4
Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijsuitsluiting onderzoek telefoons
De verdediging heeft verzocht om de resultaten van de onderzoeken aan de telefoon van de verdachte uit te sluiten van het bewijs, omdat dit bewijs onrechtmatig is verkregen. Het uitlezen van de telefoon is ingezet zonder voorafgaande toets van de rechter-commissaris, zodat er geen bescherming is geweest tegen de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens van de verdachte.
De rechtbank constateert dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. De vormfout bestaat eruit dat er zonder een machtiging van de rechter-commissaris onderzoek in de telefoon van de verdachte heeft plaatsgevonden waarbij is gekeken naar video’s, berichten en locatiegegevens. Er is echter geen reden voor uitsluiting van het aangetroffen bewijs. De privacy-inbreuk is in zoverre gemitigeerd dat in de processen-verbaal van het onderzoek van de telefoon hoofdzakelijk wordt ingegaan op een beperkt aantal video’s, berichten en locatiegegevens die kennelijk een verband hebben met explosies, het feit waarvan de verdachte op dat moment (en ook nu nog) verdacht werd. Deze privacy-inbreuk hoeft daarom niet te leiden tot een bewijsuitsluiting. Het argument van de verdediging dat de gegevens die uit de telefoon zijn verkregen tegen de verdachte worden gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel. In de kern genomen komt dat argument er immers op neer dat hij is geschaad in het belang om niet ‘ontdekt’ of veroordeeld te worden. Dat is geen rechtens te respecteren belang. De rechtbank ziet ook geen reden om een ander rechtsgevolg dan bewijsuitsluiting, zoals strafmatiging, aan de vormfout te verbinden. De rechtbank zal volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de persoon is geweest die de explosies teweeg heeft gebracht.
Voor feit 1 heeft de verdachte verklaard dat hij de explosie enkel heeft gefilmd. Dit scenario is op basis van het dossier aannemelijk. Verder blijkt uit de chatgesprekken niet dat wordt gesproken over vuurwerk of het plegen van een aanslag.
Over feit 2 heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon had uitgeleend. Hierna zag hij op zijn telefoon een videofragment van een explosie en bij navraag bij de persoon die het videofragment had gemaakt bleek dat dit op de [adres 2] was gebeurd. Hij heeft daarna uit nieuwsgierigheid op het adres gezocht. De verdediging heeft betwist dat de aangetroffen video door de verdachte is gemaakt. De verdachte is niet zichtbaar en de hand die op de video is te zien, is niet van de verdachte.
Subsidiair is voor beide feiten verzocht om partiele vrijspraak van ‘het duchten van levensgevaar’ en van een ‘vuurwerkbom, althans zwaar vuurwerk’.
4.2.2.
Beoordeling
Feit 1: explosie 12 oktober 2024
Explosie
Op 12 oktober 2024 heeft omstreeks 02:20 uur een ontploffing plaatsgevonden bij [naam winkel 1] op de [adres 3] in Rotterdam. Omwonenden hebben een harde klap gehoord en verbalisanten hebben schade geconstateerd die qua aard past bij een explosie; de ruit van de toegangsdeur was vernield, het raam lag uit het kozijn, er lagen glasscherven over het trottoir en de weg voor het pand verspreid en de toonbank was zwaar beschadigd.
Betrokkenheid verdachte
Op basis van de verklaring van de verdachte, namelijk dat hij heeft gefilmd toen iemand anders een explosie heeft gepleegd, staat vast dat de verdachte op het moment van de explosie ter plaatse was. De rechtbank vindt dat er ook voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte degene is geweest die de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte via Snapchat (met accountnaam [accountnaam 1] en gebruikersnaam [gebruikersnaam 1]) heeft gesproken over de voorbereiding van de explosie. In de avond voordat de explosie plaatsvond nam de verdachte deel aan een groepsgesprek met [accountnaam 2] en [gebruikersnaam 2] Uit het gesprek blijkt dat de verdachte degene is die de klus gaat klaren, dat hij geen vervoer nodig heeft en dat hij van [gebruikersnaam 2] de spullen krijgt die hij nodig heeft om de explosie te veroorzaken, namelijk een cobra geplakt aan een flesje terpentine of benzine die hij kan aansteken. Diezelfde avond heeft de verdachte ook een gesprek met [accountnaam 3] waaruit de rechtbank opmaakt dat hij door [gebruikersnaam 2] een cobra 6 heeft maar geen vervoer.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij de explosie alleen heeft gefilmd, ongeloofwaardig. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die een vuurwerkbom heeft aangestoken en door de ruit van [naam winkel 1] heeft gegooid.
Levensgevaar
Het handelen van de verdachte levert een situatie op waarin naar algemene ervaringsregels niet alleen gevaar voor goederen, maar ook een voorzienbaar levensgevaar voor anderen te duchten was. Het pand van [naam winkel 1] is gevestigd onder een wooncomplex met daarboven meerdere woningen. De explosie vond midden in de nacht plaats zodat het aannemelijk is dat op dat moment mensen thuis waren. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [persoon C] , die op het moment van de explosie in de woning boven het [naam winkel 1] was.
