Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:6791

Op 31 March 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/712170 / JE RK 25-2649 en C/10/715412 / JE RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6791. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/712170 / JE RK 25-2649 en C/10/715412 / JE RK
Datum uitspraak:
31 March 2026
Datum publicatie:
12 June 2026
Advocaat:
mr. W.R Arema;mr. L.A Middelkoop;mr. K Walburg

Indicatie

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een geschil tussen de GI en een ouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de GI te vroeg geoordeeld dat een terugplaatsing bij de moeder niet langer onderzocht moet worden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummers: C/10/712170 / JE RK 25-2649 en C/10/715412 / JE RK 26-369

Datum uitspraak: 31 maart 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een geschil tussen de GI en een ouder

in de zaken van

[naam moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:

[naam vader] ,

wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam,

[pleegouders] ,

wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de pleegvader en de pleegmoeder, gezamenlijk aangeduid als ‘de pleegouders’,

advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende in Hoorn.

In de zaak van de moeder (met zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649) merkt de rechtbank ook de GI aan als belanghebbende.

In de zaak van de GI (met zaaknummer C/10/715412 / JE RK 26-369) merkt de rechtbank ook de moeder aan als belanghebbende.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak van de GI met zaaknummer

C/10/715412 / JE RK 26-369 blijkt uit de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 maart 2026. Op die datum is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg mondeling verlengd tot 14 april 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden en daar zal in deze beschikking schriftelijk op worden beslist.

1.2.

Op 19 december 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met producties) van de moeder van diezelfde datum. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649.

1.3.

Op 24 februari 2026 is ontvangen de briefrapportage van de GI (met bijlagen) van diezelfde datum.

1.4.

Op 27 februari 2026 is ontvangen het schriftelijke standpunt van de vader van diezelfde datum.

1.5.

Ook op 27 februari 2026 is ontvangen het schriftelijke standpunt van de pleegouders van diezelfde datum. Ter zitting heeft de pleegmoeder een brief voorgelezen die na afloop aan het dossier is toegevoegd.

1.6.

De zitting met gesloten deuren, waarop het verzoek van de moeder en het verzoek van de GI gelijktijdig zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;

- de pleegmoeder met haar advocaat.

1.7.

De pleegvader is niet verschenen.

1.8.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2
De feiten
2.1.

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk aangeduid als de ouders) zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont sinds november 2021 niet meer bij de ouders. Sinds mei 2023 verblijft hij bij de pleegouders.

2.3.

Op 14 december 2022 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , die toen in een pleeggezin verbleef. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 14 september 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is ook steeds verlengd en geldt nu tot 14 april 2026.

3
De verzoeken

Het aangehouden verzoek van de GI

3.1.

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over de periode van 14 april 2026 tot 14 september 2026.

Het verzoek van de moeder

3.2.

De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij heeft daarbij verzocht te bepalen dat de GI het traject tot terugkeer van [minderjarige] bij de moeder weer opstart en dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder van elke week donderdag uit school tot zaterdagmiddag, wordt hersteld. De moeder heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4
De standpunten

Het standpunt van de GI

4.1.

De GI heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. Er is al meerdere keren geprobeerd toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Daarvoor is specialistische ambulante hulpverlening (SPAM) ingezet. In 2024 was al afgesproken dat [minderjarige] na de zomer weer thuis bij de moeder zou gaan wonen. Vanwege een nieuw geweldsincident dat zich tussen de ouders had voorgedaan, is dat traject echter gestagneerd en is [minderjarige] destijds niet thuisgeplaatst. Hierna is de relatie tussen de ouders beëindigd en is er, met de inzet van het Gezinstrainingsprogramma (GTP) van Enver, toegewerkt naar een thuisplaatsing bij de moeder. In dat kader zijn er tijdens de zitting in september 2025 afspraken gemaakt over uitbreiding van de omgang. Afgesproken werd dat [minderjarige] wekelijks van donderdag tot zaterdag bij de moeder zal zijn en dat de GTP-trainer op huisbezoek zal komen. Op 16 oktober 2025 heeft er bij de moeder thuis een woordenwisseling plaatsgevonden tussen de vader en de GTP-trainer, waarbij door de vader grensoverschrijdend is gesproken en geschreeuwd, terwijl [minderjarige] ook bij de moeder thuis was. Vervolgens, in november 2025, meldde de pleegmoeder dat [minderjarige] na het omgangsweekend van 6 tot 8 november 2025 behoorlijk van slag terugkwam, omdat de ouders toen ruzie zouden hebben gehad. [minderjarige] zou opnieuw getuige zijn geweest van huiselijk geweld, waarbij de vader de moeder zou hebben geslagen. De ouders ontkennen dat en geven aan dat [minderjarige] dit verzonnen heeft. Voor de GI is het lastig om aan waarheidsvinding te doen. [minderjarige] was echter heel consequent en gedetailleerd in zijn verhaal, waardoor zijn uitspraken betrouwbaar overkomen. Naar aanleiding hiervan heeft de GI – na intern overleg – besloten dat niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en is het GTP traject beëindigd. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is dus nodig. De komende periode wil de GI een perspectiefbesluit nemen over waar [minderjarige] verder zal opgroeien. Het is nog niet duidelijk of dat in het huidige pleeggezin zal zijn. Dat heeft te maken met de spanningen die er zijn tussen de ouders en de pleegouders. Zij maken elkaar over en weer verwijten. [minderjarige] heeft daar last van. De GI vraagt zich af of het passend is om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen.

