Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-128755-22
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-288999-21
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Datum zitting: 28 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] in [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. W.B.M. Bos,
officier van justitie: mr. X.C. van Balen,
benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2],
gemachtigde van de benadeelde partijen: mr. T.R. Buikema.
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer meermaals tegen het hoofd en/of de nek te schoppen. Hij wordt vrijgesproken van mishandeling van het andere slachtoffer. Uit het dossier kan namelijk niet worden afgeleid of de verdachte of zijn mededader het tweede slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren. De gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen. De vordering van de [benadeelde partij 1] wordt toegewezen. De [benadeelde partij 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem meermaals tegen het hoofd te schoppen. Daarnaast beschuldigt hij de verdachte van mishandeling van [slachtoffer 2]. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:
1. primairhij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022
te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer 1]opzettelijkvan het leven te beroven,- die [slachtoffer 1] een zogenaamde karatetrap heeft/hebben gegeven,
althans op/tegen zijn borst, althans op/tegen het bovenlichaam,
heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam
heeft/hebben geslagen en/of gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is
gekomen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam heeft/hebbengetrapt en/of geschopt en/of- die [slachtoffer 1], meermaals, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of
de nek, heeft/hebben getrapt en/of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022
te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederlandopenlijk, te weten, op/aan de Oostdijk, in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen voornoemde
[slachtoffer 1]
door- die [slachtoffer 1] een zogenaamde karatetrap te geven, althans op/tegen
zijn borst, althans op/tegen het bovenlichaam, te trappen en/of te
schoppen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te
slaan en/of te stompen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te
trappen en/of te schoppen en/of- die [slachtoffer 1], meermaals, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of
de nek, te trappen en/of te schoppen;
2hij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022 teOud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland,[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] eenmaal (met de vuist)
in/tegen de nek en/of het hoofd te slaan en/of te stompen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 108 (honderdacht) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 16 februari 2022 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 2);
veroordeelt de verdachte hoofdelijk (samen met de mededader) aan de [benadeelde partij 1] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.815,52 , bestaande uit € 215,52 als vergoeding van materiële schade en € 1.600,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 april 2022 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door de mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 1.815,52 te betalen, en de wettelijke rente daarover vanaf 30 april 2022 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 (achttien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 februari 2026.