Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:6764

Op 11 February 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-128755-22 en 10-288999-21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:6764. De plaats van zitting was Dordrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-128755-22 en 10-288999-21
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
12 June 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer meermaals tegen het hoofd en/of de nek te schoppen. Hij wordt vrijgesproken van mishandeling van het andere slachtoffer. Uit het dossier kan namelijk niet worden afgeleid of de verdachte of zijn mededader het tweede slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 180 uren. De gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen en niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-128755-22

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-288999-21

Datum uitspraak: 11 februari 2026

Datum zitting: 28 januari 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] in [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. W.B.M. Bos,

officier van justitie: mr. X.C. van Balen,

benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2],

gemachtigde van de benadeelde partijen: mr. T.R. Buikema.

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door het slachtoffer meermaals tegen het hoofd en/of de nek te schoppen. Hij wordt vrijgesproken van mishandeling van het andere slachtoffer. Uit het dossier kan namelijk niet worden afgeleid of de verdachte of zijn mededader het tweede slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren. De gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen. De vordering van de [benadeelde partij 1] wordt toegewezen. De [benadeelde partij 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem meermaals tegen het hoofd te schoppen. Daarnaast beschuldigt hij de verdachte van mishandeling van [slachtoffer 2]. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:

1. primairhij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022

te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer 1]opzettelijkvan het leven te beroven,- die [slachtoffer 1] een zogenaamde karatetrap heeft/hebben gegeven,

althans op/tegen zijn borst, althans op/tegen het bovenlichaam,

heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam

heeft/hebben geslagen en/of gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is

gekomen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam heeft/hebbengetrapt en/of geschopt en/of- die [slachtoffer 1], meermaals, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of

de nek, heeft/hebben getrapt en/of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiairhij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022

te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederlandopenlijk, te weten, op/aan de Oostdijk, in elk geval op of aan de

openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten tegen voornoemde

[slachtoffer 1] door- die [slachtoffer 1] een zogenaamde karatetrap te geven, althans op/tegen

zijn borst, althans op/tegen het bovenlichaam, te trappen en/of te

schoppen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te

slaan en/of te stompen, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of- die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te

trappen en/of te schoppen en/of- die [slachtoffer 1], meermaals, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of

de nek, te trappen en/of te schoppen;

2hij in of omstreeks de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022 teOud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, althans in Nederland,[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] eenmaal (met de vuist)

in/tegen de nek en/of het hoofd te slaan en/of te stompen.

2
Bewijs / vrijspraak
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van feit 1 primair (poging doodslag), maar dat hij partieel wordt vrijgesproken van het in vereniging plegen van deze poging tot doodslag. Ten aanzien van feit 2 (mishandeling) dient de verdachte te worden vrijgesproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en feit 2. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Partiële vrijspraak feit 1 primair

De beschuldiging van het in vereniging plegen van de poging tot doodslag is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de verdediging (zij het met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde openlijk geweld) tot de conclusie zijn gekomen dat van medeplegen geen sprake is geweest, zal deze partiële vrijspraak niet nader worden gemotiveerd.

2.3.2.

Vrijspraak feit 2

Feit 2 acht de rechtbank niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen. Uit het dossier blijkt weliswaar dat [slachtoffer 2] mishandeld is, maar onvoldoende blijkt of het de verdachte of zijn mededader is geweest die haar heeft mishandeld.

2.3.3.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk te doden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen (Voetnoot 1) en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van aangever (Voetnoot 2)

Op 29 april 2022, omstreeks 23.30 uur, bevond ik, [slachtoffer 1], mij buiten mijn woning gelegen aan [adres 2]. Terwijl ik op de grond lag merkte ik dat ik geschopt werd.

2. Verklaring van aangeefster (Voetnoot 3)

De andere jongen gaf hem van achteren een paar schoppen in het gezicht.

3. Verhoor van verdachte (Voetnoot 4)Die drie schoppen die op het filmpje te zien zijn, heb ik gedaan. Ik schopte de man met volle kracht. (…) Alleen zijn hoofd.

2.3.4.

Bewijsmotivering feit 1 primair

De eerste vraag die voorligt, is of de verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven door hem tegen het hoofd te schoppen. Daarvan kan reeds sprake zijn als hij bewust de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen tot de dood van het slachtoffer zou leiden, en het zogeheten voorwaardelijk opzet daarop heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat naar algemene ervaringsregels niet kan worden gesteld dat het geven van één of meerdere schoppen tegen het hoofd altijd, of in veel gevallen, leidt tot de dood van het slachtoffer. Onder bepaalde omstandigheden kan het schoppen tegen iemands hoofd echter wel de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Deze omstandigheden kunnen onder meer gelegen zijn in de kracht van het schoppen, de plek op het hoofd die wordt geraakt, het aantal schoppen, alsmede de staat en de positie waarin het slachtoffer zich op dat moment bevindt.

