Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2025:15428

Op 23 October 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-200335-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2025:15428. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-200335-25
Datum uitspraak:
23 October 2025
Datum publicatie:
21 January 2026

Indicatie

De verdachte heeft in twee dagen tijd, samen met anderen, ontploffingen teweeggebracht bij twee woonhuizen midden in een woonwijk. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10-200335-25

Datum uitspraak: 23 oktober 2025

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] [postcode 1] te [woonplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,

raadsman mr. J.C. Herrewijnen, advocaat te Rotterdam.

1
Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2025.

2
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3
Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.P.L. van Loon heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het onder 1 (primair), 2 en 3 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van elektronische monitoring bij het locatiegebod.

4
Waardering van het bewijs
4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Op de camerabeelden in het dossier is te zien dat de explosie grotendeels is mislukt. Doordat het pakket met explosieven niet op, maar tegen het balkon is gegooid, is het pakket terug op straat gekomen en daar ontploft. Daarom is er slechts sprake van een poging tot het veroorzaken van een explosie.

De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van het tweede gedachtestreepje onder feit 2. Er is geen bewijs voor het ontstaan van levensgevaar. Het veroorzaken van een ontploffing bij een voordeur betekent niet automatisch dat daadwerkelijk levensgevaar voor personen te duchten is geweest.

4.1.2.

Beoordeling

Feit 1: explosie Potgieterstraat

Het primair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte heeft verklaard dat hij de jerrycan met benzine heeft geregeld en dat hij voor die bijdrage geld zou ontvangen. Ook volgt uit chatgesprekken via Signal tussen de verdachte (met accountnaam [accountnaam 1] ) en de gebruiker van de accountnaam [accountnaam 2] dat zij concrete afspraken en plannen hebben gemaakt om de explosie aan de Potgieterstraat te plegen.

[accountnaam 2] noemt in het gesprek het adres ‘ [adres 2] ’, waarop de verdachte een afbeelding van de [adres 2] stuurt met de vraag of het gaat om het eerste balkon. Dit wordt bevestigd. Ook stuurt [accountnaam 2] : ‘Als je die pakket hebt gemaakt wil ik filmpje zien’. De verdachte stuurt dat hij ‘nu die spullen haalt’, gevolgd door een afbeelding van drie cobra’s verbonden aan een zwartkleurige jerrycan met roodkleurige dop. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de explosie aan de Potgieterstraat enkele minuten na dit gesprek heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande waren de handelingen van de verdachte zozeer gericht op het teweegbrengen van een ontploffing aan de [adres 2] te Rotterdam dat bewezen is dat zijn opzet daarop gericht was, terwijl er sprake is van zodanige nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen, dat er sprake is van medeplegen.

Het gaat hierbij, anders dan de verdediging bepleit, om een voltooid delict, ook al vond de explosie niet – zoals kennelijk de bedoeling was – op het balkon plaats: nog steeds vond deze plaats in de directe nabijheid van de woning aan de Potgieterstraat waardoor gemeen gevaar voor goederen ter plaatse te duchten was.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Feiten 2 en 3: explosie Saftlevenstraat

Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat een dergelijke explosie – met zwaar vuurwerk zoals een cobra – levensgevaar voor personen in de nabijheid daarvan kan veroorzaken. De explosie aan de [adres 3] vond plaats terwijl er op dat moment bewoners in de woning aanwezig waren. De aangever heeft daarover verklaard dat de hal van zijn woning licht van vuur zag. Ook verbalisanten hebben een grote, zwarte brandplek op de voordeur van de woning aan de [adres 3] waargenomen. De rechtbank acht daarom ook bewezen dat er levensgevaar voor de aanwezige personen te duchten was.

Doordat de explosie schade aan de woning aan de [adres 3] heeft veroorzaakt, is sprake van eendaadse samenloop met de ten laste gelegde vernieling onder feit 3.

4.1.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair), 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (primair), 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Feit 1 hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht, door in de nabijheid van de woning gelegenaan de [adres 2] , een stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosiefvoorwerp, en/of een jerrycan benzine, althans een brand versnellende stof aan testeken en/of te ontsteken, waarna voornoemd explosief voorwerp tot ontploffing isgekomen/gebracht, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemd pand en/ofnabijgelegen panden en/of meerdere auto's die zich in de omgeving bevonden,en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment vande explosie in de nabijheid van die panden bevonden,te duchten was;

Feit 2 hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht, door op/aan de voordeur van de woninggelegen aan de [adres 3] , een stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosiefvoorwerp, en/of een jerrycan benzine, althans een brand versnellende stof aan testeken en/of te ontsteken, waarna voornoemd explosief voorwerp tot ontploffing isgekomen/gebracht, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemd pand en/ofnabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment vande explosie in de nabijheid van die panden bevonden,te duchten was;

Feit 3 hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk en wederrechtelijkeen gebouw, te weten een pand, gelegen aan [adres 3] , geheel of ten deletoebehorende aan [bedrijf X] ., althans aan een ander dan aan verdachte,heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5
Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1 (primair):medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2: eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is

en

feit 3: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6
Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Overwegingen

