RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: C/10/715412 / JE RK 26-369
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam,
[vader]
,
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam,
gezamenlijk aangeduid als ‘de ouders’.
Verder merkt de rechtbank als belanghebbenden aan:
[pleegouders]
,
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de pleegvader en de pleegmoeder, gezamenlijk aangeduid als ‘de pleegouders’,
advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende in Hoorn.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
Op 24 februari 2026 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;
- de pleegmoeder met haar advocaat.
1.3.
De pleegvader is niet verschenen.
1.4.
Het verzoek van de GI is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de moeder met zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649.
1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont sinds november 2021 niet meer bij de ouders. Sinds mei 2023 verblijft hij bij de pleegouders.
2.3.
Op 14 december 2022 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , die toen in een pleeggezin verbleef. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 14 september 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is ook steeds verlengd en geldt nu tot 14 maart 2026.
Overwegingen
4.1.
Gelet op de complexiteit van de voorliggende verzoeken is de periode tussen de zitting van 3 maart 2026 en de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten 14 maart 2026, te kort om een beschikking te wijzen ten aanzien van zowel het verzoek van de GI als het, daarmee samenhangende, verzoek van de moeder. Het voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing is in ieder geval noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] tot beide verzoeken inhoudelijk zijn beoordeeld. Daar zijn partijen het ook over eens. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing daarom met een maand, dus tot 14 april 2026. De schriftelijke beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI en het verzoek van de moeder volgt uiterlijk op 31 maart 2026.
4.2.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.