In dit geval is het slachtoffer door de medeverdachte met een karatetrap tegen de grond gewerkt. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte vervolgens boven het slachtoffer ging staan en hem meermaals sloeg. De medeverdachte heeft het slachtoffer tegen het hoofd geslagen. Terwijl dit gebeurde, nam de verdachte positie in naast het hoofd van het slachtoffer. Hij zwaaide zijn been naar achteren en heeft hierna drie keer met geschoeide voet en met volle kracht tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. Het slachtoffer bevond zich op dat moment in een positie waarin hij zich niet tegen het schoppen kon verweren. Hij lag namelijk op zijn rug en verweerde zich tegen de klappen van de medeverdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, door onder deze omstandigheden zo te handelen, bewust de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en heeft deze kans aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

2.3.5.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1 primairhij in de periode van 29 april 2022 tot en met 30 april 2022

te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,die [slachtoffer 1] meermaals tegen het hoofd en/of

de nek heeft getrapt en/of geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1 primair:

poging tot doodslag.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straffen
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor feit 1 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een taakstraf van 180 uren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Aan de verdachte moet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest worden opgelegd; een eventuele aanvullende onvoorwaardelijke moet hooguit worden opgelegd in de vorm van een taakstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich, nadat hij en de medeverdachte door het slachtoffer werden aangesproken op wildplassen, schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer na een zeer geringe aanleiding meermaals met volle kracht tegen het hoofd geschopt, terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag.

De verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het geweldsincident moet voor het slachtoffer en zijn familie buitengewoon bedreigend zijn geweest en heeft bij het slachtoffer, naast pijn en letsel, ook gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Ook een omstander is getuige geweest van het geweld dat heeft plaatsgevonden. Dergelijk geweld zorgt voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Dit weegt extra zwaar, omdat er slechts een futiele aanleiding was. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Fivoor van 21 januari 2026 staat het volgende. De verdachte heeft zijn leven op orde. Hij beschikt over een baan en heeft een eigen onderneming. Hij heeft afstand gedaan van zijn delict gerelateerde sociale netwerk. Er is geen sprake (meer) van instabiliteit op het gebied van zijn middelengebruik. Verder beschikt de verdachte over een beschermend netwerk en worden er geen risicofactoren gezien. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.

4.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 23 mei 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim drie jaar en acht maanden verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf in het voordeel van de verdachte.

4.3.4.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Zoals op de terechtzitting is gebleken, gaat het naar omstandigheden goed met de verdachte. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf beperken tot de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank daarnaast oplegging van een taakstraf van honderdtachtig uur passend.

5
Vordering van de benadeelde partijen
5.1.

Vorderingen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 215,52 als vergoeding voor materiële schade en € 1.600,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 11,57 als vergoeding voor materiële schade en € 500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van [benadeelde partij 1] kan volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van [benadeelde partij 2] kan worden afgewezen, omdat de verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de materiële schade van [benadeelde partij 1] aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van [benadeelde partij 1] ten aanzien van de immateriële schade dient gematigd te worden.

[benadeelde partij 2] moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak voor feit 2 is bepleit. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade [benadeelde partij 1]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de hoogte van de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 215,52 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.2.

Immateriële schade [benadeelde partij 1]

heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 primair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de zin van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.600,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. In tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om het schadebedrag te matigen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1600,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.3.

Schade [benadeelde partij 2]

De rechtbank zal de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde feit 2 zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

5.4.4.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom beiden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Als de mededader de schade (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

5.4.5.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij 1] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 april 2022.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij 1] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan voor de toegewezen vordering van [benadeelde partij 1] gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 18 (achttien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6
Vordering tot tenuitvoerlegging
6.1.

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 86 (zesentachtig) dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen wegens het lange tijdsverloop.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen wegens het lange tijdsverloop.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

7
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

8
Beslissingen

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 108 (honderdacht) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 16 februari 2022 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 2);

veroordeelt de verdachte hoofdelijk (samen met de mededader) aan de [benadeelde partij 1] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.815,52 , bestaande uit € 215,52 als vergoeding van materiële schade en € 1.600,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 april 2022 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door de mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 1.815,52 te betalen, en de wettelijke rente daarover vanaf 30 april 2022 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 (achttien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 februari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [nummer].

Voetnoot 2

Pagina 12 e.v.

Voetnoot 3

Pagina 15 e.v.

Voetnoot 4

Pagina 67 e.v.