Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:7931

Op 30 June 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-219328-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:7931. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-219328-24
Datum uitspraak:
30 June 2026
Datum publicatie:
6 July 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging door samen met een vriend meermaals tegen het lichaam en hoofd van de aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-219328-24

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Datum zitting: 16 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] in [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. F. El Makhtari

Officier van justitie: mr. K.L. Rook

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging door samen met een vriend meermaals tegen het lichaam en hoofd van de aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest.

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd.

De volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) houdt in dat:

primairhij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiairhij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten op/aan de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam te schoppen.

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit en moet worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Vrijspraak poging doodslag (primair)

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

2.3.2.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (subsidiair)

Bewezen is dat de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer]. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen. (Voetnoot 1)

1. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 2)

Op 7 juli 2024 was ik samen met een vriend op de Lijnbaan in Rotterdam. Wij hebben een man geschopt. U, jongste rechter, toont de camerabeelden. Het klopt dat ik de persoon op de beelden ben met de capuchon op. U, jongste rechter, houdt mij voor dat ik de aangever drie keer zou hebben geschopt. Dat klopt.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer] (Voetnoot 3)

Op 7 juli 2024 ben ik op de Lijnbaan in Rotterdam tegen mijn hoofd geschopt. Dit was door twee mannen.

3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 4)

Camerabeelden Team Technisch Toezicht (Rotterdam Centrum, 7 juli 2024)

Verdachte 2 had een capuchon op zijn hoofd. Ik zag verdachte 1 onder de luifel vandaan komen en het slachtoffer op de grond vallen. Ik zag dat verdachte 1 zijn rechterbeen met hoge snelheid tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer aan schopte. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 zijn rechterbeen optilde en deze met snelheid op het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 1 de zijkant van het hoofd van het slachtoffer raakte, waardoor het hoofd van het slachtoffer op de grond terecht kwam en terugkaatste. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen optrok en met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 2 op het lichaam ter hoogte van de rechterbil van het slachtoffer kwam. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn rechterbeen naar achteren bewoog en met snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de rechtervoet van de verdachte het gezicht van het slachtoffer raakte. Ik zag dat het hoofd van het slachtoffer hierna naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen naar achteren en omhoog bewoog om vervolgens met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer te bewegen. Ik zag dat de linkervoet van verdachte 2 op het lichaam van het slachtoffer belandde ter hoogte van zijn rechterschouder. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn been naar achteren bewoog en op korte afstand met hoge snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat verdachte 1 zijn voet tegen het lichaam van het slachtoffer aankwam, ik zag niet waar dit op het lichaam was alleen dat het aan de bovenzijde van romp zou was.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 subsidiair

hij op 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op/tegen het gezicht, het hoofd en het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1 subsidiair

medeplegen van een poging tot zware mishandeling

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

3.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. De aangever heeft de confrontatie met de verdachte en zijn vriend opgezocht. Daartegen mochten zij zich verdedigen. De geweldshandelingen waren noodzakelijk en proportioneel. Mocht de rechtbank de geweldshandelingen niet proportioneel achten, dan doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Bij de verdachte was namelijk sprake van een hevige gemoedsbeweging ten tijde van de geweldshandelingen.

3.2.2.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is er inderdaad sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever waartegen verdediging noodzakelijk was. Deze verdediging was echter niet proportioneel gebleken. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen. Daarnaast is het bestaan van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte ten tijde van de geweldshandelingen niet aannemelijk geworden, waardoor het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.

3.2.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Op basis van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank vast dat de aangever als eerste de confrontatie heeft opgezocht door met beide armen naar voren gestoken op de vriend van de verdachte af te lopen en hem te duwen. De vriend van de verdachte heeft vervolgens de aangever teruggeduwd, waardoor de aangever op de grond is gevallen. Vrijwel direct daarna heeft de aangever het been van de vriend van de verdachte vastgepakt en vastgehouden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever, waartegen de verdachte en zijn vriend zich mochten verdedigen. Voor een beroep op noodweer is evenwel vereist dat de verdediging proportioneel was. Op de duw door de aangever is gereageerd door terug te duwen, waardoor de aangever op de grond viel. Dat handelen is op zichzelf niet disproportioneel. De verdachte en zijn vriend hebben vervolgens echter de aangever, die op dat moment de grond lag en het been van de vriend van de verdachte vasthad, meermalen met hoge snelheid tegen het hoofd en lichaam geschopt. De rechtbank vindt dat deze geweldshandelingen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Het beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte op het moment dat hij de aangever schopte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stellingen van de verdachte dat hij in paniek was, dat de aangever een brede man met tatoeages is en je in Rotterdam nooit weet of iemand “iets” (de rechtbank begrijpt: een wapen) bij zich heeft, bieden daarvoor onvoldoende basis. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Het feit en de verdachte zijn daarom dus strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Bij een strafoplegging wordt verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging. Een vriend van de verdachte is in conflict geraakt met de aangever en heeft hem – nadat hij zelf werd geduwd – op de grond geduwd. Toen de aangever vervolgens het been van de vriend van de verdachte vastpakte, hebben de verdachte en zijn vriend fors fysiek geweld gebruikt. De verdachte en zijn vriend hebben de aangever, die op dat moment nog op de grond lag, meerdere keren geschopt tegen zijn lichaam en op zijn hoofd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat de aangever in eerste instantie de confrontatie heeft opgezocht, waren deze geweldshandelingen buitenproportioneel en dit levert een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de aangever op. Bovendien zorgt dergelijk geweld voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer nu het geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg, in het uitgaansgebied in het centrum van Rotterdam.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad van 21 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 22 mei 2026 staat onder meer het volgende. Indien de verdachte wordt veroordeeld ziet de reclassering in het delict enige signalen van beperkte probleemoplossende vaardigheden. De verdachte komt sindsdien echter niet meer in aanraking met justitie. De reclassering acht het mogelijk dat het sociaal netwerk een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van zijn (delict)gedrag. De verdachte lijkt de schuld van het delict bij de aangever te leggen. De reclassering ziet hierdoor enige risico’s in zijn houding. In het leven van de verdachte is stabiliteit. Hij heeft vaste huisvesting, een vaste dagbesteding en een vast inkomen. Er is geen sprake van een schuldenlast, anders dan een studieschuld. Hij heeft een vriendin, woont bij zijn moeder waarmee hij een goede relatie heeft en heeft een baan als bezorger voor een apotheek. De verdachte heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet beperkte risico’s op herhaald (delict)gedrag en acht reclasseringstoezicht niet noodzakelijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft geen VOG gekregen door deze verdenking, waardoor zijn beoogde baan als glasvezelmonteur geen doorgang kon vinden. Hiervoor had hij al certificaten en cursussen behaald, waarvoor hij zo’n € 1.500,- euro heeft betaald.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de rol daarin van de aangever, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn jonge leeftijd), het tijdsverloop sinds het feit is gepleegd en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, zal geen gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf wel passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf – zoals door de verdediging is verzocht – wordt gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet passend geacht. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, alsmede de gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden van de strafzaak, zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

5
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

6
Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van 2 (twee) uur per dag, zodat 74 (vierenzeventig) uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. IJspeerd, voorzitter,

en mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.

Mrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [nummer].

Voetnoot 2

Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.

Voetnoot 3

Pagina 82.

Voetnoot 4

Pagina’s 34-36.