Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:1195

Op 22 January 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 83-287103-21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:1195. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
83-287103-21
Datum uitspraak:
22 January 2026
Datum publicatie:
11 February 2026

Indicatie

Onderzoek Kensington. Fraude coronasteun. Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift door 4 aanvragen regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten vals op te maken, voor witwassen van provisiebedragen en voor deelname aan een criminele organisatie. Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt niet-ontvankelijk in de vordering verklaard, omdat de vordering te complex is om in het strafproces te behandelen en de partijen daarover niet het volledige debat hebben kunnen voeren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-287103-21

Datum uitspraak: 22 januari 2026

Datum zitting: 11 en 12 december 2025 en 22 januari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [plaatsnaam 1] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.G.J. Plat

Officier van justitie: mr. J. Bezem

Benadeelde partij: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Advocaat van de benadeelde partij: mr. G.C. Nieuwland

Kern van het vonnis

De verdachte heeft samen met anderen gefraudeerd met financiële overheidssteun in de coronaperiode. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift door 4 aanvragen inzake de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL) vals op te maken, het witwassen van provisiebedragen die hij en de medeverdachten hebben ontvangen van de bij de fraude betrokken ondernemers, en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Op de vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) wordt niet beslist, omdat deze te complex is om in het strafproces te behandelen en de partijen daarover niet het volledige debat hebben kunnen voeren.

Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met de medeverdachten 14 TVL-aanvragen vals heeft opgemaakt, een bedrag van € 3.358.530,95 heeft witgewassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.

De beschuldiging is voor een deel bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staat in hoofdstuk 3.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en

bijzondere voorwaarden.

In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.

In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis.

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering. In hoofdstuk 6 wordt deze beslissing uitgelegd.

In hoofdstuk 8 staan alle beslissingen in het kort.

1
Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021

te 's-Gravenhage en/of Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geschriften, die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een aanvraag TVL d.d. 16 oktober 2020 op naam van [bedrijf 1] (DOC en DOC-110 nr. 109) en/of

- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [bedrijf 2] (DOC-065 en DOC-110, nr. 18)

- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [bedrijf 3] (DOC-103 en

DOC-110 nr. 141)

- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [bedrijf 4]

(DOC-014 en DOC-110 nr. 36) en/of

- een aanvraag TVL d.d. 29-11-2020 op naam van [bedrijf 5] (DOC-106 en DOC-110, nr. 45) en/of

- een aanvraag TVL d.d. 30 november 2020 op naam van [bedrijf 6] (DOC-077 en DOC-110 nr. 38)

- een aanvraag TVL d.d. 6 december 2020 op naam van [bedrijf 7] (DOC-075 en DOC-110 nr. 139)

- een aanvraag TVL d.d. 14 december 2020 op naam van [bedrijf 8] (DOC-018 en DOC-110 nr. 71) en/of

- een aanvraag TVL d.d. 15 december 2020 op naam van [bedrijf 9] (DOC-020 en DOC-110 nr. 124) en/of

- een aanvraag TVL d.d. 16 december 2020 op naam van [bedrijf 10] (DOC-021 en

DOC-110, nr. 113)

- een aanvraag TVL d.d. 18 december 2020 op naam van [bedrijf 11] (DOC-055 en DOC-110, nr. 103)

- een aanvraag TVL d.d. 25-12-2020 op naam van [bedrijf 5] (DOC-049 en DOC-110, nr. 47)

- een aanvraag TVL d.d. 7 januari 2021 op naam van [bedrijf 12] (DOC-028 en DOC-110, nr. 138)

- een aanvraag TVL d.d. 26 januari 2021 op naam van [bedrijf 13] (DOC- en

DOC-110, nr. 185)

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, door (telkens)

- op de aanvraagformulieren te vermelden dat de ondernemingen in de referentieperioden van 2019 (zeer) hoge omzetten, in elk geval hoger dan bij de belastingdienst opgegeven omzetten, hebben gehad en/of

- op de aanvraagformulieren aan te vinken de aanvraag naar waarheid te hebben ingevuld en/of

- vervalste aangiften OB (bijlagen) bij voornoemde aanvraagformulieren toe te voegen/mee te sturen,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2020 tot en met heden te ’s-Gravenhage en/of Voorburg, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2020 tot en met heden, te 's-Gravenhage en/of Voorburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen zijnde in totaal (ongeveer)

3.358.530,95 euro (DOC-110 en AMB-072-01), in elk geval enige geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op voorwerpen waren en/ of heeft/hebben verborgen en/ of verhuld wie voorwerpen voorhanden hebben gehad, en/of één of meerdere geldbedrag(en) zijnde in totaal (ongeveer) 3.358.530,95 euro heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en/of zijn mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 (7 TVL-aanvragen), 2 en 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten. Subsidiair dient de verdachte te worden vrijgesproken van 9 TVL-aanvragen (feit 1). Voor de overige 5 aanvragen laat de verdediging de beslissing over aan de rechtbank: [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] (aanvraag 29 november 2020), [bedrijf 6] en [bedrijf 11] Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. Voor zover door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de bewijsmiddelen zullen deze niet afzonderlijk worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte in wisselende samenstellingen met de medeverdachten

4 TVL-aanvragen vals heeft opgemaakt, provisiebedragen heeft witgewassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande aanvullende bewijsmotivering.

2.3.2.

Bewijsmotivering

Inleiding

Op 22 april 2021 heeft de RVO aangifte gedaan van het indienen van valse TVL-aanvragen voor het vierde kwartaal van 2020.

Op grond van de regeling TVL werd een financiële tegemoetkoming geboden aan ondernemers die door de overheidsmaatregelen ten tijde van de Covid-pandemie omzetverlies leden en daardoor in de problemen kwamen met het betalen van hun vaste lasten. Volgens de RVO was bij de onderbouwing van de betreffende TVL-aanvragen steeds een veel hogere omzet opgegeven dan de omzet zoals die was opgegeven bij de Belastingdienst. Van het totaal aantal valse aanvragen waren 121 aanvragen via IP-adres [IP-adres] ingediend. Dit IP-adres was te herleiden naar het adres waar de [medeverdachte 1] op dat moment woonde. Daarnaast zijn in de telefoon van de [medeverdachte 1] Whatsappgesprekken met de verdachte en de andere medeverdachten aangetroffen die over de beschuldiging gaan. Op de USB-stick van de [medeverdachte 1] zijn de vals opgemaakte aangiften omzetbelasting aangetroffen die zijn meegestuurd naar de Belastingdienst.

