Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:1104

Op 28 January 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-268422-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:1104. De plaats van zitting was Dordrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-268422-25
Datum uitspraak:
28 January 2026
Datum publicatie:
9 February 2026

Indicatie

Opzettelijk vervoeren van ongeveer 6000 gram cocaïne in verborgen ruimte in auto. Verwerping verweer onrechtmatige doorzoeking auto. Gevangenisstraf 20 maanden met aftrek van voorarrest. Onttrekking aan het verkeer personenauto.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-268422-25

Datum uitspraak: 28 januari 2026

Datum zitting: 14 januari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. E.G.S. Roethof.

Officier van justitie: mr. M. Vollebregt.

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van cocaïne in een verborgen ruimte in een auto. De rechtbank verwerpt het verweer dat de politie de auto onrechtmatig heeft doorzocht. Aan de verdachte wordt een lagere straf opgelegd dan de officier van justitie heeft geëist. De voorlopige hechtenis wordt opnieuw geschorst.

1
Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

hij op 10 oktober 2025 te Hoogblokland, gemeente Molenlanden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de verdachte van het medeplegen moet worden vrijgesproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte opzettelijk ongeveer zesduizend gram cocaïne heeft vervoerd.

De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen (Voetnoot 1) en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 2)

Op 10 oktober 2025 heb ik middelen vervoerd met een auto, merk Citroën C3. Tegen mij is gezegd dat het om geperste blokken wiet ging. Ik heb dat niet gecontroleerd.

2. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 3)

Op 10 oktober 2025 zagen wij een voertuig, Citroën C3, rijden. Na een volgteken werd het voertuig tot stilstand gebracht in Hoogblokland. De bestuurder was genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats] . Wij doorzochten het voertuig. Hierbij zijn de volgende goederen in beslag genomen:

- 2 x blokken vermoedelijk cocaïne - goednummer: [goednummer 1]

- 2 x blokken vermoedelijk cocaïne - goednummer: [goednummer 2]

- 2 x blokken vermoedelijk cocaïne - goednummer: [goednummer 3] .

3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 4)

Op 24 oktober 2025 werd onderzoek verricht aan de volgende onderzoeksitems:

Uniek Voorwerp Nummer : [SIN-nummer 1] .

Goednummer : [goednummer 2] .

Object : 2 blokken met wit samengeperst materiaal.

Nettogewicht : 1996 gram.

Uniek Voorwerp Nummer : [SIN-nummer 2] .

Goednummer : [goednummer 3] .

Object : 2 blokken met wit samengeperst materiaal.

Nettogewicht : 1990 gram.

Uniek Voorwerp Nummer : [SIN-nummer 3] .

Goednummer : [goednummer 1] .

Object : 2 blokken met wit samengeperst materiaal.

Nettogewicht : 1999 gram.

Door ons is het volgende waargenomen en bevonden:

Twee veiliggestelde monsters afkomstig van goed [SIN-nummer 1] .

Twee veiliggestelde monsters afkomstig van goed [SIN-nummer 2] .

Twee veiliggestelde monsters afkomstig van goed [SIN-nummer 3] .

4. Deskundigenverslag (Voetnoot 5)

Onderzoeksmateriaal en conclusie:

Kenmerk : [SIN-nummer 1] .

Omschrijving : blokken, wit, uit 1996 gram, aantal bemonsteringen: twee.

Conclusie : bevat cocaïne.

Cocaïne is vermeld op lijst I van de Opiumwet.

5. Deskundigenverslag (Voetnoot 6)

Onderzoeksmateriaal en conclusie:

Kenmerk : [SIN-nummer 3] .

Omschrijving : blokken, wit, uit 1999 gram, aantal bemonsteringen: twee.

Conclusie : bevat cocaïne.

6. Deskundigenverslag (Voetnoot 7)

Onderzoeksmateriaal en conclusie:

Kenmerk : [SIN-nummer 2] .

