Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:6794

Op 3 March 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/715412 / JE RK 26-369, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6794. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/715412 / JE RK 26-369
Datum uitspraak:
3 March 2026
Datum publicatie:
12 June 2026
Advocaat:
mr. W.R Arema;mr. L.A Middelkoop;mr. K Walburg

Indicatie

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/715412 / JE RK 26-369

Datum uitspraak: 3 maart 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam,

[vader] ,

wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam,

gezamenlijk aangeduid als ‘de ouders’.

Verder merkt de rechtbank als belanghebbenden aan:

[pleegouders] ,

wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de pleegvader en de pleegmoeder, gezamenlijk aangeduid als ‘de pleegouders’,

advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende in Hoorn.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

Op 24 februari 2026 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 28 januari 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

de vader met zijn advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;

- de pleegmoeder met haar advocaat.

1.3.

De pleegvader is niet verschenen.

1.4.

Het verzoek van de GI is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de moeder met zaaknummer C/10/712170 / JE RK 25-2649.

1.5.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2
De feiten
2.1.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont sinds november 2021 niet meer bij de ouders. Sinds mei 2023 verblijft hij bij de pleegouders.

2.3.

Op 14 december 2022 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , die toen in een pleeggezin verbleef. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 14 september 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is ook steeds verlengd en geldt nu tot 14 maart 2026.

3
Het verzoek
3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 14 september 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Overwegingen

4
De beoordeling
4.1.

Gelet op de complexiteit van de voorliggende verzoeken is de periode tussen de zitting van 3 maart 2026 en de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten 14 maart 2026, te kort om een beschikking te wijzen ten aanzien van zowel het verzoek van de GI als het, daarmee samenhangende, verzoek van de moeder. Het voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing is in ieder geval noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] tot beide verzoeken inhoudelijk zijn beoordeeld. Daar zijn partijen het ook over eens. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing daarom met een maand, dus tot 14 april 2026. De schriftelijke beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI en het verzoek van de moeder volgt uiterlijk op 31 maart 2026.

4.2.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 april 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat uiterlijk

31 maart 2026 een schriftelijke uitspraak zal volgen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. H. Biemond, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S. Riege en mr. D.G.J. Roset, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.