Het standpunt van de moeder

4.2.

De moeder heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd. Namens en door haar is – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Vanaf september 2025 is er opnieuw toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder heeft zich daar maximaal voor ingezet. [minderjarige] ging elke week van donderdag tot zaterdagmiddag naar de moeder. Hierdoor kon de GTP-trainer op een doordeweekse dag langskomen en kon de moeder laten zien dat zij [minderjarige] op tijd naar school kan brengen. Dat lukte goed, zo blijkt zowel uit de verslagen van het GTP als de verslagen van de moeder. Uit de verslagen van het GTP blijkt verder dat een warme band tussen [minderjarige] en de moeder wordt gezien. Volgens de GI heeft de GTP-trainer aangegeven geen diepgang te kunnen bereiken met de ouders. Dat is echter nooit naar de ouders gecommuniceerd. Ter zitting heeft de GI twee redenen genoemd voor het stopzetten van het traject van thuisplaatsing van [minderjarige] , namelijk het incident met de GTP-trainer op 16 oktober 2025 en het vermeende incident tussen de ouders in het weekend van 6 tot 8 november 2025. Beide ouders hebben direct aangegeven dat er tijdens het omgangsweekend in november 2025 geen ruzie of huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. De vader was ten tijde van het vermeende incident ook niet bij de moeder thuis. Dat heeft hij kunnen aantonen met behulp van Google Maps-gegevens op zijn telefoon. De GI heeft daar echter niets mee gedaan.

In de briefrapportage van 24 februari 2026 heeft de GI de eerder gestelde terugplaatsingsvoorwaarden opgenomen. De moeder ziet niet in aan welke van die voorwaarden de ouders niet voldoen. De ouders hebben meegewerkt aan (individuele) hulpverlening. Zij hebben zich ingezet voor het GTP, zijn naar een systeemtherapeut geweest om te werken aan hun relatie als ouders en de moeder is zelf in therapie gegaan. Afgezien van het incident met de GTP-trainer, is binnen het GTP nooit iets opgemerkt over het niet herkennen of niet kunnen reguleren van emoties door de ouders. Dat [minderjarige] spanning ervaart klopt, maar dat is onoverkomelijk. Vanaf het begin botert het niet tussen de ouders en de pleegouders. [minderjarige] groeit op in twee verschillende werelden. Dat zorgt ervoor dat hij in een groot loyaliteitsconflict zit tussen de ouders aan de ene kant en de pleegouders aan de andere kant. [minderjarige] zegt al heel lang dat hij terug naar huis wil. Toch verblijft hij al lange tijd niet thuis. De moeder ziet in dat [minderjarige] niet direct terug naar huis kan en dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nodig is. De moeder wil echter dat het traject van toewerken naar thuisplaatsing van [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat en dat [minderjarige] weer elke week van donderdag tot zaterdag bij haar verblijft. De moeder maakt zich zorgen over de situatie in het pleeggezin. Zij heeft het gevoel dat [minderjarige] daar wordt geconfronteerd met alles wat tussen de ouders en de pleegouders besproken wordt.

Het standpunt van de vader

4.3.

Namens en door de vader is ter zitting aangesloten bij het standpunt van de moeder. In aanvulling daarop is – samengevat – het volgende naar voren gebracht. GTP is gestopt omdat de GI had besloten om niet meer toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] en nadrukkelijk niet omdat er te weinig vooruitgang zou zijn geboekt. De beslissing van de GI is grotendeels gebaseerd op een vermeend incident van huiselijk geweld dat in november 2025 zou hebben plaatsgevonden, terwijl de vader direct nadat dit aan de orde kwam heeft aangetoond dat hij die bewuste dag niet in de woning van de moeder is geweest. Het is bijzonder dat zo’n ingrijpende beslissing is gebaseerd op een incident waar zoveel vraagtekens bij worden gezet. De GTP-trainer is erg positief geweest, met name over de relatie tussen [minderjarige] en de moeder. Met de vader zelf is het een tijd niet goed gegaan. Daar lagen meerdere persoonlijke gebeurtenissen aan ten grondslag. Nu gaat het beter. De vader is vrijwillig in behandeling geweest bij Antes. Daarnaast hebben de ouders samen ongeveer twintig sessies gevolgd gericht op gezamenlijk ouderschap en hun zakelijk partnerschap. De situatie tussen de ouders is gestabiliseerd.