Omdat de rechtbank de camerabeelden en de door de verdediging genoemde getuigenverklaringen niet voor het bewijs bezigt, komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijk verzoek om getuigen nader te horen.
Feit 2: explosie 30 september 2024
Explosie
Op 30 september 2024 heeft omstreeks 01:12 uur een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 2] in Rotterdam. Omwonenden hebben een harde knal gehoord. Verbalisanten hebben geconstateerd dat het dakje boven de voordeur zwartgeblakerd was en dat er bij de voordeur een gesmolten plastic fles en meerdere kartonnenresten van vermoedelijk vuurwerk lagen.
Betrokkenheid verdachte
Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat er op 29 en 30 september 2024 veelvuldig is gezocht op het adres: ‘ [adres 2] ’. Ook is met de telefoon vlak voor de explosie een route gezocht naar het Liduinaplein, wat op vier minuten loopafstand van de [adres 2] ligt. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat vlak na de explosie een video is geüpload. In deze video is te zien dat de lont van een vuurwerkbom wordt aangestoken. De trap die in de video zichtbaar was is vergeleken met de trap bij de pleeglocatie. Er is geconstateerd dat het dezelfde trap van de woning aan [adres 2] betreft.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet diegene is geweest die gezocht heeft op het adres, omdat hij zijn telefoon had uitgeleend. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De verdachte heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat hij zijn telefoon één dag had uitgeleend, maar ook nadat de explosie heeft plaatsgevonden is met die telefoon – op 1, 2, 3 en 11 oktober 2024 – veelvuldig gezocht op de [adres 2] . Daarnaast blijkt uit de video dat bij het ontsteken van de vuurwerkbom een steekvlam ontstond en dat de steekvlam de rechterhand van de verdachte raakte ter hoogte van de linkerzijde van de wijsvinger. Verbalisanten hebben tijdens de aanhouding op 12 oktober 2024 op exact dezelfde plek een schroeiplek bij de verdachte geconstateerd.
Gelet op de tijdstippen van de zoekopdrachten en de explosie, de video met de vuurwerkbom en het wondje op zijn wijsvinger acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de explosie teweeg heeft gebracht.
Vuurwerkbom
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat er een vuurwerkbom met zwaar illegaal vuurwerk is geplaatst. Verbalisanten hebben op de hiervoor genoemde video gezien dat er cilindervormige voorwerpen in zwart tape samengebonden waren aan een grote plastic fles met gele vloeistof. Zij hebben deze constructie ambtshalve herkend als een vuurwerkbom.
Levensgevaar
Er is onvoldoende gebleken dat de explosie bij de [adres 2] levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel kon opleveren. De woning was vrijstaand en stond op het moment van de explosie leeg. Dat sluit niet uit dat een brand in dit pand zou overslaan naar omliggende woningen, maar dat er vervolgens in die andere woningen levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel zou ontstaan, is op basis van het dossier en algemene ervaringsregels niet vast te stellen.
4.2.3.
Conclusie
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan. De rechtbank verwijst verder naar bijlage II voor de inhoud van de gehanteerde bewijsmiddelen.
4.3.
Bewezenverklaring
De verdachte heeft de feiten op die wijze begaan dat:
1.hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandende/aangestoken vuurwerkbom, althans zwaar illegaal vuurwerk, te gooien door een opening/gat in een ruit van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . (gevestigd aan de [adres 3] ), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of bewoners van voornoemde woningen en/of één of meer personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemde [naam winkel 1] en [naam winkel 2] .
te duchten was;
2.hij op of omstreeks 30 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom, althans zwaar vuurwerk, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen bij/voor het pand aan de [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen in zich bevonden in aangrenzende woningen en/of één of personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemd pand aan de [adres 2] ,
te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
9
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat deze jeugddetentie een gedeelte van de jeugddetentie groot 111 (honderdelf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
[naam winkel 1] en [naam winkel 2]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] , te betalen een bedrag van € 7.187,62 (zegge: zevenduizend honderdzevenentachtig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de verdachte en [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . ieder hun eigen proceskosten van deze procedure moeten dragen;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam winkel 1] en [naam winkel 2] te betalen € 7.187,62 (hoofdsom, zegge: zevenduizend honderdzevenentachtig euro en tweeënzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
[persoon A]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [persoon A] , te betalen een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [persoon A] te betalen € 2.000,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2025.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing te weeg heeft gebracht door een brandende/aangestoken vuurwerkbom, althans zwaar illegaal vuurwerk, te gooien door een opening/gat in een ruit van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] . (gevestigd aan de Vuurplaat 477), terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of bewoners van voornoemde woningen en/of één of meer personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemde [naam winkel 1] en [naam winkel 2] .
te duchten was;
2.hij op of omstreeks 30 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom, althans zwaar vuurwerk, aan te steken en/of tot ontploffing te brengen bij/voor het pand aan de [adres 2] , terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meer aangrenzende woningen en/of panden en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten één of meer personen in zich bevonden in aangrenzende woningen en/of één of personen die zich bevonden in de omgeving van voornoemd pand aan de [adres 2] ,
te duchten was.