Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht
ECLI:NL:RBROT:2026:6956
Op 8 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/719117 / JE RK 26-843, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6956. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: C/10/719117 / JE RK 26-843
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 april 2026, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 juni 2026.
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. Er zijn positieve ontwikkelingen zichtbaar, maar het blijkt voor de moeder nog lastig om deze structureel vast te houden. Er zijn zorgen over het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn gezondheid, in het bijzonder zijn overgewicht. Hoewel de moeder hiervoor ondersteuning ontvangt en betrokken hulpverlening aanwezig is, lukt het haar onvoldoende om adviezen en begeleiding duurzaam toe te passen. De GI ziet geen onwil bij de moeder, maar vooral onmacht die mede samenhangt met haar eigen problematiek en traumatische ervaringen. Om die reden is voortzetting van het gedwongen kader nog noodzakelijk.
Overwegingen
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. (Voetnoot 1) De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij gaat het met name om zijn schoolverzuim, zijn gezondheid en de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Hoewel er vooruitgang zichtbaar is en de moeder hulpverlening accepteert, blijkt het voor haar moeilijk om positieve ontwikkelingen vast te houden. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de GI in de komende periode betrokken blijft om de moeder te ondersteunen en toezicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Beslissing
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 15 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 1:260 BW.