Omschrijving : blokken, wit, uit 1990 gram, aantal bemonsteringen: twee.

Conclusie : bevat cocaïne.

2.3.2.

Bewijsmotivering

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden en dat de doorzoeking van de door de verdachte bestuurde auto daarom onrechtmatig is. Het was geen gewone verkeerscontrole. De verbalisanten hebben in het proces-verbaal toegeschreven naar rechtvaardiging van de doorzoeking van de auto, terwijl er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Dat de auto desondanks is doorzocht levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dat moet leiden tot bewijsuitsluiting waardoor er onvoldoende wettig bewijs is en de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Verkeerscontrole

De rechtbank stelt voorop dat het uitoefenen van controlebevoegdheden als bedoeld in artikel 160, eerste en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) verband dient te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften. Indien daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 zijn uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. Zolang een dergelijke controlebevoegdheid, uitgevoerd door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in het eerste en het vierde lid van artikel 160 WVW 1994 is die uitoefening in beginsel rechtmatig, ook indien die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel – te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen – dan waarvoor deze is verleend.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer proces-verbaal 1] leidt de rechtbank af dat verbalisanten op 10 oktober 2025 een ANPR-melding krijgen met betrekking tot een voertuig. Dit voertuig was in het ANPR-systeem geplaatst met het doel om dit voertuig te controleren vanwege of in verband met ondermijnende criminaliteit. Op grond van artikel 160 WVW 1994 is een volgteken gegeven aan de bestuurder (de verdachte) van het voertuig. Nadat het voertuig tot stilstand was gebracht toonde de verdachte desgevraagd zijn rijbewijs en het kentekenbewijs aan de politie. Vervolgens is een controle uitgevoerd op de technische staat van het voertuig. De rechtbank stelt vast dat de politie daarmee uitvoering heeft gegeven aan de op grond van artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 toekomende controlebevoegdheden en dat door middel van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs en de technische controle van het voertuig de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in die bepalingen is gecontroleerd. Anders dan de verdediging is de rechtbank, in navolging van het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat de verbalisanten daarmee geen misbruik hebben gemaakt van hun controlebevoegdheden.

Rechtmatigheid doorzoeking auto

De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten in voormeld proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd over de staandehouding en het onderzoek aan de auto. Uit dat proces-verbaal leidt de rechtbank af dat het de verbalisanten na raadpleging van de systemen bleek dat zowel de verdachte als de bijrijder antecedenten hebben op het gebied van drugs. Tijdens de controle van de bevestiging van de achterbank merkte een verbalisant dat deze niet omhoog getild kon worden. De verbalisant merkte meer weerstand dan normaal. De verbalisant zag verschillende indicatoren, waardoor hij het vermoeden had dat er een verborgen ruimte in het voertuig aanwezig was. Het is een feit van algemene bekendheid dat verborgen ruimtes in voertuigen doorgaans gebruikt worden om strafbare goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, zoals (grote hoeveelheden) wapens, geld of verdovende middelen. Gelet daarop ontstond een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) en daarmee was er voldoende grond voor toepassing van artikel 96b Sv.

Vervolgens doorzochten de verbalisanten het voertuig op grond van artikel 96b Sv. Zij hebben een kier gecreëerd bij de opening van de verborgen ruimte, waardoor het mogelijk was om in de verborgen ruimte te kijken. De verbalisanten zagen dat er meerdere zakken in de verborgen ruimte lagen.

De rechtbank is van oordeel, dat de hiervoor weergegeven aanwijzingen die door de verbalisanten zijn vastgelegd voldoende basis vormden voor een verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67 Sv. Ingevolge artikel 96b Sv waren de verbalisanten dan ook bevoegd de auto te doorzoeken. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank de doorzoeking van het voertuig dan ook rechtmatig. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Voorwaardelijk opzet

De verdachte heeft verklaard dat hij ervan uitging dat hij blokken wiet vervoerde. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat hij wetenschap had van de werkelijke aard van de middelen die hij vervoerde. Van vol opzet is dan ook geen sprake.

