Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:5427

Op 22 April 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/682626 / FA RK 24-5292, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:5427. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/682626 / FA RK 24-5292
Datum uitspraak:
22 April 2026
Datum publicatie:
12 May 2026

Indicatie

Alimentatiezaak. Beoordeling rechtsgeldigheid ouderschapsplan op grond van de wilsgebreken dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. Beoordeling of de in het ouderschapsplan overeengekomen bedragen zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven aan de hand van de eerder in Turkije vastgestelde kinder- en partnerbijdrage in Turkse Lira, omgerekend naar Euro en met toepassing van de woonlandfactor van 40% zoals die in de op 1 juli 2012 in werking getreden Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) is vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/682626 / FA RK 24-5292

Beschikking van 22 april 2026 over de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag,

1
De verdere procedure
1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

de tussenbeschikking van deze rechtbank van 4 november 2025;

de beschikking van deze rechtbank van 18 november 2025;

het bericht met bijlage van de man van 11 november 2025;

het bericht van de vrouw van 21 november 2025;

het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de man van 11 februari 2026.

1.2.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op

24 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2
De verdere vaststaande feiten
2.1.

Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 4 november 2025 is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

- de beslissing over alimentatie is in verband met litispendentie aangehouden in afwachting van nadere informatie over de procedure in Turkije.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 november 2025 zijn de verzoeken van de man tot wijziging van het gezag en de omgangsregeling afgewezen.

Overwegingen

3
De verdere beoordeling
3.1.

In het kort gaat de zaak nog om het volgende. Partijen zijn gehuwd geweest. Ze hebben een zoon, [naam], geboren op [geboortedatum] 2013 (hierna: de minderjarige). In 2020 zijn partijen in Turkije gescheiden. De Turkse rechter heeft een kinder- en partnerbijdrage bepaald van 10.000,- Turkse lira (TL) respectievelijk 5.000,- TL per maand. De vrouw is daarna met de minderjarige naar Nederland verhuisd. De vrouw en de minderjarige verblijven sinds 2021 in Nederland. Op 26 september 2023 hebben partijen tijdens het kinderfeestje voor de verjaardag van de minderjarige een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend, waarin zowel de kinder- als de partnerbijdrage wordt gewijzigd naar 1.500,- euro per maand. Ook is in deze overeenkomst een regeling opgenomen voor de betaling van bijzondere kosten voor de minderjarige. Tussen partijen is in geschil welke regeling over de kinder- en partnerbijdrage nu geldt en of die regeling gewijzigd moet worden.

3.2.

De vrouw verzoekt – na wijziging – een verklaring voor recht dat partijen in het ouderschapsplan van 26 september 2023 rechtsgeldige alimentatieafspraken hebben gemaakt, namelijk dat de man aan de vrouw moet voldoen een kinderbijdrage van € 1.500,- per maand en een partnerbijdrage van € 1.500,- per maand.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt:

een verklaring voor recht dat het ouderschapsplan is of zal worden vernietigd;

wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking van 16 juni 2020 of van het ouderschapsplan, in die zin dat de partnerbijdrage met ingang van

26 september 2023 op nihil wordt gesteld;

- wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking van 16 juni 2020 of van het ouderschapsplan, in die zin dat de kinderbijdrage met ingang van

26 september 2023 op € 25,- per maand wordt bepaald;

- te bepalen dat zijn verplichting ten aanzien van de partnerbijdrage met ingang van 26 juni 2025 van rechtswege is geëindigd.

Litispendentie

3.4.

Internationale litispendentie gaat over de situatie waarin tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp twee procedures ten overstaan van verschillende rechters in verschillende landen aanhangig zijn.

3.5.

Tussen Nederland en Turkije gelden geen verdragen of verordeningen die betrekking hebben op litispendentie. Dit betekent dat artikel 12 Rv van toepassing is.

Dit artikel bepaalt dat als een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp aanhangig is gemaakt, de behandeling kan aanhouden totdat door de eerstgenoemde rechter is beslist. Met deze regeling wordt beoogd dat tegenstrijdige beslissingen over hetzelfde onderwerp voorkomen worden.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om de behandeling van de verzoeken van partijen over de kinder- en partnerbijdrage aan te houden op grond van litispendentie. Er is in Turkije geen zaak over de kinderbijdrage aanhangig. Het litispendentievraagstuk speelt op dat punt dus niet.