Feit 1

Verweer onrechtmatig verkregen bewijs (Landeck)

Door de verdediging is onder verwijzing naar het Landeck-arrest (Voetnoot 1) het verweer gevoerd dat de uit de telefoon van de [medeverdachte 1] verkregen Whatsapp-communicatie niet rechtmatig is verkregen en daarom niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Gelet op de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de [medeverdachte 1] had de rechter-commissaris voor dit onderzoek namelijk toestemming moeten geven en dat is niet gebeurd.

Dit verweer wordt verworpen.

De rechtbank is het wel met de verdediging eens dat te voorzien was dat het onderzoek in de telefoon van de [medeverdachte 1] een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer zou vormen, en dat er daarom voor dit onderzoek voorafgaande toestemming aan de rechter-commissaris had moeten worden gevraagd. Nu die toestemming niet is gevraagd is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Omdat het hier gaat om de telefoon van een medeverdachte en deze telefoon is onderzocht in het voorbereidend onderzoek tegen deze medeverdachte en niet in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, valt dit vormverzuim in beginsel buiten de reikwijdte van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv). Uit vaste jurisprudentie volgt dat toch een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een dergelijk vormverzuim als dat vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In deze zaak is dat zo, want het onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte heeft tot de start van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte geleid.

De vraag is of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Daarbij kan worden aangesloten bij de maatstaven die worden aangelegd met betrekking tot rechtsgevolgen die worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bewijsuitsluiting kan als rechtsgevolg aan de orde zijn als dat noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen, of als er sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Van beide gevallen is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang dat op het moment van het onderzoek aan de telefoon van de [medeverdachte 1] het Landeck-arrest nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. De rechtbank past daarom geen bewijsuitsluiting toe.

Strafvermindering kan alleen aan de orde zijn als een verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft geleden. Dan moet de strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd zijn.

De schending van het privéleven van de verdachte levert al een voldoende concreet nadeel op. De rechtbank weegt echter mee dat, zou een rechter-commissaris wel om toestemming zijn gevraagd voorafgaand aan het onderzoek in de telefoon, deze rechter-commissaris, gelet op de ernst en omvang van de verdenking, deze toestemming zonder nadere beperkingen had kunnen geven. De verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeliger positie dan de situatie waarin het vormverzuim zich niet had voorgedaan.

De rechtbank vindt strafvermindering daarom niet op zijn plaats en zal aan het vormverzuim geen rechtsgevolgen verbinden.

Daadwerkelijke omzet of opgegeven omzet

Verder heeft de verdediging onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (Voetnoot 2) aangevoerd dat het voor de beoordeling van de valsheid van de TVL-aanvragen niet de vraag is of de in de TVL-aanvragen opgegeven omzet overeenkomt met de bij de Belastingdienst opgegeven omzet, maar of de in de TVL-aanvragen opgegeven omzet overeenkomt met de werkelijk behaalde omzet.

Dit verweer slaagt niet. In de zaak waarnaar de verdediging heeft verwezen luidde de beschuldiging anders en kwam de in de aanvraag vermelde omzet overeen met de bij de Belastingdienst opgegeven omzet, maar niet met de daadwerkelijke omzet. Nu in de aangehaalde zaak was ten laste gelegd “een te hoog bedrag aan gegenereerde omzet” heeft de rechtbank in die zaak aan de daadwerkelijk gegenereerde omzet getoetst. In de onderhavige zaak komt de in de aanvraag vermelde omzet juist niet overeen met de bij de Belastingdienst opgegeven omzet. In de beschuldiging is het valselijk opmaken dan ook omschreven als het op de aanvraag vermelden van hogere omzetten dan de bij de Belastingdienst opgegeven omzetten. Het onjuist invullen van de bij de Belastingdienst opgegeven omzet maakt de aanvraag al vals. De in de TVL-aanvraag vermelde opgegeven omzet werd bovendien onderbouwd met een door de [medeverdachte 1] vals opgemaakte aangifte omzetbelasting. In deze zaak is toetsing aan de daadwerkelijk behaalde omzet dan ook niet aan de orde.

Gedeeltelijke vrijspraak

Niet bewezen is dat de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het vals opmaken van de TVL-aanvragen van [bedrijf 2] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] en [bedrijf 13]. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

De verdachte wordt ook vrijgesproken van het medeplegen van het vals opmaken van de TVL-aanvraag van [bedrijf 1] , [bedrijf 5] (aanvraag 25 december 2020) en [bedrijf 7] . Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat de verdachte bij deze aanvragen was betrokken.

Conclusie feit 1

De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het vals opmaken van de TVL-aanvragen voor [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] (aanvraag 29 november 2020) en [bedrijf 6] . Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de aangifte van de RVO blijkt dat deze TVL-aanvragen door de aanvragers naar waarheid zijn ondertekend, en dat de rechtbank uit de aanvraagformulieren in het dossier begrijpt dat dit door middel van een vinkje is aangegeven.

Feit 3

Witwassen volledige bedrag niet bewezen

Het primaire standpunt van de officier van justitie dat sprake is van witwassen van een bedrag van € 3.286.530,95 (het tenlastegelegde bedrag minus een fouttelling van € 72.000,-) neemt de rechtbank niet over. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten de op de TVL-aanvragen uitgekeerde bedragen hebben omgezet in goederen, of andere omzettingshandelingen hebben verricht. Voor zover de ondernemers hebben verklaard over omzetting van de aan hen uitgekeerde bedragen, geldt dat – los van het feit dat het gebruik van deze verklaringen voor het bewijs in strijd zou kunnen zijn met artikel 6 EVRM vanwege de (op verzoek van de officier van justitie) afgewezen getuigenverzoeken – er ten aanzien van de verdachte geen bewijs is voor een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt. De stelling van de officier van justitie dat de verdachte en de medeverdachten op grond van de modus operandi het opzet hadden om het geld om te zetten, bewijst niet dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. De rechtbank kan evenmin met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte en de medeverdachten en/of de ondernemers op andere wijze de (de optelsom van) het volledige door de RVO aan de ondernemers uitgekeerde bedrag (€ 3.286.530,95) hebben witgewassen.

