partijen heeft – is in deze procedure niet aan de orde. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de man het bestaan van de schulden onvoldoende heeft onderbouwd. Niet is aangetoond dat de man de bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen van zijn vader. Eveneens ontbreken rekeningafschriften waaruit zou kunnen blijken dat het geld van de lening daadwerkelijk is overgemaakt op de rekening van de man.
3.4.20.
De rechtbank komt dan ook niet toe aan het verzoek van de man om het aandeel van de vrouw te verrekenen met haar deel van de overwaarde van de echtelijke woning, zodat dit zal worden afgewezen.
c) Inboedel / kleding, lijfgoederen en lijfsieraden / gouden sieraden en contant geld ontvangen tijdens huwelijksfeest
3.4.21.
Ten aanzien van bovengenoemde bestanddelen merkt de rechtbank op dat partijen over en weer stellen dat de ander die zou hebben meegenomen dan wel in zijn of haar bezit zou hebben, en dat dit over en weer ook weer wordt betwist. De rechtbank overweegt dat zij gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen niet kan vaststellen wie nu over deze bestanddelen beschikt. De rechtbank zal de verzoeken met betrekking tot deze bestanddelen daarom afwijzen.
3.4.22.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de saldi van de op zijn/haar naam staande bankrekeningen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de saldi van alle bankrekeningen op de peildatum bij helfte moeten worden gedeeld en gaat ervan uit dat ieder de op zijn/haar naam staande bankrekening voortzet.
e) [eenmanszaak] , [KvK-nummer]
3.4.23.
De vrouw verzoekt te bepalen dat tussen partijen bij helfte wordt verdeeld het recht van eigendom van de activa van de onderneming op de peildatum en dat de man draagplichtig is voor eventuele schulden, zonder nadere verrekening. De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.24.
De rechtbank overweegt dat een eenmanszaak geen goed is dat in de beperkte gemeenschap van goederen valt en als zodanig niet kan worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de beperkte gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn.
3.4.25.
De rechtbank overweegt dat zij gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen niet kan vaststellen of er ondernemingsvermogen is dat voor verdeling in aanmerking komt. De vrouw heeft in ieder geval haar verzoek om een afwijkende draagplichtverhouding te bepalen voor eventuele schulden naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw zal dan ook afwijzen.
f) Belastingteruggave/belastingschuld
3.4.26.
De rechtbank overweegt dat eventuele belastingteruggaven en schulden die betrekking hebben op de huwelijkse periode tot de peildatum tussen partijen bij helfte moeten worden gedeeld dan wel gedragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
3.4.27.
De man verzoekt in dit kader te bepalen dat de vrouw de helft van de aanslag inkomstenbelasting over 2024, zijnde een bedrag van € 3.609,-, aan de man moet voldoen. De aanslag is gedateerd op 7 juni 2025. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw dit bedrag heeft ontvangen ná de peildatum. Partijen hebben ieder recht op de helft van dit bedrag voor zover dat ziet op de periode van 1 januari 2024 tot 25 oktober 2024, dus ongeveer 10 maanden. De rechtbank berekent het aandeel van de man daarom naar rato als volgt:
€ 3.609,- / 12 maanden = € 300,75 per maand
€ 300,75 x 10 maanden = € 3.007,50
€ 3.007,50 / 2 = € 1.503,75
De vrouw moet dus nog € 1.503,75 aan de man voldoen. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
Verzoeken op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv
3.4.28.
Op grond van artikel 827 lid 1 onder g Rv kan de rechtbank op verzoek een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f bij de echtscheiding treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onnodige vertraging, zodat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke behandeling van onderstaande verzoeken.
3.4.29.
De vrouw verzoekt – na wijziging – de man te veroordelen althans te bepalen om aan de vrouw te verstrekken de bruidsgave van vijf 24-karaat gouden armbanden van ieder 30 gram, derhalve in totaal 5 x 30 gram, ofwel 150 gram goud, althans de man te veroordelen tot nakoming van de bruidsgave die is overeengekomen op 6 september 2023 en de man te veroordelen althans te bepalen om aan de vrouw te verstrekken de bruidsgave van vijf 24-karaat gouden armbanden van ieder 30 gram, derhalve in totaal 5 x 30 gram, ofwel 150 gram goud, en wel door de man aan de vrouw te verstrekken binnen een maand na de datum van deze beschikking.