In Turkije speelt wel een rechtszaak over de partnerbijdrage. Die rechtszaak gaat net als de onderhavige zaak over de vraag welk bedrag aan partnerbijdrage de man moet betalen aan de vrouw. De vrouw heeft haar verzoek over de partnerbijdrage op 11 juli 2024 aan de Nederlandse rechter voorgelegd en dat is eerder dan het door de man op 4 september 2024 bij de Turkse rechter ingediende verzoek over de partnerbijdrage. De Nederlandse rechter kan de zaak dan ook behandelen en hoeft niet eerst de uitspraak van de Turkse rechter – ten overstaan van wie in de zomer van 2026 een zitting gepland staat – af te wachten.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.7.

Omdat de vrouw en de minderjarige in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening rechtsmacht over de verzoeken van partijen over de (wijziging van de) kinder- en partnerbijdrage.

3.8.

De rechtbank zal op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening en artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen op de verzoeken van partijen over de (wijziging van de) kinder- en partnerbijdrage.

Vernietiging ouderschapsplan

3.9.

De man verzoekt een verklaring voor recht dat het ouderschapsplan is of zal worden vernietigd op grond van de wilsgebreken dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.

3.10.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.11.

Een beroep op vernietiging van een overeenkomst is mogelijk op grond van een wilsgebrek als bedoeld in artikel 6:228 BW (dwaling) en artikel 3:44 BW (bedrog of misbruik van omstandigheden). Voor een geslaagd beroep hierop geldt allereerst dat de man per wilsgebrek gemotiveerd moet stellen dat aan de in de wet daartoe gestelde vereisten is voldaan en vervolgens – bij voldoende betwisting – moet dit door hem worden bewezen. Het is de man die zich op een rechtsgevolg beroept, namelijk vernietiging van een overeenkomst. Daarom ligt de stelplicht en bewijslast – anders dan de man tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd – bij de man, en dus niet bij de vrouw.

3.12.

De rechtbank is van oordeel dat de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld en bewezen dat bij de totstandkoming van het ouderschapsplan sprake is geweest van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.

Dwaling

3.13.

Voor een geslaagd beroep op artikel 6:228 lid 1 sub a en sub b BW moet vast komen te staan dat de man bij een juiste voorstelling van zaken het ouderschapsplan niet had getekend en dat een inlichting van de vrouw de onjuiste voorstelling van zaken heeft veroorzaakt of dat de vrouw haar mededelingsplicht heeft geschonden.

3.14.

De man stelt dat de vrouw hem heeft bewogen om het ouderschapsplan te ondertekenen met haar mededeling dat de man machtigingsformulieren moest ondertekenen om de benodigde zorgverleners in te schakelen en om toegang te verkrijgen tot de zorgverzekering voor de minderjarige. De man stelt dat de vrouw verder op geen enkel moment de inhoud van het ouderschapsplan met de man heeft besproken.

De man zegt dat hij op goed vertrouwen de papieren tijdens een verjaardagsfeestje op de bowlingbaan heeft ondertekend, terwijl hij dat nooit zou hebben gedaan als hij de strekking van de inhoud en de gevolgen daarvan had geweten.

3.15.

De vrouw ontkent dat zij de man heeft gevraagd om machtigingsformulieren te ondertekenen en dat de inhoud van het ouderschapsplan niet is besproken; partijen hebben de inhoud besproken en de man heeft het ouderschapsplan gelezen, ondertekend en er daags na ondertekening naar gehandeld, aldus de vrouw. Dat elke pagina van het ouderschapsplan is ondertekend en in de Engelse taal is opgesteld, terwijl de man de Engelse taal machtig is, veronderstelt volgens de vrouw dat de man het ouderschapsplan heeft doorgenomen, dat hij de inhoud kon begrijpen en dat hij daarmee heeft ingestemd.

3.16.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man zijn stellingen onvoldoende met stukken aangetoond. De man heeft zijn standpunt onderbouwd met een verklaring van zijn zus, die zelf niet aanwezig was op het verjaardagsfeest maar heeft verklaard dat de man haar telefonisch na het feest heeft verteld dat hij van de vrouw machtigingsformulieren moest tekenen, dat hij zich overvallen had gevoeld, maar op goed vertrouwen en zonder te lezen heeft getekend. Hiermee wordt bevestigd hoe de man zegt de totstandkoming van het plan te hebben ervaren, maar dat is nog geen bewijs dat het daadwerkelijk zo is gegaan. Daartegenover heeft de vrouw een getuigenverklaring ingebracht van een persoon die verklaart tijdens het feest aanwezig te zijn geweest en te hebben gezien dat partijen de inhoud van het ouderschapsplan hebben besproken, dat de man de pagina’s heeft doorgenomen, daarover vragen heeft gesteld en het plan heeft ondertekend. Beide getuigenverklaringen ondersteunen dus een andere kant van het verhaal. Doorslaggevend is voor de rechtbank dat de vrouw met bankafschriften heeft aangetoond dat de man de in het ouderschapsplan genoemde bedragen van tweemaal € 1.500,- direct na de op het ouderschapsplan genoemde datum van 26 september 2023 min of meer maandelijks heeft overgemaakt naar de vrouw: op 27 september 2023 voor het eerst, en daarna op 23 oktober 2023, 27 november 2023, 23 januari 2024, 29 februari 2024, 6 en