Gewoontewitwassen provisiebedragen wel bewezen

Wel is uit de op de telefoon van de [medeverdachte 1] aangetroffen Whatsapp-communicatie gebleken dat de ondernemers een percentage aan provisie van de door hen ontvangen TVL-uitkering aan de verdachte en de medeverdachten moesten betalen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachte en de medeverdachten deze provisiebedragen, die uit oplichting van de RVO afkomstig zijn, verworven. De RVO heeft voorschotten uitgekeerd op TVL-aanvragen die via het IP-adres van de [medeverdachte 1] zijn ingediend. Dat er daadwerkelijk provisiebedragen bij de verdachte en de medeverdachten terecht zijn gekomen, volgt uit de stortingen op de bankrekeningen van de verdachte en uit de verklaringen van de ondernemers Koc en Yagdi. Zij hebben verklaard dat er in het kader van deze fraude grote contante geldbedragen aan provisie zijn overhandigd. Verder werd in de Whatsapp-communicatie meermaals gesproken over de verdeling van de provisie over verschillende personen en werd een overzicht van (verschillende) percentages gedeeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte en zijn medeverdachten over deze provisiebedragen hebben kunnen beschikken.

Uit het dossier blijkt dat de fraude met de TVL-aanvragen omvangrijker was dan de 14 aanvragen die uiteindelijk onder feit 1 in de beschuldiging zijn opgenomen. Nu de (precieze) betrokkenheid van de verdachte bij elke afzonderlijke aanvraag onvoldoende uit het dossier blijkt, de verdachten en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten en daarnaast de exacte hoogte van de

provisiebedragen/-percentages niet kan worden vastgesteld, wordt het witwassen door het verwerven van “geldbedragen” in zijn algemeenheid bewezen verklaard. Omdat de verdachte dit meermalen en gedurende bijna een jaar heeft gedaan, is er sprake van gewoontewitwassen.

Feit 2

De verdachte heeft gedurende meerdere maanden samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met het doel valse TVL-aanvragen in te dienen, en die samenwerking had een meer dan incidenteel karakter. Uit de op de telefoon van de [medeverdachte 1] aangetroffen Whatsapp-communicatie volgt dat de verdachte met de medeverdachten samenwerkte en dat zij de opbrengst van de fraude samen deelden. Dat samenwerken gebeurde weliswaar in wisselende samenstellingen, maar wel met het gezamenlijke oogmerk om de TVL-aanvragen vals op te maken en vervolgens de opbrengst van de fraude (oplichting) wit te wassen.

De verdachte en de medeverdachten hadden ieder een eigen rol in de fraude. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren verantwoordelijk voor het voorbereiden en het indienen van de TVL-aanvragen, en de [medeverdachte 2] en de verdachte waren verantwoordelijk voor het werven van ondernemers en het aanleveren van de bedrijfsgegevens. De [medeverdachte 2] gaf overigens ook instructies aan de [medeverdachte 1] . Daarmee is er sprake van een organisatie met een structuur, een duurzaam karakter en een gemeenschappelijk oogmerk om misdrijven te plegen. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] individueel betrokken zijn geweest bij alle 14 ten laste gelegde TVL-aanvragen, maar dat doet niet af aan het samenwerkingsverband in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit betekent dat is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Pleegperiode feiten 2 en 3

De einddatum van de bewezen pleegperiode zal voor wat betreft de feiten 2 en 3 worden bepaald op 12 oktober 2021, de datum waarop de [medeverdachte 1] is aangehouden. Er is geen bewijs voor de stelling dat de strafbare feiten daarna nog zijn gepleegd.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij in de periode van 24 november 2020 tot en met 31 januari 2021 in Nederland

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [bedrijf 3] ,

- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [bedrijf 4]

,

- een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [bedrijf 5] (DOC-106 en DOC-110, nr. 45), en

- een aanvraag TVL d.d. 30 november 2020 op naam van [bedrijf 6] ,

valselijk heeft opgemaakt door

- op de aanvraagformulieren te vermelden dat de ondernemingen in de referentieperioden van 2019 omzetten, hoger dan bij de belastingdienst opgegeven omzetten, hebben gehad, en

- op de aanvraagformulieren aan te vinken de aanvraag naar waarheid te hebben ingevuld, en

- vervalste aangiften OB (bijlagen) bij voornoemde aanvraagformulieren toe te voegen/mee te sturen,

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode van 7 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen;

3.

hij in de periode van 16 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 in Nederland

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, geldbedragen heeft verworven,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte en zijn mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Feit 2

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Feit 3

medeplegen van gewoontewitwassen.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden meldplicht en schuldhulpverlening.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De duur van de gevangenisstraf moet worden beperkt tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een taakstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De door de verdachte gepleegde strafbare feiten zien op fraude met betrekking tot de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie aan ondernemers werd geboden in verband met de economische gevolgen van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door 4 TVL-aanvragen vals op te maken. De verdachte en de medeverdachten ontvingen van de bij de fraude betrokken ondernemers een deel van de door hen ten onrechte verkregen steungelden als provisie. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van deze provisiebedragen. De verdachte heeft de fraude met de TVL-aanvragen samen met anderen gepleegd waarbij elke verdachte zijn eigen rol had.

De verdachte heeft ook deelgenomen aan een criminele organisatie.

De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor gedupeerde mkb-ondernemers. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven geroepen werd in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid zich met snelle, laagdrempelige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die speelden boven controleerbaarheid vooraf. De verdachte heeft hier, samen met zijn medeverdachten, schaamteloos misbruik van gemaakt. Uit de gesprekken die de verdachte en zijn medeverdachten voerden volgt dat zij wisten dat er achteraf controles zouden plaatsvinden en dat na enige maanden ‘de bom zou barsten’. Ze maakten daarbij afspraken hoe zij onder de radar zouden kunnen blijven. Het doel was om zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld buit te maken, ten koste dus van gemeenschapsgeld. Chatgesprekken als "Laten we het snel doen, ik wil zwemmen in het geld", “we kunnen er dik aan verdienen” en “dan moeten we een geldtelmachine kopen” spreken daarbij boekdelen.

Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van geschriften zoals steun- c.q. subsidieaanvragen – juist in een periode van een wereldwijde pandemie – op ernstige wijze beschaamd.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 december 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 28 november 2025 staat dat de verdachte tijdens het schorsingstoezicht sinds maart 2022 heeft gewerkt aan het vergroten van stabiliteit in zijn leven, wat goed van de grond is gekomen. Hij is met zijn gezin herenigd, beschikt over woonruimte, is bijna schuldenvrij en heeft aan zijn mentale problemen gewerkt. De verdachte is gemotiveerd voor verder toezicht en begeleiding door Fivoor op het leefgebied financiën.

4.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 22 november 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaar en twee maanden verstreken.

Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en de verdachte slechts een klein gedeelte van de verstreken tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf. Dit wordt hierna nader toegelicht.

4.3.4.

