Strafrecht overig

Vrijspraak van medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 11 kilo xtc-pillen. De verdachte was weliswaar bij…

Rechtbank Rotterdam, 13 mei 2026

Zaakgegevens

Op 13 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Dordrecht
Datum uitspraak
13 mei 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
10-016512-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7198
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 11 kilo xtc-pillen. De verdachte was weliswaar bij de overdracht van de xtc-pillen aanwezig, maar niet kan worden bewezen dat hij ook wetenschap had van de aanwezigheid daarvan of daarover kon beschikken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-016512-26

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Datum zitting: 29 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [adres].

Advocaat van de verdachte: mr. D.R. Kops

Officier van justitie: mr. M.J.W van Breukelen

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 11 kilogram xtc-pillen. De verdachte was weliswaar bij de overdracht van de xtc-pillen aanwezig, maar niet kan worden bewezen dat hij ook wetenschap had van de aanwezigheid daarvan of daarover kon beschikken.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met (een) ander(en) ruim 11 kilogram xtc-pillen aanwezig heeft gehad. De volledige tenlastelegging houdt in dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 11343 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MDMA

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Vrijspraak

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

De politie ontving op 16 januari 2026 een ANPR-melding met betrekking tot een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] Het voertuig was in het ANPR-systeem geplaatst in verband met ondermijnende criminaliteit. Het voertuig werd bestuurd door [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). [medeverdachte 1] reed naar een parkeerplaats bij het Prinsenplein in Rotterdam, waar hij [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en de verdachte ontmoette. [medeverdachte 1] droeg daar een Aldi-tas over aan [medeverdachte 2]. Vervolgens werden de verdachten aangehouden. De tas bleek ruim 11 kilo aan xtc-pillen te bevatten.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hem was gevraagd om met iemand mee te gaan en dat hij niet had gevraagd waarvoor. Hij wist niet dat het om drugs ging en hoefde naar eigen zeggen slechts mee te gaan voor protectie. De verdachte is toen door iemand opgehaald en is met die persoon in de auto meegegaan naar de ontmoeting op de parkeerplaats. De verdachte verklaarde wel dat hij van te voren het gevoel had dat het geen zuivere koffie was.

Het enkele gegeven dat de verdachte bij de overdracht van de Aldi-tas aanwezig was, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer leiden tot de conclusie dat hij ook wist of had kunnen weten wat er in de Aldi-tas zat. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij de beschikkingsmacht had over de in die tas aangetroffen xtc-pillen. De verdachte ontkent dat hij wist wat zich in de Aldi-tas bevond en bewijsmateriaal voor het tegendeel daarvan ontbreekt. Dat verdachte heeft verklaard dat hij het gevoel had dat het geen zuivere koffie was, is onvoldoende om te concluderen dat hij zich bewust in een situatie begaf waarin hij er donder op kon zeggen dat er drugs vervoerd of overgedragen zouden worden.

De rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat de verdachte al dan niet samen met een of meer anderen opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, harddrugs aanwezig heeft gehad. De verdachte wordt daarvan daarom vrijgesproken.

3 Beslissingen

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

4 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. A.M.H. Geerars en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 april 2026.

Mr. A.M.H. Geerars is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.