Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig
ECLI:NL:RBROT:2026:5966
Op 28 April 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-195983-20, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:5966. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
De verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. Overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-195983-20
Datum uitspraak: 28 april 2026
Datum zitting: 28 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.A. Dayala
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is fors overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 5 februari 2020 te Rotterdam, openlijk, te weten op/aan de Brielselaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door telkens één of meerdere malen en/of met kracht
- voornoemde [slachtoffer] in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- voornoemde [slachtoffer] op de grond te gooien en/of te duwen en/of
- ( vervolgens) voornoemde [slachtoffer] in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te stampen terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.
2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon, in vereniging gepleegd.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven (Voetnoot 1).
1. Verklaring van de verdachte (Voetnoot 2)
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever [slachtoffer] (Voetnoot 3)
3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 4)
4. Schriftelijk stuk, FARR medische informatie (Voetnoot 5)
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
hij, op 5 februari 2020 te Rotterdam, openlijk, te weten op de Brielselaan,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (meerdere malen)
- voornoemde [slachtoffer] tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam te slaan en/of te stompen en
- voornoemde [slachtoffer] op de grond te gooien en
- vervolgens voornoemde [slachtoffer] tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam te slaan en/of te stompen en te schoppen en/of te stampen terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.
3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen en subsidiair een taakstraf waarvan een deel voorwaardelijk. De verdediging verzoekt om rekening te houden met de context van het incident omdat het slachtoffer een zeer negatieve invloed zou hebben gehad op moeder van de verdachte, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer werd vanuit het niets aangevallen door drie mannen, te weten de ex-partner, de zoon (zijnde de verdachte) en de neef van zijn vriendin. Hij werd daarbij geslagen, op de grond gegooid en weer geslagen en ook geschopt. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan onder meer een gebroken neus, meerdere botbreuken van beide jukbeenderen en gebroken botten van de oogkasbodem opgelopen. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor het slachtoffer een zeer beangstigende ervaring moet zijn geweest. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten niet alleen fysieke en emotionele schade bij het slachtoffer, maar dragen zij ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is vader van vier kinderen. De zorg voor het gezin rust in overwegende mate op de schouders van de verdachte. Hij doet vrijwilligerswerk bij een moskee en is op zoek naar betaald werk.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 3 juni 2022, omdat de verdachte toen een brief met de aankondiging van de dagvaarding en het concept van de beschuldiging van het OM heeft ontvangen. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna vier jaar verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte van de straf rekening gehouden met deze schending van artikel 6 EVRM.
4.3.4.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het forse letsel dat het slachtoffer als gevolg daarvan heeft opgelopen, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel zonder meer aan de orde zijn. In dit geval is echter sprake van een dusdanig oud feit en een forse overschrijding van de redelijke termijn dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend vindt. Gelet hierop en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. De rechtbank ziet in de door de verdediging voorgehouden context van het incident geen aanleiding om daarmee in het voordeel van de verdachte rekening te houden bij de op te leggen straf. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.
5
Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
7
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. E. IJspeerd en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.F. Meekhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 april 2026.
Mr. E. IJspeerd is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Voetnoot
Voetnoot 1
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
Voetnoot 2
Verklaard tijdens de zitting van 28 april 2026.
Voetnoot 3
Pagina 5 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .
Voetnoot 4
Pagina 28 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .
Voetnoot 5
FARR medische informatie betreffende [slachtoffer] d.d. 29 juni 2020, door [persoon A] , forensisch arts.