Oplegging straf

Bij het bepalen van de strafmaat wordt in fraudezaken vaak rekening gehouden met het benadelingsbedrag. De hoogte van het bedrag waarvoor de RVO is benadeeld, laat zich in deze zaak niet eenvoudig vaststellen. De fraude met de TVL-aanvragen is veel omvangrijker dan de 14 aanvragen die uiteindelijk ten laste zijn gelegd. Via het IP-adres van de [medeverdachte 1] zijn 121 TVL-aanvragen ingediend waarop de RVO een totaalbedrag van bijna 3,3 miljoen euro heeft uitgekeerd. Omdat niet voor alle aanvragen is onderzocht of de verdachte daarbij concreet betrokken was, en de verdachten en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten, kan de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor het totale benadelingsbedrag. Wel is bewezen dat de criminele organisatie waar de verdachte deel van uitmaakte betrokken is geweest bij de 14 TVL-aanvragen onder feit 1. Op die TVL-aanvragen heeft de RVO in totaal een bedrag van ruim € 550.000,- uitbetaald. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf uitgaan van dit benadelingsbedrag.

Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij dit benadelingsbedrag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur tussen de 18 en 24 maanden.

De hierboven beschreven ernst van de feiten en de daarbij geschetste strafverzwarende omstandigheden van de coronatijd, rechtvaardigen de keuze om aan de bovenkant van die bandbreedte te gaan zitten. Daarom zal de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden nemen. De rechtbank brengt op deze straf drie maanden in mindering, omdat uit de Whatsappgesprekken volgt dat de verdachte op een later moment dan de medeverdachten actief aan het samenwerkingsverband is gaan deelnemen, waardoor de pleegperiode van feit 1 met ongeveer de helft is bekort. Verder heeft de overschrijding van de redelijke termijn ook een aftrek van drie maanden (10% met afronding) tot gevolg, waardoor een gevangenisstraf van 18 maanden resteert.

Omdat de verdachte sinds zijn schorsing in 2022 niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Omdat het hier gaat om oudere feiten en de verdachte sindsdien geen andere strafbare feiten heeft gepleegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de proeftijd langer te laten duren dan een jaar.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.

5
Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 9 maart 2022 geschorst tot aan de datum van de einduitspraak in eerste aanleg. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opnieuw schorsen met ingang van 22 januari 2026, onder alleen de algemene voorwaarden. Het persoonlijk belang van de verdachte om in vrijheid de onherroepelijkheid van zijn veroordeling af te wachten weegt zwaarder dan het strafvorderlijk belang, dat nu in deze zaak met name ziet op het uitvoeren van de opgelegde straf.

6
Vordering van de benadeelde partij
6.1.

Vordering

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als benadeelde partij voor de drie feiten € 2.738.577,97 als vergoeding van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de RVO kan integraal worden toegewezen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De RVO moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering

6.4.

Oordeel van de rechtbank

De RVO vordert vergoeding van de door haar aan de ondernemingen uitgekeerde tegemoetkoming, voor zover die niet reeds door de individuele onderneming is terugbetaald. Op het moment van indiening van de vordering bedroeg deze schade in totaal € 2.738.577,97. Volgens de RVO zijn de individuele onderneming, de verdachte en de medeverdachten naar burgerlijk recht (steeds) hoofdelijk aansprakelijk voor de individueel uitgekeerde tegemoetkoming. De verdachte en de medeverdachten zijn in het strafproces dus hoofdelijk aansprakelijk voor de optelsom daarvan. Volgens productie 1 bij de toelichting op de vordering gaat het om 46 ondernemingen waarvan acht ondernemingen in deze zaak op de beschuldiging staan.

Nog los van de vraag of de door de RVO geleden schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder de door de verdachten gepleegde valsheid in geschrift, blijkt uit het dossier niet dat elke verdachte steeds betrokken was bij elke TVL-aanvraag. Voor de ondernemingen die onder feit 1 zijn vermeld, is die individuele betrokkenheid wel vastgesteld, maar voor de overige ondernemingen niet. De verdachte heeft weliswaar deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband dat betrokken was bij meer aanvragen dan de aanvragen vermeld onder feit 1, maar daarbij was sprake van een wisselende deelname aan dat samenwerkingsverband door de individuele verdachten. Dat betekent dat niet elke verdachte zonder meer aansprakelijk is voor elke uitgekeerde tegemoetkoming, en dat ook niet kan worden vastgesteld welke verdachte voor welk deel van het totale tegemoetkomingsbedrag aansprakelijk is.

Daar komt bij dat op basis van het dossier ook niet kan worden vastgesteld dat de verstrekking van de tegemoetkoming door de RVO aan de ondernemers uitsluitend plaatsvond door het strafbare handelen van de verdachten. De individuele ondernemingen hebben in ieder geval hun bedrijfsgegevens aan de verdachten beschikbaar gesteld. Uit het dossier blijkt niet wat hun precieze(re) rol is geweest bij de aanvraag en verkrijging van de tegemoetkoming. Verder blijkt uit de aangifte van de RVO dat de door de RVO toegekende tegemoetkoming steeds op de bankrekening van de onderneming werd uitgekeerd. De verdachten hebben dus niet rechtstreeks de beschikking gekregen over de volledige tegemoetkoming. Uit het dossier blijkt dat zij voor hun handelingen een provisie hebben ontvangen van de ondernemingen. Hoeveel dat concreet was, per toegekende aanvraag, blijkt niet uit het dossier. De verdachten hebben daarover ook geen openheid van zaken gegeven. Daarbij speelt echter een rol dat de aard van het strafproces zich verzet tegen een volwaardig processueel debat over de civiele aansprakelijkheid, en in dit geval de omvang van de schadevergoedingsverplichting in het bijzonder, ook nu de behandeling van de ontnemingszaak is losgekoppeld van de behandeling van de strafzaak. Ook daardoor is niet eenvoudig vast te stellen voor welk deel van welke tegemoetkoming de verdachte aansprakelijk is.

Dit betekent dat er veel juridische geschilpunten zijn. De rechtbank heeft deze kwesties nadrukkelijk aan de orde gesteld op de zitting. De rechtbank vindt – mede gelet op het recht om een zwijgende of ontkennende proceshouding aan te nemen – dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat beide partijen in voldoende mate over deze vragen het debat hebben kunnen voeren. Dit maakt de vordering te complex voor behandeling binnen de strafrechtelijke procedure. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, een deel van de schade mogelijk op de individuele ondernemingen kan worden verhaald en de rechtbank deze omstandigheid niet kan betrekken in de beoordeling van de vordering. Het behoort in de strafrechtelijke procedure tot schadevergoeding niet tot de mogelijkheden om in geval van medeschuld een derde partij in vrijwaring op te roepen als zij niet als verdachten in de strafzaak zijn betrokken.

