Op 23 januari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, een vonnis uitgesproken in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam.
Na de uitspraak is gebleken dat het dictum van het vonnis een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich leent voor eenvoudig herstel.
In het dictum van het vonnis is bij vergissing niet expliciet opgenomen dat de rechtbank bewezen verklaart dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 meer subsidiair en 4 primair heeft gepleegd en wordt vrijgesproken van het onder feit 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Het dictum van het vonnis zal daarom bij deze beslissing worden hersteld.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank:
- herstelt de kennelijke fout in het dictum als volgt;
- de navolgende alinea vervalt:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
en daarvoor komt in de plaats:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 meer subsidiair en 4 primair, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
- de volgende alinea wordt toegevoegd:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 3 primair en subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- beveelt de griffier deze beslissing aan te tekenen op en te hechten aan het origineel van het vonnis dat is hersteld.
Dit herstelvonnis is op 27 januari 2026 gewezen door
mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier.