Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:11985

Op 4 September 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-052427-26, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:11985. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-052427-26
Datum uitspraak:
4 September 2026
Datum publicatie:
15 September 2026

Indicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord/doodslag. Op basis van het opsporingsonderzoek stelt de rechtbank vast dat de verdachte actief betrokken was bij de afhandeling van een financieel conflict tussen de medeverdachte en het slachtoffer, en dat het gebruik van geweld - dan wel bedreiging daarmee - kennelijk was inbegrepen bij het door hen voorgenomen plan. De verdachte heeft zich bij confrontatie met deze bevindingen beroepen op zijn zwijgrecht. Hoewel daarmee in algemene zin serieuze aanwijzingen worden gezien voor het medeplegen door de verdachte van strafbare feiten, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het wettig bewijs dat hij ook wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, waarmee de medeverdachte na een fysieke confrontatie uiteindelijk op het slachtoffer heeft geschoten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-052427-26

Datum uitspraak: 4 september 2026

Datum zitting: 21 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. R. van den Boogert

Officier van justitie: mr. H.H. Balk

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord/doodslag. Op basis van het opsporingsonderzoek stelt de rechtbank vast dat de verdachte actief betrokken was bij de afhandeling van een financieel conflict tussen de medeverdachte en het slachtoffer, en dat het gebruik van geweld - dan wel bedreiging daarmee - kennelijk was inbegrepen bij het door hen voorgenomen plan. De verdachte heeft zich bij confrontatie met deze bevindingen beroepen op zijn zwijgrecht. Hoewel daarmee in algemene zin serieuze aanwijzingen worden gezien voor het medeplegen door de verdachte van strafbare feiten, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het wettig bewijs dat hij ook wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, waarmee de medeverdachte na een fysieke confrontatie uiteindelijk op het slachtoffer heeft geschoten.

1
Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat

hij op of omstreeks 21 februari 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven met een vuurwapen in de buik en/of de bil, althans (meermalen) op/in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2
Vrijspraak
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het (impliciet subsidiair) ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag. Niet kan worden bewezen dat bij de verdachte sprake was van voorbedachten rade, zodat hij van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Daarnaast heeft de officier van justitie een bevel gevangenneming bij einduitspraak gevorderd.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De advocaat van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

Op 21 februari 2025 heeft kort voor half zeven in de avond aan het Tiendplein in Rotterdam een schietincident plaatsgevonden, waarbij de witte Peugeot waarin het slachtoffer [slachtoffer] als bijrijder werd vervoerd, aan weerszijden door twee mannen werd belaagd en één van hen, nadat [slachtoffer] was uitgestapt, vervolgens met een vuurwapen op hem schoot. De schutter, door het slachtoffer later herkend als de medeverdachte [medeverdachte] , stapte kort voor deze confrontatie als passagier uit een zwarte Volkswagen Polo. Het slachtoffer is na het schietincident zelf naar het ziekenhuis gereden, waar potentieel dodelijk letsel bij hem werd geconstateerd. De schutter en de bestuurder van de Volkswagen Polo wisten na het schietincident te ontkomen. De verdachte werd bij het opsporingsonderzoek door de politie geïdentificeerd als de bestuurder van deze auto. Hij werd later in Marokko aangehouden op verdenking van het medeplegen van poging tot moord, dan wel doodslag, en werd daarna overgeleverd aan de Nederlandse justitie. Bij de politie en ter terechtzitting heeft de verdachte zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten (vrijwel volledig) beroepen op zijn zwijgrecht.

Was de verdachte de bestuurder van de Volkswagen Polo?

Uit het opsporingsonderzoek volgt dat de verdachte vanaf de middag van 20 februari 2025 tot op de ochtend van de dag van het schietincident, op drie verschillende momenten is herkend als de bestuurder van de Volkswagen Polo. Ten aanzien van één van die momenten heeft de verdachte ook zelf verklaard dat hij de persoon is op de camerabeelden. De kleding die de verdachte op deze drie momenten droeg en zijn kapsel komen overeen met de kleding en het kapsel van de bestuurder van de Volkswagen Polo op de beelden van het schietincident. Een verbalisant heeft de verdachte op basis hiervan herkend als de bestuurder. In de auto lag een huurcontract voor het voertuig op naam van de verdachte. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de verdachte ten tijde van het schietincident de bestuurder was van de Volkswagen Polo.

Welke rol had de verdachte bij de confrontatie met het slachtoffer?

Uit onderzoek naar Snapchatberichten op de telefoon van de aangever [slachtoffer] leidt de rechtbank af dat kennelijk sprake was van een financieel conflict met de medeverdachte [medeverdachte] (gebruikersnaam [gebruikersnaam 1]), en dat [slachtoffer] spullen van [medeverdachte] onder zich had waarmee hij hem tot betaling wilde dwingen. Verder blijkt uit deze berichten dat de aangever ongeveer een uur voor het schietincident een afspraak had met iemand met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] om van [medeverdachte] (aangeduid als die Turk) een aanbetaling te ontvangen van € 5.000,-. Volgens [slachtoffer] riep [medeverdachte] kort voor het schietincident hem tweemaal toe: “Geef je geld”. [slachtoffer] bleek na het schietincident een geldbedrag van € 4.900,- bij zich te dragen.