Dit leidt tot de conclusie dat de RVO niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering en dat in deze procedure dus geen inhoudelijke beslissing op de vordering wordt genomen. Dit betekent dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank bepaalt dat de RVO en de verdachte ieder de eigen proceskosten betalen, omdat de RVO de vordering niet ten onrechte heeft ingesteld en er ook geen andere reden is waarom de RVO de kosten van de verdachten zou moeten vergoeden.

7
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

8
Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- de verdachte zal meewerken aan schuldhulpverlening;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Voorlopige hechtenis

beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van vandaag, onder de volgende voorwaarden:

1. de verdachte zal zich, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen,

aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet onttrekken;

2. de verdachte zal zich, als hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is

bevolen, onherroepelijk tot andere dan vervangende vrijheidsstraf wordt veroordeeld, aan de tenuitvoerlegging daarvan niet onttrekken;

3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking

verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

4. de verdachte zal zich gedurende de schorsingsperiode niet aan enig strafbaar feit

schuldig maken;

Vordering benadeelde partij

verklaart de benadeelde partij RVO niet-ontvankelijk in de vordering (feiten 1, 2 en 3); bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

9
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.M. Riemens, voorzitter,

en mrs. I. Tillema en L. den Teuling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 januari 2026.

Bijlage 1 – Bewijsmiddelen  (Voetnoot 3)

1. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 4)

Op 8 april 2021 zijn de gegevens van het IP-adres [IP-adres] opgevraagd.

lk zag dat het IP-adres [IP-adres] op naam staat van:

[naam 1]

[adres 2]

[postcode 2] [plaatsnaam 2]

lk zag in het Belastingdienstsysteem Beheer van Relaties dat [naam 1] en haar vier volwassen kinderen, waaronder [medeverdachte 1], staan ingeschreven op het bovengenoemde adres.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [medeverdachte 1] (Voetnoot 5)

lk ben nog inwonend bij mijn moeder.

3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 6)

Inbeslagname

Adres: [adres 2]

Postcode Plaats: [postcode 2] [plaatsnaam 2]

Omstandigheden: Tijdens de doorzoeking aangetroffen in slaapkamer 1, naast bed

Volgnummer

IBN-code: A.02.01.001

Merk/type: IPhone

Eigenaar/Houder/Rechthebbende

Voornamen: [voornaam medeverdachte 1]

Achternaam: [achternaam medeverdachte 1]

4. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 7)

5. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 8)

Ik ontving gegevens van bedrijven en die heb ik doorgestuurd.

Ik heb ook een bankrekening van mij ter beschikking gesteld.

Ik zag veel geld op de rekening binnen komen.

6. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 9)

Op 12 oktober 2021 heeft er een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden op het woonadres van [medeverdachte 1] . Hierbij is een USB-stick inbeslaggenomen die werd aangetroffen in de jaszak van een herenjas die in de gang van de woning aan de kapstok hing.

7. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 10)

Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code A.02.01.001) kwam ik WhatsApp-communicatie tegen tussen [account 1] (owner), zijnde [medeverdachte 1], en [account 2], zijnde [naam 2]. Ik merk op dat Abi in het Turks vriend of broeder betekent en dus niet de achternaam van het betreffende contact betreft. Op 14 oktober 2021 is [naam 2] in het onderzoek gehoord. De afspraak voor dit verhoor is telefonisch met hem gemaakt, via zijn telefoonnummer [telefoonnummer].

8. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 11)

Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code A.02.01.001) kwam ik WhatsApp-communicatie tegen tussen [account 1] (owner), zijnde [medeverdachte 1], en [account 3] [naam 3], zijnde [medeverdachte 2]. Door genoemde '[naam 3]' is op 5 december 2019 via WhatsApp fiscale correspondentie doorgestuurd aan [medeverdachte 1]. Deze correspondentie is geadresseerd aan: [medeverdachte 2] , [adres 3].

9. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 12)

Bij het onderzoek aan de telefoon (Apple iPhone, inbeslagname code A.02.01.001) kwam ik Whatsapp-communicatie tegen tussen [account 1] (owner), zijnde [medeverdachte 1], en [account 4] / [account 5], gelet op de verstuurde adresgegevens zijnde: [medeverdachte 3], [adres 4].

Datum en tijd

[voornaam medeverdachte 1]

[naam 4]

26-2-2020

Bel anders aub dan. lk geef je nu al mijn info

26-2-2020

[medeverdachte 3]

[geboortedatum 2]-1991

[nummer 1]

[adres 4]

Bewijsmiddelen feit 1 (valsheid in geschrifte)

10. Schriftelijk stuk, RVO-rapportage  (Voetnoot 13)

Vanaf het IP-adres [IP-adres] zijn in totaal 121 TVL-aanvragen ingediend. Ter onderbouwing van de bij de aanvragen opgegeven omzetgegevens zijn valse documenten overgelegd die de bij de aanvragen opgegeven hoge omzetten onderbouwen.

Aanvragen met IP-adres [IP-adres]

[bedrijf 10]

[bedrijf 9]

[bedrijf 13]

[bedrijf 7]

[bedrijf 8]

[bedrijf 12]

[bedrijf 1]

[bedrijf 11]

[bedrijf 3]

[bedrijf 6]

[bedrijf 4]

[bedrijf 2]

[bedrijf 5]

De aanvraagformulieren zijn door de aanvragers naar waarheid ondertekend.

[bedrijf 3] :

11. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 14)

TVL aanvraag

In deze aanvraag las ik dat [bedrijf 3] :

• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.247.477.

Valse aangifte OB

Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam

van [bedrijf 3] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals om de volgende redenen:

• Het aangiftenummer [nummer 2] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van codering "[codering 1]" dienen "9300" te zijn.

• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [bedrijf 3] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 27.067 vermeld en geen € 1.247.477.

WhatsApp [medeverdachte 1] - [naam 2]

In het WhatsApp verkeer tussen [medeverdachte 1] en [naam 2] komt vermoedelijk een aantal keren [bedrijf 3] naar voren. Op 26 november 2020 stuurde [naam 2] twee afbeeldingen aan [medeverdachte 1]. Het betrof een bankpas op naam van [bedrijf 3] en een uittreksel van de Kamer van Koophandel op naam van [bedrijf 3] Twee minuten later, om 18:45 uur vroeg [medeverdachte 1] om een "Cod". Een minuut later antwoordde [naam 2] met:

Dan volgen enkele dagen later de volgende berichten over Aylinka:

lk heb hiervoor vermeld dat de TVL aanvraag voor [bedrijf 3] op 28 november 2020 is toegekend. Uiteindelijk is het geld overgemaakt naar de rekening van het getoonde bankpasje, er is € 70.537,80 bijgeschreven.