3.4.30.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.31.
De vrouw stelt dat partijen in verband met hun huwelijk een bruidsgave zijn overeengekomen. Ter onderbouwing daarvan heeft de vrouw als productie 8 een bewijsstuk van de bruidsgave overgelegd. De man betwist dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen. Dit volgt volgens hem niet uit de overgelegde overeenkomst. De overeenkomst is volgens de man bovendien geen civielrechtelijke overeenkomst op grond van artikel 6:213 BW, maar slechts een religieus verankerde verplichting.
3.4.32.
Partijen zijn voor de wet gehuwd op [datum] . Het door de vrouw overgelegde stuk is niet voorzien van een datum, maar de bruidsgave is volgens de vrouw overeengekomen op 6 september 2023. Dat betekent dat de bruidsgave, als die inderdaad is overeengekomen, ná het wettelijk huwelijk van partijen is afgesproken. Voor partijen geldt de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Als de wens van partijen was geweest dat de bruidsgave van de man een privé-verplichting zou zijn ten opzichte van de vrouw hadden partijen dit staande huwelijk met elkaar moeten overeenkomen bij huwelijkse voorwaarden (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2025:2113). Nu zij dit niet hebben gedaan staat tegenover de mogelijke vordering van de vrouw een mogelijke verplichting van de man; deze vallen dus tegen elkaar weg (zie ook ECLI:NL:GHARL:2021:4341). Gezien het debat van partijen kwalificeert de rechtbank de mogelijke bruidsgave niet als een schenking maar als een religieus verankerde verplichting. Er is naar het oordeel van de rechtbank naar maatschappelijke normen bezien geen sprake van een verknochte vordering inzake de bruidsgave, dan wel van een verknochte schuld inzake de bruidsgave. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bruidsgave niet zo persoonlijk dat deze buiten de gemeenschap valt. Dit betekent dat zelfs als de vrouw wordt gevolgd in haar stelling dat zij en de man een bruidsgave overeengekomen zijn, dit er niet toe leidt dat de vrouw nog een bruidsgave tegoed heeft van de man. Het overige wat partijen hebben aangevoerd met betrekking tot de bruidsgave behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor de beslissing. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
3.4.33.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw € 8.000,- betaalt uit hoofde van haar vergoeding wegens letselschade.
3.4.34.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.35.
Partijen zijn het erover eens dat door de vrouw in mei 2024 een bedrag van
€ 10.000,- is ontvangen in het kader van een letselschade-uitkering naar aanleiding van een ongeval op 6 september 2023. De vrouw heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat zij van dat bedrag € 8.000,- contant heeft opgenomen en aan de man in beheer heeft gegeven, welk bedrag de man gehouden is aan haar te voldoen. De man betwist dat hij een deel van de letselschade-uitkering van de vrouw in beheer heeft gekregen. De vrouw heeft dit bedrag uitgegeven aan een neusoperatie in Turkije, aldus de man.
3.4.36.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende heeft onderbouwd. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen of het geld er nog is en zo ja, waar het geld is, komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of het betreffende deel van de letselschade-uitkering buiten de gemeenschap van goederen valt en dus, zoals de vrouw stelt, van haar is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
Regresvordering lasten echtelijke woning en gebruiksvergoeding
3.4.37.
De man verzoekt bij wijze van aanvullend verzoek de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een nog nader te bepalen bedrag uit hoofde van regres, omdat de man vanaf de peildatum alle hypothecaire lasten van de echtelijke woning heeft voldaan.
3.4.38.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt bij wijze van aanvullend verzoek te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 8 november 2024 dient te betalen een gebruiksvergoeding voor de woning aan de [adres] van
€ 1.803,33 per maand, althans van € 1.122,21 per maand, althans van € 674,91 per maand.