De moeder voldoet aan alle, door de GI gestelde, voorwaarden voor terugplaatsing van [minderjarige] . Zij draagt op dit moment ook de volledige zorg voor [persoon A] , de zoon van de vader (en stiefbroertje van [minderjarige] ), die bij haar woont omdat dat de beste plek voor hem is. Het is van belang dat het GTP in de komende periode wordt hervat, en als dat niet kan, dat multisysteemtherapie wordt ingezet.

Het standpunt van de pleegmoeder

4.4.

Namens en door de pleegmoeder is ter zitting aangesloten bij het standpunt van de GI. In aanvulling daarop is – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Tijdens de vorige zitting is besproken dat er duidelijkheid moet komen over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Het zal [minderjarige] rust geven als niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing bij de moeder. Als de rechtbank het verzoek van de moeder toewijst blijft het de vraag of thuisplaatsing van [minderjarige] daadwerkelijk mogelijk is, terwijl er nu duidelijkheid nodig is. Uit alle stukken blijkt dat er in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Het gaat dus niet alleen over het incident in november 2025. Ook blijkt uit de stukken dat de ouders onvoldoende hebben meegewerkt aan hulpverlening. Zo hebben zij niet geprofiteerd van het GTP. De ervaring van de pleegouders is dat de ouders zich al langere tijd niet aan de afspraken houden, bijvoorbeeld door [minderjarige] te laat terug te brengen na een omgangsmoment. De pleegouders bieden [minderjarige] een perspectiefbiedende plek, maar snappen dat de GI wil onderzoeken of [minderjarige] bij hen op zijn plek zit.

Het verzoek van de moeder moet worden afgewezen. Het verzoek komt in de kern neer op een toetsing van een perspectiefbesluit en daarvoor is de geschillenregeling, genoemd in artikel 1:262b BW, niet bedoeld. Daarbij komt dat het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling nauwelijks is toegelicht. Ook zou de omgangsregeling zoals door de moeder is voorgesteld de omgangsregeling met de vader doorkruisen.

Overwegingen

5
De beoordeling

Over de uithuisplaatsing en het opgroeiperspectief van [minderjarige]

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank met de GI, de ouders en de pleegouders eens dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. (Voetnoot 1) Anders dan de GI, is de rechtbank van oordeel dat daarbij moet worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank legt hierna uit waarom.

5.2.

De 11-jarige [minderjarige] woont al ruim vier jaar niet meer bij de ouders. Tussen de ouders, die voorheen samenwoonden, is sprake geweest van huiselijk geweld. Ook zijn er al langere tijd zorgen over de persoonlijke problematiek van de ouders. Doordat de ouders [minderjarige] geen veilige en stabiele opvoedomgeving konden bieden, is hij in november 2021 (in het vrijwillig kader) uit huis geplaatst. Sinds mei 2023 verblijft hij in het huidige pleeggezin. In de afgelopen jaren is het niet tot een terugplaatsing van [minderjarige] gekomen. Eind 2024 is het traject richting een terugplaatsing van [minderjarige] gepauzeerd, na een nieuw geweldsincident tussen de ouders. Vervolgens zijn de ouders, in februari 2025, gestart met het gezinstrainingsprogramma van Enver. Aan de hand hiervan zou verder worden onderzocht of een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk is. In november 2025 heeft de GI opnieuw signalen ontvangen van huiselijk geweld tussen de ouders, terwijl [minderjarige] op dat moment bij de moeder thuis verbleef. Na het omgangsweekend van 6 tot 8 november 2025 heeft [minderjarige] verteld over een ruzie tussen de ouders, waarbij de vader geweld tegen de moeder zou hebben gebruikt. Hierna is de omgang tussen [minderjarige] en de ouders tijdelijk opgeschort en heeft de GI besloten dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. De redenen daarvoor zijn de aanhoudende zorgen, het onvoldoende nakomen van eerder door de GI gestelde terugplaatsingsvoorwaarden door de ouders en het (als gevolg van het besluit van de GI) voortijdig eindigen van het GTP-traject. De GI stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] , gezien het lange tijdsverloop, duidelijkheid moet worden geboden en dat niet langer moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing.

5.3.

