RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummers: C/10/712170 / JE RK 25-2649 en C/10/715412 / JE RK 26-369
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een geschil tussen de GI en een ouder
[naam moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[naam vader]
,
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam,
[pleegouders]
,
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de pleegvader en de pleegmoeder, gezamenlijk aangeduid als ‘de pleegouders’,
advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende in Hoorn.
In de zaak van de moeder (met zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649) merkt de rechtbank ook de GI aan als belanghebbende.
In de zaak van de GI (met zaaknummer C/10/715412 / JE RK 26-369) merkt de rechtbank ook de moeder aan als belanghebbende.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure in de zaak van de GI met zaaknummer
C/10/715412 / JE RK 26-369 blijkt uit de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 maart 2026. Op die datum is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg mondeling verlengd tot 14 april 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden en daar zal in deze beschikking schriftelijk op worden beslist.
1.2.
Op 19 december 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met producties) van de moeder van diezelfde datum. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649.
1.3.
Op 24 februari 2026 is ontvangen de briefrapportage van de GI (met bijlagen) van diezelfde datum.
1.4.
Op 27 februari 2026 is ontvangen het schriftelijke standpunt van de vader van diezelfde datum.
1.5.
Ook op 27 februari 2026 is ontvangen het schriftelijke standpunt van de pleegouders van diezelfde datum. Ter zitting heeft de pleegmoeder een brief voorgelezen die na afloop aan het dossier is toegevoegd.
1.6.
De zitting met gesloten deuren, waarop het verzoek van de moeder en het verzoek van de GI gelijktijdig zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;
- de pleegmoeder met haar advocaat.
1.7.
De pleegvader is niet verschenen.
1.8.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.1.
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk aangeduid als de ouders) zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont sinds november 2021 niet meer bij de ouders. Sinds mei 2023 verblijft hij bij de pleegouders.
2.3.
Op 14 december 2022 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , die toen in een pleeggezin verbleef. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 14 september 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is ook steeds verlengd en geldt nu tot 14 april 2026.
Het aangehouden verzoek van de GI
3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de periode van 14 april 2026 tot 14 september 2026.
Het verzoek van de moeder
3.2.
De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij heeft daarbij verzocht te bepalen dat de GI het traject tot terugkeer van [minderjarige] bij de moeder weer opstart en dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder van elke week donderdag uit school tot zaterdagmiddag, wordt hersteld. De moeder heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Overwegingen
Over de uithuisplaatsing en het opgroeiperspectief van [minderjarige]
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank met de GI, de ouders en de pleegouders eens dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. (Voetnoot 1) Anders dan de GI, is de rechtbank van oordeel dat daarbij moet worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
De 11-jarige [minderjarige] woont al ruim vier jaar niet meer bij de ouders. Tussen de ouders, die voorheen samenwoonden, is sprake geweest van huiselijk geweld. Ook zijn er al langere tijd zorgen over de persoonlijke problematiek van de ouders. Doordat de ouders [minderjarige] geen veilige en stabiele opvoedomgeving konden bieden, is hij in november 2021 (in het vrijwillig kader) uit huis geplaatst. Sinds mei 2023 verblijft hij in het huidige pleeggezin. In de afgelopen jaren is het niet tot een terugplaatsing van [minderjarige] gekomen. Eind 2024 is het traject richting een terugplaatsing van [minderjarige] gepauzeerd, na een nieuw geweldsincident tussen de ouders. Vervolgens zijn de ouders, in februari 2025, gestart met het gezinstrainingsprogramma van Enver. Aan de hand hiervan zou verder worden onderzocht of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk is. In november 2025 heeft de GI opnieuw signalen ontvangen van huiselijk geweld tussen de ouders, terwijl [minderjarige] op dat moment bij de moeder thuis verbleef. Na het omgangsweekend van 6 tot 8 november 2025 heeft [minderjarige] verteld over een ruzie tussen de ouders, waarbij de vader geweld tegen de moeder zou hebben gebruikt. Hierna is de omgang tussen [minderjarige] en de ouders tijdelijk opgeschort en heeft de GI besloten dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. De redenen daarvoor zijn de aanhoudende zorgen, het onvoldoende nakomen van eerder door de GI gestelde terugplaatsingsvoorwaarden door de ouders en het (als gevolg van het besluit van de GI) voortijdig eindigen van het GTP-traject. De GI stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] , gezien het lange tijdsverloop, duidelijkheid moet worden geboden en dat niet langer moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing.
5.3.