Uit de analyse van de camerabeelden en gps-gegevens leidt de rechtbank af dat de witte Peugeot waarin [slachtoffer] werd vervoerd, vanaf de plaats waar hij met [gebruikersnaam 2] had afgesproken gedurende ongeveer 40 minuten werd gevolgd door de zwarte Volkswagen Polo die door de verdachte werd bestuurd. Op de beelden is te zien dat de Volkswagen kort voor het schietincident stopt achter de witte Peugeot, die op dat moment stilstaat achter een ander voertuig, en dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] vervolgens vrijwel direct, tegelijkertijd uitstappen en naar de witte Peugeot lopen. Te zien is hoe de verdachte de deur van de bestuurder kort opent en weer sluit. De medeverdachte [medeverdachte] staat op hetzelfde moment aan de bijrijderszijde van de Peugeot, waarbij [slachtoffer] uitstapt en in de richting van [medeverdachte] loopt. Deze loopt achteruit en richt een voorwerp op [slachtoffer] , waaruit een lichtflits zichtbaar wordt op het moment dat hij kennelijk met een vuurwapen wordt beschoten. [slachtoffer] rent weg en wordt door [medeverdachte] daarna nogmaals beschoten. De verdachte laat dan de deur aan de bestuurderskant van de witte Peugeot los, waarna de bestuurder uitstapt en wegrent. De verdachte en vervolgens de medeverdachte rennen kort daarna ook weg.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de verdachte kennelijk actief betrokken was bij de afhandeling van het financiële conflict tussen de aangever en de medeverdachte. De achtervolging en de wijze waarop de witte Peugeot door beide verdachten vrijwel gelijktijdig werd belaagd, duiden naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm op een nauwe en bewuste samenwerking die er kennelijk op was gericht om de aangever (eventueel met geweld) geld afhandig te maken.

Had de verdachte wetenschap van het vuurwapen?

De officier van justitie heeft ter zitting uiteengezet hoe in zijn visie uit de handelwijze van de verdachte na het schietincident kan worden afgeleid dat hij wetenschap moet hebben gehad van het voorhanden hebben en het potentiële gebruik van een vuurwapen door de medeverdachte. In dat verband heeft hij met name gewezen op het feit dat op de camerabeelden te zien is dat de verdachte niet direct wegrent nadat het eerste schot wordt gelost en nog enige tijd de deur aan de bestuurderszijde van de witte Peugeot gesloten houdt, terwijl het slachtoffer wegrent en de medeverdachte [medeverdachte] nogmaals op hem schiet.

De rechtbank volgt deze zienswijze niet en ziet, ook na herhaalde bestudering van de camerabeelden in raadkamer, onvoldoende wettig bewijs om te kunnen vaststellen dat de verdachte vooraf wist dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had en dat het mogelijk gebruik hiervan ook onderdeel was van het door hen voorgenomen plan. Dat de verdachte nog enkele seconden naast de auto blijft staan op het moment dat het eerste schot is gevallen, acht de rechtbank onvoldoende om deze conclusie te kunnen trekken. Ook de omstandigheid dat de medeverdachte het vuurwapen mogelijk al bij het verlaten van de witte Peugeot in zijn handen had en dat de verdachte dit moet hebben gezien, acht de rechtbank onvoldoende voor een veroordeling. In dit verband wijst de rechtbank op het feit dat [medeverdachte] rechts achterin de Volkswagen zat en dat geen concrete aanwijzingen zijn gevonden dat de verdachte als bestuurder van het voertuig wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van een vuurwapen.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat uit het opsporingsonderzoek kan worden afgeleid dat de verdachte samen met de medeverdachte het slachtoffer geld afhandig wilde maken en dat het mogelijk gebruik van geweld ook onderdeel vormde van het door hen voorgenomen plan. Niet kan worden bewezen dat de verdachte daarbij wetenschap had van de aanwezigheid van een vuurwapen bij de medeverdachte, en dat hij als medepleger het opzet had (al dan niet in voorwaardelijke zin) om het slachtoffer daarmee om het leven te brengen. Nu, in lijn met het besluit tot overlevering vanuit Marokko, de verdachte alleen wordt vervolgd voor poging tot moord, dan wel poging tot doodslag, betekent dit dat hij van het tenlastegelegde in beide varianten dient te worden vrijgesproken.

Beslissing

3
Beslissingen

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst af de vordering tot gevangenneming.

4
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,

en mrs. S.W.H. Bootsma en M.E. Vos, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.B. Sahin en D.W.G. Bakker-Sarwari, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 september 2026.

Mrs. Sahin en Vos zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.