De verdachte heeft echter wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij cocaïne vervoerde. Hij wist dat hij verdovende middelen zou gaan vervoeren, maar heeft de inhoud van de blokken niet gecontroleerd of zich op een andere manier van de inhoud vergewist. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het vervoeren van cocaïne.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op 10 oktober 2025 te Hoogblokland, gemeente Molenlanden opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 6000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het bewezen verklaarde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de voorwaarden te worden verbonden die op dit moment als schorsingsvoorwaarden gelden.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een gevangenisstraf bepleit, die niet langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, zo nodig met een groot voorwaardelijk strafdeel en elektronische monitoring. Daarnaast zou een taakstraf kunnen worden opgelegd. Indien de rechtbank anders oordeelt, wordt verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen in verband met de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep als de verdachte wordt veroordeeld en het aanvragen van een reclasseringsrapport.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ongeveer zes kilogram cocaïne in een verborgen ruimte in een auto. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft na de schorsing van de voorlopige hechtenis de zorg voor zijn zieke moeder weer opgepakt en hij is als vrijwilliger (jongerenwerker) aan de slag gegaan in een buurthuis. Hij heeft een vriendin met wie hij wil trouwen. Verder moet de verdachte geopereerd worden aan zijn hoornvlies. Hij lijkt zijn best te doen zich te houden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden.

4.3.3.

Oplegging straf

Op een feit als dit wordt normaal gesproken gereageerd met een forse gevangenisstraf. Het opleggen van een ander soort straf, zoals een door de verdediging bepleite taakstraf, doet geen recht aan de ernst van het feit. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In afwijking van de door de officier van justitie geëiste straf wordt een gevangenisstraf van twintig maanden passend en geboden geacht. De rechtbank ziet geen heil in een voorwaardelijk strafdeel.

5
In beslag genomen voorwerpen
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank een beslissing neemt over de in deze zaak in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet specifiek uitgelaten over de in beslag genomen voorwerpen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Verbeurdverklaring

Als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit wordt de in beslag genomen telefoon, Apple iPhone, verbeurdverklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. De telefoon is ook vatbaar voor verbeurdverklaring, nu deze toebehoort aan de verdachte en het strafbare feit met behulp van dit voorwerp is gepleegd.

5.3.2.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank beslist dat de volgende in beslag genomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang. Het betreft de volgende voorwerpen:

[beslagnummer 1] : verpakkingsmateriaal voor drugs met opdruk ‘ [naam opdruk] ’.

[beslagnummer 2] : personenauto, merk Citroën, kenteken [kentekennummer] .

[beslagnummer 3] : henneptoppen.

[beslagnummer 4] : 2 messen, kleur zwart.

[beslagnummer 5] : 2 blokken cocaïne.

[beslagnummer 6] : 2 blokken cocaïne.

[beslagnummer 7] : 2 blokken cocaïne.

Het strafbare feit is met behulp van de personenauto en de blokken cocaïne gepleegd.

Het verpakkingsmateriaal, de henneptoppen en de messen zijn tijdens het onderzoek naar het strafbare feit aangetroffen en kunnen dienen tot het plegen of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

5.3.3.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen:

[beslagnummer 8] : notitieboekje.

[beslagnummer 9] : zendapparatuur.

[beslagnummer 10] : geld € 2.400,-.

[beslagnummer 11] : telefoon, Google Pixle.

[beslagnummer 12] : tas Jumbo.

[beslagnummer 13] : simkaart Lebara, nr [nummer X] .

[beslagnummer 14] : simkaart Lebara, nr [nummer Y] .

[beslagnummer 15] : horloge.

[beslagnummer 16] : zendapparatuur.

