Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:5292

Op 25 March 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/715666 / JE RK 26-404, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:5292. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/715666 / JE RK 26-404
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
7 May 2026
Advocaat:
mr. S.R. van Laar kantoorhoudende te Arnhem.

Indicatie

Kort verlengen van de ondertoezichtstelling, omdat de ondertoezichtstelling niet loopt. De moeder zoekt hulp met haar eigen begeleider.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/715666 / JE RK 26-404

Datum uitspraak: 25 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. S.R. van Laar kantoorhoudende te Arnhem.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .

1.3.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

2.2.

[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.

2.3.

Bij beschikking van 19 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 2 april 2026.

3
Het verzoek
3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4
De standpunten
4.1.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De vaste jeugdbeschermer is sinds januari ziek, daardoor is er op dit moment nog niks geregeld voor een nieuwe dagbesteding van [voornaam minderjarige] . De begeleider van de moeder heeft contact opgenomen met de GI en er wordt nu gekeken naar een dagbesteding voor hem. Er ontbreekt casusregie, waardoor er op dit moment weinig gebeurd. Dat is frustrerend voor de moeder. De moeder maakt wel een positieve groei door. Zij heeft goed contact met haar begeleider van Leger des Heils en daardoor worden zaken ook opgepakt. De komende periode is het van belang dat ASVZ bij de moeder gaat starten en dat Jeugdprofs voor [voornaam minderjarige] start. Ook is het van belang dat [voornaam minderjarige] weer een dagbesteding heeft. Het is echter de vraag of de GI hiervoor nodig is, of dat dit ook kan in het vrijwillige kader.

4.2.

Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek af te wijzen. De ondertoezichtstelling is niet langer noodzakelijk. De moeder ervaart weinig tot geen hulp van de huidige jeugdbeschermer en zij pakt alles zelf op met haar eigen begeleider. De hulpverleningsvragen die er nu liggen kunnen dan ook opgepakt worden in het vrijwillige kader. De moeder doet haar best om alle nodige hulp te regelen en met [voornaam minderjarige] gaat het goed. Wellicht is een korte verlenging handig, zodat gezorgd kan worden voor een warme overdracht en dat de dagbesteding daadwerkelijk geregeld wordt.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. (Voetnoot 1) De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat het inmiddels een stuk beter gaat met [voornaam minderjarige] . De dagbesteding van [voornaam minderjarige] bij Amzo is afgerond en het was de bedoeling dat hij per februari 2026 zou starten met dagbesteding bij Horses & Co. Waarom dit niet is gebeurd is onduidelijk. Het is van belang dat de komende periode wordt gebruikt om te zoeken naar een goed alternatief voor hem. Het is niet goed voor [voornaam minderjarige] als hij weer langdurig thuis komt te zitten. Ter zitting is echter ook gebleken dat de huidige jeugdbeschermer al enige tijd ziek is en er weinig is gebeurd binnen de ondertoezichtstelling. De moeder heeft aangegeven dat zij de hulpverleningsvragen die zij heeft met haar eigen begeleider oppakt en dat zij door hem geholpen wordt. Er kunnen daarom grote vraagtekens gezet worden bij de noodzaak van de ondertoezichtstelling nu die feitelijk niet wordt uitgevoerd. Op korte termijn zal de hulpverlening van ASVZ en Jeugdprofs starten. De ondertoezichtstelling zal kort verlengd worden om de hulpverlening over te dragen aan het vrijwillig kader. Daarnaast verwacht de kinderrechter van de GI dat zij de komende maanden nog gebruikt om intensief op zoek te gaan naar een dagbesteding en na te gaan hoe het zit met de inschrijving bij Horses & Co. De ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van drie maanden en de overige drie maanden worden afgewezen. Binnen de komende drie maanden zal dan ook gewerkt worden aan een borgingsplan, zodat een warme overdracht kan plaatsvinden naar het vrijwillige kader.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 2 juli 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 1:260 BW.