8 mei 2024. Het verweer van de man dat hij de vrouw altijd geld gaf als zij daarom vroeg, vindt de rechtbank niet overtuigend, omdat de betalingen wat betreft hoe vaak en hoe hoog overeenkomen met de afspraken uit het ouderschapsplan.

Bedrog en misbruik van omstandigheden

3.17.

Van bedrog is sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW).

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).

3.18.

Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aangetoond om te kunnen vaststellen dat de vrouw de man heeft bewogen tot ondertekening van het ouderschapsplan met de mededeling dat het om machtigingsformulieren ging of door de inhoud van het ouderschapsplan te verzwijgen. Dat betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan de beoordeling dat er daarbij sprake was van opzet, en daarmee van bedrog door de vrouw.

3.19.

Verder heeft de man onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd voor de conclusie dat het ouderschapsplan tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. Het is weliswaar bijzonder om een ouderschapsplan te ondertekenen tijdens een kinderfeestje op de bowlingbaan, maar dat neemt niet weg dat de man ervoor had kunnen kiezen om te wachten met het ondertekenen van het ouderschapsplan. Hij had er eerst nog eens goed over na kunnen denken en eventueel deskundig advies in kunnen winnen. Dat de man daarvoor niet heeft gekozen, komt voor zijn rekening en risico.

3.20.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en bewezen die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een van deze drie wilsgebreken. De rechtbank zal zijn verzoek over de vernietiging van het ouderschapsplan dan ook afwijzen.

Wijziging van de kinder- en partnerbijdrage

3.21.

De rechtbank gaat er dus van uit dat het ouderschapsplan tussen partijen op geldige wijze tot stand is gekomen en dat het ouderschapsplan rechtsgeldig is. Dat betekent echter nog niet dat het verzoek van de vrouw kan worden toegewezen. De man heeft immers verzocht om wijziging van de afspraken over de kinder- en partnerbijdrage.

Kinderbijdrage

3.22.

Eerst zal de rechtbank beoordelen of er grond bestaat om de kinderbijdrage die in het ouderschapsplan is overeengekomen te wijzigen, zoals de man verzoekt.

? Wijziging Turkse echtscheidingsbeschikking of ouderschapsplan

3.23.

De man verzoekt wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking van

16 juni 2020 of van het ouderschapsplan van 26 september 2023, in die zin dat de kinderbijdrage met ingang van 26 september 2023 op € 25,- per maand wordt bepaald.

3.24.

Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat het ouderschapsplan rechtsgeldig is, gaat zij er dus van uit dat de alimentatieafspraken van het ouderschapsplan de Turkse echtscheidingsbeschikking hebben doen wijzigen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van het ouderschapsplan beoordelen, en niet zijn verzoek tot wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking.

3.25.

De man stelt voorwaardelijk (als de rechtbank tot het oordeel komt dat het ouderschapsplan rechtsgeldig is, wat zo is) en primair dat dit ouderschapsplan is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De man stelt subsidiair dat de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat de draagkracht van de man is verminderd terwijl de draagkracht van de vrouw is verhoogd.

3.26.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.27.

De wet biedt op grond van artikel 1:401 lid 5 BW de mogelijkheid een overeenkomst over levensonderhoud te wijzigen als zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over de kinderbijdrage wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderbijdrage ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Uit het dwingendrechtelijke karakter van deze regel volgt dat daarvan niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen. Er mag wel ten gunste van minderjarige kinderen worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Is dat het geval dan is wijziging van de overeengekomen kinderbijdrage op de voet van artikel 1:401 lid 5 BW in beginsel niet mogelijk als die afwijking bewust heeft plaatsgevonden, en dus niet het gevolg is van onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of doordat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.

3.28.

