Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht
ECLI:NL:RBROT:2026:6797
Op 10 April 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/705850 / JE RK 25-1791, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6797. De plaats van zitting was Rotterdam.
Advocaat:
mr. W.J. Oomkes
Indicatie
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Na een incident is de omgang tussen de moeder en de minderjarige “tijdelijk” stopgezet. Ter zitting blijkt dat er bijna twee maanden na het bewuste incident, nog steeds geen contact is tussen de moeder en de minderjarige. Er zijn, ook door wisselingen van betrokken jeugdbeschermers, ook geen concrete plannen gemaakt om die omgang te hervatten, of eisen gesteld waaraan de moeder zou moeten voldoen. Het is van groot belang dat de omgang tussen de moeder en de minderjarige direct weer wordt hervat.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: C/10/705850 / JE RK 25-1791
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Oomkes, kantoorhoudende in Vlaardingen,
[tante]
,
hierna te noemen [tante] , wonende te [geboorteplaats] ..
1
Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 14 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het briefrapport van de GI van 26 maart 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
Op 10 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
[tante] ;
een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [tante] .
2.3.
Bij beschikking van 14 oktober 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 oktober 2026. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante van moederszijde,
[tante] , tot 25 april 2026 en de beslissing op het overig verzochte aangehouden.
3.1.
De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft dit verzoek begrepen als een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante van moederszijde.
3.2.
Op een deel van dit verzoek is al beslist. De kinderrechter moet nog beslissen over het resterende deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 25 april 2026 tot 14 oktober 2026.
3.3.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. Voorheen zag de moeder [minderjarige] elke woensdag en in de weekenden. Na het incident op 15 februari 2026 – dat uitgebreid staat beschreven in de briefrapportage – heeft de GI besloten dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] tijdelijk wordt stopgezet. Belangrijk is dat de moeder geen alcohol heeft gedronken wanneer zij [minderjarige] ziet. Daarom is afgesproken dat elke dinsdag een urinecontrole wordt afgenomen bij de moeder. Als de uitslag van die controle negatief is, kan het omgangsmoment op woensdag doorgang vinden. De vraag is echter of deze manier van controle haalbaar en betrouwbaar is.
4.1.
Namens en door de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Tijdens de vorige zitting op 14 oktober 2025 werd al besproken hoe kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Het idee was dat [minderjarige] nog tot de zomervakantie bij [tante] zou blijven wonen, zodat hij niet midden in het schooljaar van school hoeft te wisselen, en dat hij daarna weer bij de moeder zou gaan wonen. Dit veranderde na het incident op 15 februari 2026 – overigens heeft de moeder een andere kijk op dat incident. Het is onbegrijpelijk dat de GI na dit incident heeft besloten om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] voor onbepaalde tijd stop te zetten. Het is van groot belang dat de moeder en [minderjarige] elkaar weer kunnen zien, desnoods onder toeziend oog van [tante] . Mogelijk kan [minderjarige] - met de inzet van opvoedondersteuning – dan binnen drie maanden weer thuis bij de moeder wonen. De moeder refereert zich dan ook aan het oordeel van de kinderrechter voor zover dat ziet op een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden. Wat betreft de overige drie maanden verzoekt de moeder deze af te wijzen, dan wel aan te houden.
4.2.
[tante] geeft ter zitting aan dat [minderjarige] zijn moeder graag weer wil zien. [minderjarige] kwam altijd vrolijk terug na omgangsmomenten met de moeder.
Overwegingen
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. (Voetnoot 1)
5.2.
De 6-jarige [minderjarige] is in april 2024 uit huis geplaatst, omdat de moeder in verband met haar alcoholproblematiek onvoldoende in staat was om een veilige en stabiele thuissituatie te bieden. Later dat jaar is [minderjarige] bij [tante] gaan wonen. Daar woont hij nu nog. In het afgelopen jaar heeft de moeder grote stappen gezet. Zij heeft meegewerkt aan de hulpverlening en de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder verliepen goed. Daarom kon worden gekeken naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [minderjarige] . Ter zitting van 14 oktober 2025 werd besproken dat de bezoekmomenten stapsgewijs verder worden opgebouwd, zodat bekeken kan worden hoe die bezoeken verlopen wanneer [minderjarige] voor langere periodes thuis is.
5.3.
Onduidelijk is hoe de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] daarna zijn verlopen. Volgens de moeder en [tante] is [minderjarige] altijd vrolijk als hij zijn moeder kan zien. Na het incident op 15 februari 2026 heeft de GI echter besloten om de omgang tussen [minderjarige] en de moeder stop te zetten. Hoewel de GI in haar briefrapportage van
26 maart 2026 schrijft dat de omgang “tijdelijk” is stopgezet, blijkt ter zitting dat er nu, bijna twee maanden na het bewuste incident, nog steeds geen contact is tussen de moeder en [minderjarige] . Er zijn, ook door wisselingen van betrokken jeugdbeschermers, ook geen concrete plannen gemaakt om die omgang te hervatten, of eisen gesteld waaraan de moeder zou moeten voldoen. Dat is schrijnend. Het is van groot belang dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] direct weer wordt hervat. Daarbij is het aan de GI om – bijvoorbeeld - afspraken te maken over hoe en door wie een inschatting kan worden gemaakt of de moeder alcohol gedronken heeft en of het bezoekmoment door kan gaan. Wanneer de GI toch meent dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] (tijdelijk) moeten worden beperkt, moeten zij dat ook kenbaar maken aan de moeder bij wijze van een schriftelijke aanwijzing.
5.4.
De komende tijd moet worden gekeken welke stappen nog moeten worden gezet om een thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk te kunnen maken. Daarbij is het belangrijk dat voor de moeder duidelijk is wat daarin van haar wordt verwacht. Aan de GI de taak om dit alles te monitoren.
5.5.
Om een vinger aan de pols te houden en te bezien of de GI haar taak ook daadwerkelijk zal uitvoeren, zal de kinderrechter – in lijn met het voorstel van de advocaat van de moeder – de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden verlengen en het overig verzochte aanhouden. In afstemming met partijen is een nieuwe zittingsdatum bepaald op [datum] .
5.6.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum te rapporteren over de laatste stand van zaken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Beslissing
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juli 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en mr. W.J. Oomkes, en [tante] op te verschijnen tijdens de zitting van
mr. W.J. Loorbach van de rechtbank Rotterdam in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam, op [datum] om [tijdstip], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.3.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.