Rechtbank Rotterdam, beslissing rc strafrecht overig
ECLI:NL:RBROT:2021:13759
Op 15 September 2021 heeft de Rechtbank Rotterdam een beslissing rc procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10/996783-19, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2021:13759. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Verzoek om getuigen te horen over de herkomst van het vermogen van de verdachte door de rechter-commissaris afgewezen. Nu de verdachte geen concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het door hem opgegeven vermogen kan aan een verificatie daarvan aan de hand van het horen van getuigen niet worden toegekomen
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Kabinet rechter-commissaris
BESCHIKKING VERZOEK EX ART. 182 WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Parketnummer : 10/996783-19
RC-nummer : 20/1170
De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam heeft een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 182 Wetboek van Strafvordering ontvangen, in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] op [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Procedure
Mede naar aanleiding van de regiebijeenkomst die plaatsvond op 5 juli 2021 heeft de rechter-commissaris op 6 juli 2021 het verzoek om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen afgewezen. Daarnaast heeft de rechter-commissaris de advocaat verzocht om administratie van haar cliënt aan te leveren. Hij heeft het 182 Sv-verzoek van de verdediging voor het overige aangehouden in afwachting van de door de advocaat aan te leveren stukken. Verwezen zij verder naar het proces-verbaal van de regiebijeenkomst van 5 juli 2021 en de tussenbeslissing van 6 juli 2021.
Per e-mail van 16 augustus 2021 heeft de raadsvrouw aan de rechter-commissaris een pdf-bestand gestuurd met informatie in het Spaans opgesteld. De rechter-commissaris heeft de informatie naar het Nederlands laten vertalen en onder de verdediging en het openbaar ministerie verspreid. De stukken zouden volgens de verdediging licht moeten werpen op het ontstaan van het beginvermogen waarmee de verdachte met cryptovaluta is gaan handelen en waarmee hij in het jaar 2018 een bedrag van ruim 6,5 miljoen euro zou hebben verdiend. Het startkapitaal van zijn cryptovalutahandel zou de verdachte naar eigen zeggen immers hebben verdiend met zijn handel in telefoons in Colombia.
De verdediging zou de boekhouder van de verdachte in Colombia, [naam 1] hierover vragen willen stellen. Tevens wil de verdediging [naam 2] vragen stellen over de bedrijfsactiviteiten van de verdachte in Colombia. De heren [naam 3] en [naam 4] zouden kunnen verklaren over de legale herkomst van hun in 2017 aan de verdachte verstrekte leningen van respectievelijk € 60.500 en € 20.000.
Overwegingen
Beoordeling
Het door de raadsvrouw ingebrachte stuk betreft vermogensvergelijkingen met betrekking tot de verdachte over de jaren 2014 tot 2019 en bevat gegevens over het salaris en een dividendbetaling die de verdachte zou hebben ontvangen van [naam bedrijf] . Het salaris dat de verdachte volgens dit stuk zou hebben ontvangen in de jaren tot 2017 komt overeen met de cijfers uit de stukken van de Kamer van Koophandel en de opgaven van de verdachte van zijn inkomen aan de belastingdienst in Colombia die zich in het dossier bevinden (zie Zaaksdossier Aanvulling op ZD-OOl-01 t/m3, proces-verbaal van 14 april 2021). Het nieuwe door de raadsvrouw verstrekte cijfermateriaal werpt derhalve geen nieuw licht op het vermogen dat de verdachte in Colombia zou hebben opgebouwd. De hoogte van de bedragen (in 2015: €2.629, in 2016: €24.958 en in 2017: €14.671 en een dividenduitkering in 2017 van €34.507) komen ondertussen niet in de buurt van wat de verdachte aan beginvermogen zou hebben opgebouwd voor zijn cryptovalutahandel (in 2017 een kleine €300.000), temeer als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de verdachte in die jaren naar verwachting ook kosten zal hebben moeten maken voor zijn levensonderhoud. Dat de opgave door de verdachte aan de belastingdienst van zijn inkomen over het jaar 2015 hoger is (€ 24.989) dan uit de cijfers van de Kamer van Koophandel en de nieuw over gelegde cijfers kan blijken, verandert niets aan die conclusie.
Het is overigens niet duidelijk waar de stukken die de raadsvrouw heeft over gelegd vandaan komen of wie ze heeft opgesteld. Er staat geen naam van een auteur op en ze zijn niet gedateerd.
De rechter-commissaris is van oordeel dat de verdachte geen concrete en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor het door hem opgegeven vermogen. Aan een verificatie daarvan aan de hand van het horen van de getuigen [naam 1] en [naam 2] kan daarom niet worden toegekomen. De verdediging is daardoor niet in zijn belang geschaad.
De bedragen die de heren [naam 3] en [naam 4] zouden hebben overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van de verdachte dichten ook bij lange na niet het gat dat bestaat tussen de door de verdachte opgegeven legale inkomsten en het startkapitaal van de cryptovalutahandel. Deze bedragen komen niet zelfstandig voor op de tenlastelegging inzake witwassen. Aan het horen van deze personen als getuigen is derhalve eveneens geen verdedigingsbelang verbonden.
Beslissing
Beslissing
De rechter-commissaris wijst de verzoeken tot het horen van [naam 2] , [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] als getuige af.
Tegen deze afwijzing kan de verdachte binnen veertien dagen een bezwaarschrift indienen
bij de rechtbank.
Aldus gedaan op 15 september 2021 te Rotterdam,
Mr. P.M. van Russen Groen