Volgens de wettelijke maatstaven wordt de hoogte van de kinderbijdrage begrensd door de behoefte van een kind. Toen partijen uit elkaar gingen, woonden ze nog in Turkije.

De Turkse rechter heeft de kinderbijdrage vastgesteld op 10.000 TL per maand. Dat is omgerekend ongeveer 190 euro per maand. De woonlandfactor zoals die in de op 1 juli 2012 in werking getreden Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) is vastgesteld, is voor Turkije 40%. Met deze wet wordt aan de rechthebbende wiens kind niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), dan wel Zwitserland woont, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag aan kinderbijslag. Dit percentage is de woonlandfactor. Die factor brengt mee dat de behoefte van de minderjarige in 2020 naar Nederlandse maatstaven neerkomt op een bedrag van € 475,- per maand (190 / 40 * 100). Geïndexeerd naar 2023 is dat € 515,-. Dat is fors lager dan de overeengekomen kinderbijdrage van € 1.500,- per maand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kinderbijdrage in het ouderschapsplan is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

3.29.

De vrouw heeft echter aangevoerd dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, omdat het leven in Nederland duurder is dan in Turkije. De man ontkent dat hij bewust is afgeweken van de Nederlandse wettelijke maatstaven.

De rechtbank oordeelt als volgt. Hierboven heeft de rechtbank geconcludeerd dat zij ervan uit gaat dat het ouderschapsplan op geldige wijze tot stand is gekomen, en dat partijen de inhoud daarvan dus zijn overeengekomen. Die inhoud betreft in artikel 7.1: “The parents specifically agreed not to have a child support calculation made. They have mutually agreed that the father will contribute € 1500,- per month to Ali’s needs.” Naar de letter van het ouderschapsplan zijn partijen het bedrag van € 1.500,- per maand dus bewust overeengekomen. Dat wil echter nog niet zeggen dat de man ook bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven. De rechtbank betrekt daarbij de gegeven omstandigheden dat de man het door de vrouw opgestelde ouderschapsplan wat vluchtig, tussen de bedrijven van een kinderfeestje op de bowlingbaan door, heeft doorgelezen en ondertekend, zonder daarbij te zijn bijgestaan door een advocaat of mediator die hem heeft uitgelegd welk bedrag in overeenstemming is met de Nederlandse wettelijke maatstaven. De man wist dus niet wat het verschil was tussen die wettelijke maatstaven en het bedrag dat in het ouderschapsplan is overeengekomen. Er was dus geen sprake van een bewuste afwijking. Hooguit heeft de man het risico genomen van een forse afwijking, maar dat is niet hetzelfde als een welbewuste afwijking. De rechtbank zal de kinderbijdrage daarom herbeoordelen per 26 september 2023.

3.30.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

? Behoefte

3.31.

De man stelt voor om het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) op € 870,- per maand te stellen, naar het hoogste bedrag in de behoeftetabel van het jaar 2023. Omdat de vrouw daar geen verweer tegen heeft gevoerd en omdat het voorstel van de man de rechtbank redelijk voorkomt, zal de rechtbank dit voorstel volgen.

? Draagkracht

3.32.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

3.33.

Hiertoe moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen in 2023 vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2023-2.

3.34.

De rechtbank constateert dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie over het jaar 2023, terwijl hij degene is die wijziging per dat jaar verzoekt. De man stelt dat hij in het jaar 2023 geen draagkracht had, maar dat gerekend mag worden met de recentere inkomensgegevens van de man uit het jaar 2025. De vrouw betwist dat en stelt dat de man ook nog huurinkomsten uit panden had en heeft. De rechtbank kan dit niet controleren, omdat de man zijn belastingaangifte in Turkije en Nederland over het jaar 2023 niet heeft overgelegd. Gegeven het feit dat de man een deel van 2023 stond ingeschreven in Nederland, had het op de weg van de man gelegen om zijn belastingaangifte en andere inkomensgegevens in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Daarom volgt de rechtbank het voorstel van de man om te rekenen met zijn inkomensgegevens over het jaar 2025 niet, maar zal zij eerst de draagkracht van de vrouw berekenen en vervolgens de draagkracht van de man vaststellen op het resterende bedrag dat nodig is om in de behoefte van de minderjarige te kunnen voorzien. Bij gebrek aan andersluidende gegevens gaat de rechtbank ervan uit dat de man dit bedrag kan voldoen.

3.35.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw in 2023 aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting over dat jaar, waarop een jaarloon staat genoemd van € 16.269,-, op € 1.814,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

3.36.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van (afgerond) € 458,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

3.37.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI lager is dan € 1.930,- maar hoger is dan € 1.680,-, vastgesteld aan de hand van de draagkrachttabel 2023 behorende bij het rapport en bedraagt € 97,- per maand.