7
Motivering straf
7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in twee dagen tijd, samen met anderen, ontploffingen

teweeggebracht bij twee woonhuizen midden in een woonwijk, kennelijk om bewoners daarmee de intimideren. Bij de tweede ontploffing is schade ontstaan aan de woning en waren er bewoners in het pand aanwezig. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer intimiderende vorm van geweld. Het teweegbrengen van explosies bij een woonhuis is een ernstig strafbaar feit, dat in de samenleving grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt en een grote inbreuk op de rechtsorde maakt. Het is zeer kwalijk dat de verdachte deze ernstige misdrijven heeft willen plegen, alleen om daarmee wat te kunnen verdienen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 oktober 2025. Dit rapport houdt het volgende in:

Er zijn risicofactoren: de verdachte heeft geen dagbesteding, leeft van een uitkering en wordt binnenkort vader van een kindje bij een andere vrouw dan zijn huidige vriendin. Ook zijn er zorgen over het sociale netwerk van de verdachte. Het lijkt zinvol om te werken aan financiële stabiliteit. Er zijn ook positieve factoren. Hoewel een begeleid wonen traject nog niet van de grond is gekomen, heeft de verdachte dit traject zelf opgestart. Ook kan hij na detentie bij zijn vriendin terecht. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Toezicht binnen een justitieel kader is nodig om hem een stok achter de deur te geven en om de maatschappelijk geaccepteerde doelen na te streven. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden: een meldplicht, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zinvolle dagbesteding, ambulante begeleiding en een locatiegebod (met elektronische monitoring). De reclassering sluit daarmee aan bij het deeladvies van 2 oktober 2025 dat elektronische monitoring is geïndiceerd.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, waardoor de straf lager is dan de eis van de officier van justitie.

De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Mét de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding elektronische monitoring op te leggen bij het locatiegebod.

Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8
Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
8.1.

Vordering [benadeelde]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.349,81 aan materiële schade.

8.2.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag is niet door de verdediging betwist. Alle kostenposten zijn, in tegenstelling tot de officier van justitie heeft aangevoerd, genoegzaam onderbouwd. De gevorderde materiële schade acht de rechtbank geheel toewijsbaar.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 juni 2025.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.349,81, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 57, 157, 352 van het Wetboek van Strafrecht.

10
Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11
Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 (primair), 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich na uitnodiging van de reclassering melden bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres [adres 4] , [postcode 2] in [plaats] . De veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de proeftijd begint of zoveel later als er plek is voor de veroordeelde. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

de veroordeelde zal gedurende de periode dat een begeleide woonvorm nog niet is gestart op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op het verblijfadres, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding.

Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van14 uur niet op het verblijfadres te zijn tussen 07.00 uur en 21.00 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden tussen 12.00uur en 20.00 uur. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen. Het huidige verblijfadres is het adres van de schoonmoeder van de veroordeelde: [adres 5] , [postcode 3] Rotterdam. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft;

4. de veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

5. de veroordeelde zal meewerken aan ambulante begeleiding door het Forensisch Ambulant Team (of een soortgelijke instantie, te bepalen door de reclassering), gericht op het op orde krijgen van praktische zaken, zoals het op orde krijgen van zijn financiën. De begeleiding duurt zolang de proeftijd duurt of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van € 2.349,81 (zegge: tweeduizenddriehonderdnegenenveertig euro en eenentachtig cent), geheel bestaande materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde] te betalen € 2.349,81 (hoofdsom, zegge: tweeduizenddriehonderdnegenenveertig euro en eenentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.349,81 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 33 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,

en mrs. A.J.P. van Essen en N.R. Rietveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1 hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht, door in de nabijheid van de woning gelegenaan de [adres 2] , een stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosiefvoorwerp, en/of een jerrycan benzine, althans een brand versnellende stof aan testeken en/of te ontsteken, waarna voornoemd explosief voorwerp tot ontploffing isgekomen/gebracht, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemd pand en/ofnabijgelegen panden en/of meerdere auto's die zich in de omgeving bevonden,en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment vande explosie in de nabijheid van die panden bevonden,te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het pand aan de[adres 2] en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezigegoederen en/of meerdere auto's die zich in de omgeving bevonden, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment vande explosie in de nabijheid van die panden bevonden,te duchten waseen stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosief voorwerp, en/of een jerrycanbenzine, althans een brand versnellende stof, heeft aangestoken en/of heeftontstoken en/of (vervolgens) richting het balkon van voornoemd pand heeftgegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht, door op/aan de voordeur van de woninggelegen aan de [adres 3] , een stuk (zwaar) vuurwerk, althans een explosiefvoorwerp, en/of een jerrycan benzine, althans een brand versnellende stof aan testeken en/of te ontsteken, waarna voornoemd explosief voorwerp tot ontploffing isgekomen/gebracht, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemd pand en/ofnabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende in die panden aanwezige personen en/of personen die zich op het moment vande explosie in de nabijheid van die panden bevonden,te duchten was;

Feit 3 hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk en wederrechtelijkeen gebouw, te weten een pand, gelegen aan [adres 3] , geheel of ten deletoebehorende aan [bedrijf X] ., althans aan een ander dan aan verdachte,heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.