6
Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft bij bevel van 18 december 2025 de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst vanaf het moment dat het elektronisch controlemiddel wordt aangesloten in de penitentiaire inrichting, tot de einduitspraak in eerste aanleg. Hierbij zijn twaalf voorwaarden gesteld. Volgens de officier van justitie is de verdachte op 18 december 2025 in vrijheid gesteld, wat de verdachte niet heeft betwist.

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen bij einduitspraak.

De rechtbank stelt vast dat de raadkamer de voorlopige hechtenis van de verdachte heeft geschorst tot aan deze uitspraak. De rechtbank moet op grond van de actuele situatie beoordelen of een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Ook de recidivegrond is nog onverkort aanwezig. De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. Omdat er zich niet aanwijsbaar incidenten hebben voorgedaan, de verdachte sinds de eerdere schorsing niet in aanraking is gekomen met politie en justitie en zijn persoonlijke situatie ongewijzigd is, weegt het persoonlijk belang van verdachte – mits hij zich aan de gestelde voorwaarden blijft houden - nog steeds zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank ziet daarom aanleiding om tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan, onder de voorwaarden die eerder zijn opgelegd, tot aan de datum van de onherroepelijke veroordeling in deze zaak.

7
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8
Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd:

- [beslagnummer 17] : telefoon, Apple iPhone;

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

[beslagnummer 1] : verpakkingsmateriaal voor drugs met opdruk ‘ [naam opdruk] ’.

[beslagnummer 2] : personenauto, merk Citroën, kenteken [kentekennummer] .

[beslagnummer 3] : henneptoppen.

[beslagnummer 4] : 2 messen, kleur zwart.

[beslagnummer 5] : 2 blokken cocaïne.

[beslagnummer 6] : 2 blokken cocaïne.

[beslagnummer 7] : 2 blokken cocaïne;

- beveelt de teruggave van aan de verdachte van:

[beslagnummer 8] : notitieboekje.

[beslagnummer 9] : zendapparatuur.

[beslagnummer 10] : geld € 2.400,-.

[beslagnummer 11] : telefoon, Google Pixle.

[beslagnummer 12] : tas Jumbo.

[beslagnummer 13] : simkaart Lebara, nr [nummer X] .

[beslagnummer 14] : simkaart Lebara, nr [nummer Y] .

[beslagnummer 15] : horloge.

[beslagnummer 16] : zendapparatuur;

Voorlopige hechtenis

schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden tot aan de datum van de onherroepelijke veroordeling in deze zaak onder de volgende voorwaarden:

De verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen.

Indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan.

De verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel I van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

De verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

De verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie.

De verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie.

De verdachte meldt zich op afspraken bij Reclassering Nederland, op het adres [adres 2] , [postcode 2] in [plaats] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de medeverdachte [medeverdachte] (geboren [geboortedatum 2] 2003), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

De verdachte is gedurende de schorsingsperiode op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres aan de [adres 1] , [postcode 1] in [plaats] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Het aantal uren dat de verdachte aanwezig moet zijn op het voorgenomen verblijfadres zal nader worden bepaald. De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatiegebod. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de verdachte in Nederland blijft.

Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.

De verdachte spant zich gedurende het toezicht in voor het behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding, vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan met de GPS-gegevens van het elektronisch toezicht zien of de verdachte zich houdt aan afspraken over de dagbesteding.

De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en werkt – indien nodig – mee met schuldhulpverlening.

9
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. I. Bouter en E. van Vliet, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 januari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het einddossier met registratienummer [nummer proces-verbaal 2] .

Voetnoot 2

Verklaard tijdens de zitting van 14 januari 2026.

Voetnoot 3

Pagina 56 e.v., nummer -8 van voormeld einddossier.

Voetnoot 4

Pagina 199 e.v. van voormeld einddossier.

Voetnoot 5

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 204 e.v. van voormeld einddossier.

Voetnoot 6

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 205 e.v. van voormeld einddossier.

Voetnoot 7

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 206 e.v. van voormeld einddossier.