[bedrijf 4] :

12. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 15)

TVL aanvraag

Op de ingediende aanvraag van [bedrijf 4] las ik:

• dat [bedrijf 4] in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 722.189 zou hebben behaald.

Valse OB aangifte

De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen:

• Het aangiftenummer, vermeld op de valse aangifte OB (eindigend op "9270"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.

• De omzet, vermeld op de valse aangifte OB is € 722.189, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 39.717 was.

Chat [naam 2]

Onder meer kwam naar voren dat '[naam 5]' ( [medeverdachte 1] ) een chatgesprek voerde met [naam 6] ([naam 2]). Uit de analyse van deze chat kwam onder meer naar voren dat [naam 2] gegevens doorstuurde aan [medeverdachte 1] betreffende [naam 7].

Op de afbeeldingen die [naam 2] stuurt, zijn onder andere naam, BSN-nummer, geboortedatum, een gebruikersnaam en een wachtwoord en bankgegevens van [naam 7] te lezen.

[naam 2] instrueert [medeverdachte 1] dat hij moet proberen er '80' van te maken. Vermoedelijk bedoelt hij hiermee € 80.000. [medeverdachte 1] vraagt: '88'? [naam 2] zegt 'toe maar' en vraagt hoe dat zo is gekomen. Vermoedelijk vraagt hij dit omdat het voorschot voor de meeste andere ondernemingen waarvoor TVL aanvragen zijn ingediend vanaf het IP-adres van [medeverdachte 1] steeds maximaal € 72.000 was.

[medeverdachte 1] legt uit dat dit afhankelijk is van de sbi code van de onderneming. lk merk op dat de hoogte van het maximale bedrag aan TVL, en daarmee ook het voorschotbedrag, afhankelijk is van de branche waarin de onderneming zijn hoofdactiviteiten uitvoert.

Het gesprek gaat verder over de voor [bedrijf 4] te ontvangen TVL en vermoedelijk over de commissie die [naam 2] hiervoor met [naam 7] wil afspreken:

Even later stuurt [naam 2] de volgende afbeeldingen naar [medeverdachte 1] :

[afbeelding]

En:

Het aanvraagnummer, het bankrekeningnummer en het voorschotbedrag komen overeen met die behorende bij de TVL aanvraag van [bedrijf 4].

Ook kwam uit de analyse van de chat naar voren dat [medeverdachte 1] naar [naam 2] een foto

stuurt met notities:

In het bericht dat [medeverdachte 1] erbij heeft getypt, staat:

"Sterretje is dat ze binnen 5 dagen ontvangen, die igdir zou je laten weten, onderaan staan gratis als er wat fout is hoor ik het wel die of aydin kan je even kijken of we 40% totaal krijgen en daarvan die 10 gaan geven of krijgen we 50% anlarsin sen abl'

Op basis hiervan vermoed ik dat in het lijstje namen staan van ondernemingen waarvoor TVL is aangevraagd, met daarachter het voorschot bedrag en in sommige gevallen het commissiepercentage. Voor ondernemer [naam 7] van [bedrijf 4] is TVL aangevraagd en is € 88.128 aan voorschot uitgekeerd door de RVO. Dit bedrag ontving hij binnen 5 dagen na het indienen.

[bedrijf 6] :

13. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 16)

TVL aanvraag

In deze aanvraag las ik dat [bedrijf 6] :

• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 581.258,10.

Valse aangifte OB

Ter onderbouwing is met bovengenoemde TVL aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [bedrijf 6] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals om de volgende redenen:

• Het aangiftenummer [nummer 3] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering "[codering 2]" dienen "9300" te zijn.

• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [bedrijf 6] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van

€ 18.867 vermeld en geen € 581.258.

WhatsAppberichten [medeverdachte 1] - [naam 2]

In het WhatsApp verkeer tussen [medeverdachte 1] en [naam 2] komt vermoedelijk een aantal keren het

[bedrijf 6] van [naam 8] naar voren.

Op 30 november 2020 stuurde [naam 2] "Btw [nummer 4]" aan [medeverdachte 1]. Het betreft hier het OB nummer, zonder de tijdvak codering, van [bedrijf 6] . Het komt overeen met de eerste 12 posities van het nummer vermeld op de valse aangifte OB die met de aanvraag TVL is meegezonden. In deze aangifte OB is het OB nummer [nummer 3] opgenomen.

Daarnaast is via Whatsapp op 30 november 2020 nog door [naam 2] aan [medeverdachte 1] gezonden:

• Een uittreksel van de KvK op naam van [bedrijf 6] .

• Een Bulgaarse identiteitskaart op naam van [naam 8].

• Een bankpas van de SNS bank op naam van [naam 8].

Op 4 december 2020 stuurde [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] de volgende lijst:

Deze lijst met 20 namen heeft hij op 2 december 2020 ook gezonden aan [naam 2].

[bedrijf 5] :

14. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 17)

TVL aanvraag

Op de ingediende aanvraag 3 van [bedrijf 5] las ik:

• dat [bedrijf 5] in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 2.594.187 zou hebben behaald.

Valse OB aangifte

De aangiften OB die ter onderbouwing zijn meegestuurd met de TVL aanvragen, zijn vals, om de volgende redenen:

• De aangiftenummers, vermeld op de valse aangiften OB, kunnen geen bestaande aangiftenummers voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.

• De omzet, vermeld op de valse aangiften OB is velen malen hoger dan de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, te weten € 1.919.

Chat [naam 2]

Onder meer kwam naar voren dat '[naam 5]' ( [medeverdachte 1] ) een chatgesprek voerde met [naam 6]. Uit de analyse van deze chat kwam onder meer naar voren dat [naam 2] gegevens doorstuurde aan [medeverdachte 1] betreffende [bedrijf 5] :

De afbeelding die [naam 2] hier naar [medeverdachte 1] stuurt, is de volgende:

[afbeelding]

Verder kwamen de volgende chatgesprekken naar voren:

15. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 18)

Bevindingen USB Stick

Op de USB-stick trof ik een mapje aan met de naam: `Troep'. In dit mapje staan 253 items opgeslagen bestaande uit documenten in word- en pdf format. Veruit de meeste documenten hebben betrekking op het 4de kwartaal 2019.

lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de RVO aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal.