3.38.

Het voorgaande betekent dat de draagkracht van de man wordt vastgesteld op

€ 773,- per maand (€ 870,- minus € 97,-).

? Zorgkorting

3.39.

Omdat de draagkracht van de man wordt vastgesteld op het resterende bedrag dat nodig is om in de behoefte van de minderjarige te voorzien en er op dit moment geen omgang is tussen hem en de minderjarige, ziet de rechtbank geen aanleiding om een zorgkorting toe te passen.

? Conclusie

3.40.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 773,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.41.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.42.

De rechtbank zal het verzoek van de man daarom deels toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen.

Partnerbijdrage

3.43.

De man verzoekt wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking van

16 juni 2020 of van het ouderschapsplan van 26 september 2023, in die zin dat de partnerbijdrage primair met ingang van 26 september 2023 en subsidiair met ingang van

20 september 2024 op nihil wordt gesteld.

3.44.

Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat het ouderschapsplan rechtsgeldig is, geldt dat in beginsel ook voor de daarin overeengekomen partnerbijdrage. Dat betekent dat zij er dus van uit gaat dat de alimentatieafspraken van het ouderschapsplan de Turkse echtscheidingsbeschikking hebben doen wijzigen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van het ouderschapsplan over de partnerbijdrage beoordelen, en niet zijn verzoek tot wijziging van de Turkse echtscheidingsbeschikking.

3.45.

De man stelt voorwaardelijk (als de rechtbank tot het oordeel komt dat het ouderschapsplan rechtsgeldig is, wat zo is) en primair dat dit ouderschapsplan is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en gewijzigd moet worden. De man stelt subsidiair dat de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat de draagkracht van de man is verminderd terwijl de draagkracht van de vrouw is verhoogd.

3.46.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.47.

De wet biedt op grond van artikel 1:401 lid 5 BW de mogelijkheid een overeenkomst over levensonderhoud te wijzigen als zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijk maatstaven. Dat wil zeggen dat op basis van dezelfde gegevens geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe een rechter zou hebben beslist en die partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan zaken waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

3.48.

Volgens de wettelijke maatstaven wordt de hoogte van de partnerbijdrage begrensd door de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde. De man heeft onweersproken gesteld dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw moet worden vastgesteld op het bedrag van 5.000.00 TL per maand, zoals bepaald in de Turkse echtscheidingsbeschikking van 16 juni 2020. Omgerekend komt dit neer op € 97,50 per maand. Omdat de rechtbank, gelet op de lagere levensstandaard in Turkije, de partnerbijdrage op een manier moet corrigeren naar de Nederlandse levensstandaard, zal zij aansluiting zoeken bij de hiervoor genoemde woonlandfactor. Die factor brengt mee dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw naar Nederlandse maatstaven neerkomt op een bedrag van € 243,75 per maand (€ 97,50 / 40 * 100). Geïndexeerd naar 2023 is dat afgerond € 265,-. Dat is fors lager dan het bedrag van € 1.500,- dat partijen in het ouderschapsplan als partnerbijdrage zijn overeengekomen. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

3.49.

In artikel 7.7. van het ouderschapsplan staat dat ‘The parties have expressly waived an alimoney calculation […]’. Op grond van dezelfde overwegingen als weergegeven in r.o. 3.29. vindt de rechtbank niet dat partijen daarmee bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dat betekent dat er grond is om de partnerbijdrage te herbeoordelen.

3.50.

De rechtbank constateert dat de vrouw in 2023 een netto besteedbaar inkomen had van € 1.356,- per maand. Dat betekent dat de vrouw geen aanvullende behoefte (meer) had aan een partnerbijdrage, zodat het verzoek van de man zal worden toegewezen.

3.51.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de partnerbijdrage per 25 september 2025 van rechtswege is beëindigd. Partijen zijn het daar ook over eens, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. De rechtbank zal op die manier beslissen.

Proceskosten

3.52.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt het ouderschapsplan van 26 september 2023 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 26 september 2023 wordt bepaald op € 773,- per maand;

4.2.

wijzigt het ouderschapsplan van 26 september 2023 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 26 september 2023 wordt bepaald op nihil;

4.3.

verklaart voor recht dat de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw per 25 september 2025 van rechtswege is geëindigd;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van ‘t Zelfde, griffier, op 22 april 2026.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.