Vaststaat dat [minderjarige] op dit moment niet terug naar huis kan. Het daarop gerichte traject is immers niet volledig doorlopen. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 september 2026. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is hoe de komende periode moet worden ingevuld.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de GI te vroeg geoordeeld dat een terugplaatsing bij de moeder niet langer onderzocht moet worden. De rechtbank leidt uit de informatie van de GI af dat de uitspraken van [minderjarige] over het huiselijk geweld de directe aanleiding waren voor het stopzetten van het traject richting een terugplaatsing. Hoewel de rechtbank onderkent dat het zorgelijk is dat [minderjarige] deze uitspraken heeft gedaan, stelt de rechtbank ook vast dat onduidelijk is gebleven wat er nu precies tijdens het omgangsweekend van 6 tot 8 november 2025 is gebeurd. Daarbij komt dat de beslissing van de GI om de terugplaatsing te beëindigen onvoldoende wordt ondersteund door de bevindingen van het GTP. Het is de rechtbank niet gebleken dat het GTP het traject wilde beëindigen of daartoe aanleiding zag op basis van hun eigen bevindingen over de veiligheids- en opvoedsituatie bij de moeder. Uit het eindverslag van 17 december 2025 blijkt weliswaar dat het GTP enige zorgen had over de samenwerking met de ouders en dat echte verdieping in het traject vooralsnog uitbleef, maar ook werd gezien dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] liefdevol is en dat het contact met de moeder belangrijk voor [minderjarige] is. Er stond een evaluatiegesprek gepland om met de ouders te bespreken wat er verder nodig was. Nog voordat dit gesprek heeft kunnen plaatsvinden, is het GTP traject echter beëindigd omdat er, door het besluit van de GI, niet meer kon worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De GI heeft onvoldoende onderbouwd welke andere terugplaatsingsvoorwaarden door de ouders niet zijn nagekomen. De omstandigheid dat de GI (nog) geen inzicht heeft gehad in het verloop van de individuele behandelingen van de ouders, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht, nu de ouders ter zitting hebben aangegeven daartoe wel bereid te zijn en eerder contactgegevens met de GI te hebben gedeeld.
5.5.
In haar afweging weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] nog steeds het liefst bij de moeder wil wonen, zo blijkt ook uit het gesprek dat hij met de voorzitter heeft gevoerd, en dat de door de GI beoogde duidelijkheid over het opgroeiperspectief van [minderjarige] er ook niet komt als niet meer wordt toegewerkt naar een terugplaatsing. De GI heeft immers ter zitting aangegeven dat het nog onduidelijk is of het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt. De GI houdt er rekening mee dat de spanningen tussen de ouders en de pleegouders onvoldoende zullen afnemen en dat [minderjarige] in de toekomst alsnog overgeplaatst moet worden om het loyaliteitsconflict, waarin hij zich bevindt, te kunnen wegnemen.
5.6.
Gelet op het voorgaande is het aan de GI om in de komende periode samen met de ouders scherpe(re) veiligheidsafspraken te maken en te monitoren of het de ouders lukt om de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten die zij met hem hebben te waarborgen. Daarbij kan worden gedacht aan de afspraak dat omgang met de ene ouder (voorlopig) niet plaatsvindt in het bijzijn van de andere ouder. Verder is van belang dat het GTP zo snel mogelijk wordt hervat. Indien dat niet mogelijk is, moet een vergelijkbaar traject worden opgestart. Daarbij is het aan de ouders om inzicht te bieden in het verloop van hun individuele behandeltrajecten, zodat dit ook kan worden meegenomen. Verder zullen ook de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder weer moeten worden opgebouwd. Op deze manier moet (verder) worden onderzocht welke mogelijkheden de moeder heeft om weer volledig zorg te dragen voor [minderjarige] .
5.7.
De rechtbank begrijpt dat het voor [minderjarige] mogelijk belastend is dat de GI nu moet terugkomen op de eerdere beslissing om het traject van terugplaatsing te beëindigen. Dat de omgang met de ouders en het traject van terugplaatsing bij de moeder zijn stopgezet (vrijwel) direct na de uitlatingen van [minderjarige] over geweld tussen de ouders, moet echter ook belastend voor hem zijn. Bovendien is het in het belang van [minderjarige] dat alles is geprobeerd om een terugplaatsing te realiseren, zoals hij ook graag wil. Dat is nu, naar het oordeel van de rechtbank, nog niet het geval.
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het benoemen van een bijzondere curator, zoals de GI heeft voorgesteld, acht de rechtbank op dit moment niet noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . (Voetnoot 2)
Over de geschillenregeling
5.10.
Gelet op het voorgaande heeft de moeder geen belang bij verdere beoordeling en toewijzing van het verzoek aangaande de geschillenregeling. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af.