Tevens heb ik de aangiften BTW/OB die op de USB-stick zijn aangetroffen vergeleken met de aangiften zoals deze zijn meegestuurd bij de aanvraag voor de TVL en heb geconstateerd dat deze overeenkomen.

Documenteigenschappen

In de document eigenschappen van zowel de Word- als de PDF versies staat in alle gevallen [medeverdachte 1] vermeld als de auteur. Alle documenten hebben als 'datum gemaakt': 28-10-2020.

Bijlage 2:

Handelsnaam/naam eigenaar of AH

Omzet 4de kwt 2019 voor RVO

Omzet 4de kwt 2019 belastingdienst

[bedrijf 8]

€ 1.449.764,00

€ 38.130,00

[bedrijf 3]

€ 1.247.477,00

nihil aangifte

[bedrijf 1]

€ 1.717.893,00

-

[bedrijf 9]

€ 2.616.248,00

€ 15.600,00

[bedrijf 6]

€ 581.258,00

€ 31.976,00

[bedrijf 5]

€ 2.594.187,00

€ 8.452,00

[bedrijf 7]

€ 1.249.357,00

-

[bedrijf 13]

€ 923.467,00

nihil aangifte

[bedrijf 10]

€ 2.634.672,00

€ 10.908,00

[bedrijf 2]

€ 1.134.749,00

-

[bedrijf 11]

€ 1.749.624,00

nihil aangifte

[bedrijf 12]

€ 2.868.246,00

nihil aangifte

16. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 19)

In de telefoon van [medeverdachte 1] is onderstaande WhatsApp-communicatie aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en een contact genaamd ‘[naam 3]’ ([account 3] [naam 3]):

Bewijsmiddelen feit 2 (deelneming criminele organisatie)

17. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 20)

Op 12 oktober 2021 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het woonadres van verdachte [medeverdachte 1]. Hierbij is een mobiele telefoon in beslag genomen (A.02.01.001). Daarop zijn de volgende WhatsApp-berichten aangetroffen.

18. Proces-verbaal van de politie  (Voetnoot 21)

TVL Q4

Gelet op de tussen de verdachten onderling verstuurde WhatsApp-berichten kunnen er

waarschijnlijk vanaf medio november 2020 TVL aanvragen ingediend worden voor het vierde kwartaal 2020.

Deze TVL verschilt kennelijk enigszins met de eerdere TVL regeling. Op 3 november 2020 stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] namelijk onder andere het volgende:

[medeverdachte 3] reageert daarop als volgt: "Heb net toevallig ook gelezen" en "Knalle met die by's".

19. Proces-verbaal van de politie  (Voetnoot 22)

Chatberichten [naam 3]

Zoals hiervoor beschreven is in de telefoon van [medeverdachte 1] onder andere onderstaande

WhatsApp-communicatie aangetroffen tussen [medeverdachte 1] en een contact genaamd

[naam 3]’ ([account 3] [naam 3]):

20. Proces-verbaal van de politie  (Voetnoot 23)

Contact via WhatsApp tussen verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [naam 2]

(`[account 2]'):

Op 25 november 2020 vraagt [naam 2] aan [medeverdachte 1]: ", kun je even kijken of eenmanszaak ook kan? Vorige periode kon het niet". Als blijkt dat het kan, reageert [naam 2] als volgt: "Super. Dan moeten we een geldtelmachine kopen

Bewijsmiddelen feit 3 (gewoontewitwassen)

Zie onder feit 1 voor de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

21. Proces-verbaal van politie met documentcode DOC-001, p. 668 e.v.

21. Proces-verbaal van politie met documentcode AMB-047-01, p. 337

21. Proces-verbaal van politie met documentcode AMB-048-01, p. 341 e.v.

21. Proces-verbaal van politie met documentcode AMB-049-01, p. 350 e.v.

21. Proces-verbaal van politie met documentcode AMB-056-01, p. 389

[bedrijf 11] :

26. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 24)

TVL aanvraag

Op de ingediende aanvraag van [bedrijf 11] (waaronder de meegestuurde aangifte OB 4e kwartaal 2019) las ik:

• dat [bedrijf 11] in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 1.749.624 zou hebben behaald.

Valse OB-aangifte

De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen:

• Het aangiftenummer, vermeld op de aangifte OB (eindigend op "8440"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn.

• De omzet, vermeld op de aangifte OB is € 1.749.624, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 159.057 was.

[bedrijf 9] :

27. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 25)

Aanvraagformulier TVL van [bedrijf 9]

Voor [bedrijf 9] is op 15 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €2.616.248,15.

Valse aangifte OB

Om de hiervoor genoemde omzet van het vierde kwartaal 2019 te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [bedrijf 9] lk zie op deze aangifte een bedrag staan van €2.616.248,-.

Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:

Het aangiftenummer [nummer 5] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering [codering 3] dienen "9300" te zijn.

lk raadpleegde op 7 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat B.E.K.S over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van €11.337,- heeft aangegeven en geen €2.616.248,15.

[bedrijf 10] :

28. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 26)

Aanvraagformulier TVL van [bedrijf 10]

Voor [bedrijf 10] is op 16 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €2.634.672,-.

Valse aangifte OB

Om de hiervoor genoemde omzet te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [bedrijf 10] . Ik zie op het afschrift ook een bedrag staan van € 2.634.672,-.

Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:

Het aangiftenummer [nummer 6] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering [codering 4] dienen "9300" te zijn.

lk raadpleegde op 7 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat [bedrijf 10] over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van € 9.876,- heeft aangegeven en geen € 2.634.672,-.

[bedrijf 8] :

29. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 27)

Aanvraagformulier TVL van [bedrijf 8]

Voor [bedrijf 8] is op 14 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €1.449.764,-.

Valse aangifte OB

Om de hiervoor genoemde omzet van het vierde kwartaal 2019 te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [bedrijf 8] . lk zie op deze aangifte ook een bedrag staan van €1.449.764,-.

Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:

Het aangiftenummer [nummer 7] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering [codering 5] dienen "9300" te zijn.

lk raadpleegde op 13 december 2021 het Belastingdienstsysteem Klantbeeld. Hier zag ik dat [bedrijf 8] over het vierde kwartaal van 2019 een omzet van €17.360,- heeft aangegeven en geen €1.449.764,-.

[bedrijf 7] :

30. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 28)

TVL aanvraag

Omdat in de aanvraag de naam van de contactpersoon "[naam 9]" en het KvK-nummer

"[KvK-nummer]" is vermeld ga ik er vanuit dat [bedrijf 7] een handelsnaam van [naam 9] is.

