Rechtbank Rotterdam, beschikking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBROT:2026:8571

Op 12 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/10/719447 / JE RK 26-889, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:8571. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/10/719447 / JE RK 26-889
Datum uitspraak:
12 June 2026
Datum publicatie:
14 July 2026

Indicatie

Ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/719447 / JE RK 26-889

Datum uitspraak: 12 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2026 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. R.A.A.H. van Leur uit Dordrecht;

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd in Amsterdam.

1
Het verloop van de procedure
1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;

de rectificatie van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.

2
De feiten
2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 maart 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 13 juni 2026.

3
Het verzoek
3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. Er zijn onder meer zorgen over het middelengebruik van de moeder en haar beperkte draagkracht. [minderjarige 1] is een kwetsbare baby en [minderjarige 2] vraagt door zijn autisme extra opvoedvaardigheden. Een ondertoezichtstelling is nodig zodat de ingezette hulpverlening intensief betrokken kan blijven. Positief is dat de moeder hieraan meewerkt.

4
De standpunten
4.1.

De GI sluit zich ter zitting aan bij het verzoek van de Raad. De samenwerking met de moeder verloopt goed en in september kan de intensieve hulp van ASVZ gaan starten. De GI wil de situatie de komende negen maanden blijven monitoren en de ingezette hulp continueren.

4.2.

Door en namens de moeder is verzocht een ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden te verlenen, tot ASVZ gaat starten, en de rest van het verzoek aan te houden om te bekijken of de moeder de hulp krijgt die zij nodig heeft. De moeder staat open voor de hulpverlening, werkt mee met Antes en gebruikt geen middelen meer. Een ondertoezichtstelling voor een kortere duur dan verzocht zou voor haar een blijk van vertrouwen betekenen.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. (Voetnoot 1) De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Er zijn onder meer zorgen over het middelengebruik van de moeder tijdens en na de zwangerschap van [minderjarige 1] . De moeder heeft recent nog positief getest. Daarnaast is sprake van een instabiele leefsituatie, financiƫle problemen en een beperkte draagkracht van de moeder. [minderjarige 2] heeft door zijn autisme specifieke behoeften in de opvoeding en ook [minderjarige 1] heeft als kwetsbare baby veel zorg nodig. De moeder lijkt dit ook in te zien en werkt mee aan de hulpverlening, maar het risico bestaat dat de zorg voor de kinderen onvoldoende gewaarborgd kan worden als zij terugvalt in middelengebruik of overvraagd raakt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het van belang is dat blijvend zicht worden gehouden op de opvoedsituatie. De jeugdbeschermer kan erop toezien dat ASVZ gaat starten, dat de moeder blijft meewerken met Antes en dat het goed blijft gaan met de kinderen. De verzochte duur van de ondertoezichtstelling van negen maanden is hiervoor een passende periode. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht voor de verzochte duur.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Beslissing

6
De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 12 juni 2026 tot 12 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.R. van Staveren als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 1:255 BW.