3.4.39.
De man voert daarop gemotiveerd verweer.
3.4.40.
Vanwege de samenhang beoordeelt de rechtbank beide verzoeken gelijktijdig. Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds de peildatum alle hypothecaire lasten van de woning heeft betaald uit zijn privévermogen. De hypothecaire lasten bestaan uit twee componenten: een deel aflossing van de hypothecaire lening en een deel rentebetalingen.
3.4.41.
Voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft de man tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld om voor de hoogte van de hypothecaire schuld in het kader van de verdeling van de woning uit te gaan van 25 oktober 2024 als peildatum. Dit geldt voor de situatie dat de man de woning overneemt als ook bij verkoop van de woning aan een derde. De hoogte van de hypothecaire schuld op 25 oktober 2024 wordt in beide gevallen in mindering gebracht op de waarde van de woning. Als het voorstel van de man wordt gevolgd kan er naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de aflossingen geen sprake meer zijn van een regresvordering. De vrouw deelt immers niet meer in de vermogensvorming vanaf de peildatum. Het voorstel van de man is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onredelijk, zodat hiermee bij de verdeling van de woning rekening wordt gehouden (zie rechtsoverweging 3.4.14). Het verzoek van de man wordt tot zover toegewezen.
3.4.42.
Alvorens in te gaan op de regresvordering in verband met de rentebetalingen beoordeelt de rechtbank eerst het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding vast te stellen.
3.4.43.
In veel gevallen hangt een verzoek om een gebruiksvergoeding samen met het verzoek tot het voortgezet gebruik op grond van artikel 1:165 BW. Vaststaat dat de vrouw de woning (vrijwillig) heeft verlaten. Daarnaast heeft de man geen verzoek gedaan op grond van voornoemd artikel en maakt de vrouw geen gebruik van het haar toekomende gebruiksrecht. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw geen grondslag vindt in artikel 1:165 BW. Echter, op grond van artikel 3:169 BW is een gebruiksvergoeding ook op zijn plaats als degene die de woning heeft verlaten dit vrijwillig heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van een gebruiksvergoeding niet is vereist dat aan één van partijen het uitsluitend gebruik van de woning is toegekend of dat er anderszins een regeling voor het gebruik van de woning is getroffen (zie ECLI:NL:GHSHE:2018:255).
3.4.44.
De woning behoort tot de huwelijksgemeenschap. Uit artikel 3:169 BW volgt dat iedere deelgenoot in een gemeenschap bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Deze bepaling heeft mede het doel om de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere echtgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij is van belang dat de redelijkheid en billijkheid de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen. De gebruiksvergoeding kan worden verzocht vanaf het tijdstip dat de gemeenschap van goederen is ontbonden en een van de echtgenoten het alleengebruik van de gemeenschappelijke woning heeft.
3.4.45.
Vaststaat dat de man alleen in de woning verblijft en dat de vrouw sinds haar vertrek uit de woning niet over het genot hiervan beschikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat een gebruiksvergoeding op zijn plaats is. De vraag rijst wat de hoogte van deze gebruiksvergoeding moet zijn. Zoals eerder overwogen, betaalt de man sinds de peildatum alle rentebetalingen van de hypothecaire lening en daarmee dus ook het aandeel van de vrouw in deze lasten. De rechtbank acht het daarom redelijk een gebruiksvergoeding te bepalen die gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de hypotheekrente.
3.4.46.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank een gebruiksvergoeding zal vaststellen waarvan de hoogte gelijk is aan de hoogte van het aandeel van de vrouw in de hypotheekrente. Dit betekent feitelijk dat de man geen gebruiksvergoeding aan de vrouw hoeft te betalen zolang hij (voor de toekomstige betalingen) haar aandeel in de hypotheekrente rechtstreeks aan de hypotheekverstrekker blijft voldoen. Gelet hierop zal de rechtbank de regresvordering van de man voor zover deze ziet op de rentebetalingen afwijzen.