In deze aanvraag las ik dat [naam 9]:

• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.249.357.

Valse aangifte OB

Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [bedrijf 7] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:

• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam 9] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 0 vermeld en geen € 1.249.357.

[bedrijf 1]

31. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 29)

TVL aanvraag

In deze aanvraag las ik dat [bedrijf 1] :

• in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 1.717.893.

Valse aangifte OB

Ter onderbouwing is met bovengenoemde aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [bedrijf 1] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen:

• Het aangiftenummer [nummer 8] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van codering "[codering 6]" dienen "9300" te zijn.

• In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [bedrijf 1] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 0 vermeld en geen € 1.717.893.

[bedrijf 13]

32. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij RVO (Voetnoot 30)

[bedrijf 13]

Omzet november 2019 € 456.794,00

Omzet december 2019 € 466.673,00

33. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 31)

[bedrijf 13]

• Voor het 4e kwartaal van 2019 is bij de Belastingdienst een aangifte van € 9.654 ingediend.

[bedrijf 12] :

34. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij RVO  (Voetnoot 32)

[bedrijf 12]

Omzet 4e kwartaal 2019 € 2.868.246,00

35. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 33)

lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de RVO aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal.

Bijlage 2:

Naam OB aangifte

RSIN/BSN

Omzet 4e kwt 2019 voor RVO

Omzet 4w kwt 2019 belastingdienst

Uitgekeerde

voorschotten

door RVO

[bedrijf 12]

[nummer 9]

€ 2.868.246,00

Nihil aangifte

€ 72.000,00

[bedrijf 2]

36. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij RVO  (Voetnoot 34)

Omzet 4e kwartaal 2019 € 1.134.749

37. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 35)

In 2019 zijn er geen omzetgegevens van [bedrijf 2] bekend bij de Belastingdienst.

38. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 36)

Op geen enkele aangifte OB 4e kwartaal 2019 die naar de RVO is gestuurd staat een juist aangiftenummer vermeld.

39. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 37)

Totaal cijfers

Uit het overzicht komen de volgende aantallen TVL aanvragen en uitbetaalde bedragen naar voren:

40. Proces-verbaal van de politie, verklaring ondernemer [naam 10]  (Voetnoot 38)

lk heb de mannen twee keer gezien. Zij hebben € 20.000 voor hun diensten gekregen van mij. lk heb dat geld opgenomen van mijn bankrekening en cash aan hen gegeven.

41. Proces-verbaal van de politie, verklaring ondernemer [naam 11]  (Voetnoot 39)

Ze zeiden er al meteen bij dat zij zelf € 22.000 wilden hebben als een soort commissie.

Toen werd ik gebeld dat het toegekend is, en toen heb ik de € 22.000 gegeven.

42. Proces-verbaal van de politie  (Voetnoot 40)

In totaal is € 106.030 van deze bankrekening van [bedrijf 5] overgemaakt naar bankrekeningen van de verdachte [naam 2] dan wel zijn onderneming, [bedrijf 14].

43. Proces-verbaal van de politie  (Voetnoot 41)

Verdiensten

Vanaf 25 november 2020, de dag dat de aanvragen TVL Q4 ingediend konden worden, zijn er door verdachte [medeverdachte 1] duizenden WhatsApp-berichten (waaronder ook berichten met DIgiD gegevens, KVK nummers, bankrekeningnummers, inlogcodes, etc.) verstuurd aan en ontvangen van verdachten [naam 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

Voetnoot

Voetnoot 1

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 ‘CG/Landeck’

Voetnoot 2

Rechtbank Rotterdam 2 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8238

Voetnoot 3

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Kensington. Daar waar hierna de naam [naam 2] is vermeld, gaat het om de verdachte, wiens achternaam in 2024 is gewijzigd.

Voetnoot 4

AMB-001-01, p. 44-45.

Voetnoot 5

V-001-01, p. 1448.

Voetnoot 6

KVI-004-01, p. 1485 (doornummering in het persoonsdossier van de [medeverdachte 1] ).

Voetnoot 7

IBN-001-05, p. 1432 (doornummering in het persoonsdossier van de [medeverdachte 1] ).

Voetnoot 8

Verklaard tijdens de zitting van 11 december 2025.

Voetnoot 9

AMB-016-01, p. 87.

Voetnoot 10

AMB-028-01, p. 106.

Voetnoot 11

AMB-029-01, p. 188.

Voetnoot 12

AMB-030-01, p. 240.

Voetnoot 13

DOC-001, p. 668 e.v.

Voetnoot 14

Proces-verbaal met documentcode AMB-056-01, p. 389 e.v.

Voetnoot 15

AMB-048-01, p. 341 e.v.

Voetnoot 16

AMB-047-01, p. 337 e.v.

Voetnoot 17

AMB-049-01, p. 350 e.v.

Voetnoot 18

Proces-verbaal met documentcode AMB-016-01, p. 88 e.v. en bijlage 2, p. 92 e.v.

Voetnoot 19

AMB-029-01, p. 202.

Voetnoot 20

Proces-verbaal met documentcode AMB-070-01, p. 442 e.v.

Voetnoot 21

AMB-070-01, p. 475 e.v.

Voetnoot 22

AMB-029-01, p. 199 e.v.

Voetnoot 23

AMB-070-01, p. 470-471.

Voetnoot 24

AMB-050-01, p. 360.

Voetnoot 25

AMB-051-01, p. 364.

Voetnoot 26

AMB-052-01, p. 370.

Voetnoot 27

AMB-053-01, p. 376.

Voetnoot 28

AMB-054-01, p. 380.

Voetnoot 29

AMB-055-01, p. 384.

Voetnoot 30

Pagina 2 van DOC-112 (zonder doorgenummerd paginanummer).

Voetnoot 31

DOC-001, p. 692.

Voetnoot 32

DOC-028, p. 952.

Voetnoot 33

AMB-016-1, p. 88 en bijlage 2, p. 93.

Voetnoot 34

DOC-065, p. 1069.

Voetnoot 35

AMB-004-01, p. 1259 (het persoonsdossier van de [medeverdachte 1] ).

Voetnoot 36

AMB-016-01, p. 89.

Voetnoot 37

AMB-072-01, p. 491.

Voetnoot 38

V-009-01, p. 578.

Voetnoot 39

V-006-01, p. 569.

Voetnoot 40

AMB-034-01, p. 315.

Voetnoot 41

AMB-070-01, p. 475 e.v.