Vaststaat dat [minderjarige] op dit moment niet terug naar huis kan. Het daarop gerichte traject is immers niet volledig doorlopen. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk. Daartegen is ook geen verweer gevoerd. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 september 2026. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is hoe de komende periode moet worden ingevuld.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de GI te vroeg geoordeeld dat een terugplaatsing bij de moeder niet langer onderzocht moet worden. De rechtbank leidt uit de informatie van de GI af dat de uitspraken van [minderjarige] over het huiselijk geweld de directe aanleiding waren voor het stopzetten van het traject richting een terugplaatsing. Hoewel de rechtbank onderkent dat het zorgelijk is dat [minderjarige] deze uitspraken heeft gedaan, stelt de rechtbank ook vast dat onduidelijk is gebleven wat er nu precies tijdens het omgangsweekend van 6 tot 8 november 2025 is gebeurd. Daarbij komt dat de beslissing van de GI om de terugplaatsing te beëindigen onvoldoende wordt ondersteund door de bevindingen van het GTP. Het is de rechtbank niet gebleken dat het GTP het traject wilde beëindigen of daartoe aanleiding zag op basis van hun eigen bevindingen over de veiligheids- en opvoedsituatie bij de moeder. Uit het eindverslag van 17 december 2025 blijkt weliswaar dat het GTP enige zorgen had over de samenwerking met de ouders en dat echte verdieping in het traject vooralsnog uitbleef, maar ook werd gezien dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] liefdevol is en dat het contact met de moeder belangrijk voor [minderjarige] is. Er stond een evaluatiegesprek gepland om met de ouders te bespreken wat er verder nodig was. Nog voordat dit gesprek heeft kunnen plaatsvinden, is het GTP traject echter beëindigd omdat er, door het besluit van de GI, niet meer kon worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De GI heeft onvoldoende onderbouwd welke andere terugplaatsingsvoorwaarden door de ouders niet zijn nagekomen. De omstandigheid dat de GI (nog) geen inzicht heeft gehad in het verloop van de individuele behandelingen van de ouders, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht, nu de ouders ter zitting hebben aangegeven daartoe wel bereid te zijn en eerder contactgegevens met de GI te hebben gedeeld.

5.5.

In haar afweging weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] nog steeds het liefst bij de moeder wil wonen, zo blijkt ook uit het gesprek dat hij met de voorzitter heeft gevoerd, en dat de door de GI beoogde duidelijkheid over het opgroeiperspectief van [minderjarige] er ook niet komt als niet meer wordt toegewerkt naar een terugplaatsing. De GI heeft immers ter zitting aangegeven dat het nog onduidelijk is of het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt. De GI houdt er rekening mee dat de spanningen tussen de ouders en de pleegouders onvoldoende zullen afnemen en dat [minderjarige] in de toekomst alsnog overgeplaatst moet worden om het loyaliteitsconflict, waarin hij zich bevindt, te kunnen wegnemen.

5.6.

Gelet op het voorgaande is het aan de GI om in de komende periode samen met de ouders scherpe(re) veiligheidsafspraken te maken en te monitoren of het de ouders lukt om de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten die zij met hem hebben te waarborgen. Daarbij kan worden gedacht aan de afspraak dat omgang met de ene ouder (voorlopig) niet plaatsvindt in het bijzijn van de andere ouder. Verder is van belang dat het GTP zo snel mogelijk wordt hervat. Indien dat niet mogelijk is, moet een vergelijkbaar traject worden opgestart. Daarbij is het aan de ouders om inzicht te bieden in het verloop van hun individuele behandeltrajecten, zodat dit ook kan worden meegenomen. Verder zullen ook de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder weer moeten worden opgebouwd. Op deze manier moet (verder) worden onderzocht welke mogelijkheden de moeder heeft om weer volledig zorg te dragen voor [minderjarige] .

5.7.

De rechtbank begrijpt dat het voor [minderjarige] mogelijk belastend is dat de GI nu moet terugkomen op de eerdere beslissing om het traject van terugplaatsing te beëindigen. Dat de omgang met de ouders en het traject van terugplaatsing bij de moeder zijn stopgezet (vrijwel) direct na de uitlatingen van [minderjarige] over geweld tussen de ouders, moet echter ook belastend voor hem zijn. Bovendien is het in het belang van [minderjarige] dat alles is geprobeerd om een terugplaatsing te realiseren, zoals hij ook graag wil. Dat is nu, naar het oordeel van de rechtbank, nog niet het geval.

5.8.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.9.

Het benoemen van een bijzondere curator, zoals de GI heeft voorgesteld, acht de rechtbank op dit moment niet noodzakelijk in het belang van [minderjarige](Voetnoot 2)

Over de geschillenregeling

5.10.

Gelet op het voorgaande heeft de moeder geen belang bij verdere beoordeling en toewijzing van het verzoek aangaande de geschillenregeling. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom af.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Biemond, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. S. Riege en mr. D.G.J. Roset, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking betreffende de geschillenregeling staat geen hoger beroep open. (Voetnoot 3)

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.

Voetnoot 2

Artikel 250, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Voetnoot 3

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.