Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:8067

Op 7 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10/073695-26, 10/008304-26 en 10/353396 en TUL : 1, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:8067. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10/073695-26, 10/008304-26 en 10/353396 en TUL : 1
Datum uitspraak:
7 July 2026
Datum publicatie:
7 July 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10/073695-26, 10/008304-26 en 10/353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)

Parketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/329152-22 en 10/201224-24

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Datum zitting: 23 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok

Officier van justitie: mr. R.J.E. Planken

Benadeelde partij: [benadeelde]

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

1
Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

Parketnummer 10/073695-26

1

hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd

geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en/of gleuf van de

pinautomaat te grissen en/of weg te pakken en/of zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en/of zich los te rukken.

2

hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en/of

- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en/of rukken.

3

hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het

oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd

geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en/of trekken

Parketnummer 10/353396-26

hij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,

opzettelijk en wederrechtelijk

een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een

ander, te weten aan [slachtoffer 4] en/of Woningstichting Woonstad Rotterdam,

toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Parketnummer 10/008304-25

hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel

509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de

gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te

Rotterdam

door kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:

- zich niet zal ophouden in/op/rond de Josephstraat 52 te Rotterdam en

- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,

[naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,

[naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,

[naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,

door zich op te houden in/op/rond de [adres 3] en/of contact op te nemen

met die [naam 4] .

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10/073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10/073695-26 en de feiten onder parketnummers 10/008304-26 en 10/353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10/073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10/008304-26 en 10/353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10/073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Parketnummer 10/073695-26

Feit 2

De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;

Het proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;

Het proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .

Parketnummer 10/008304-26

De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;

Het proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;

Een ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10/353396-25.

Parketnummer 10/353396-25

De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;

Het proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .

De bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10/073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen (Voetnoot 1) en de onderstaande bewijsmotivering.

Feit 1

1. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 2)

Op 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.

2. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 3)

Op 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.

3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 4)

Op 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.

Bestandnaam stream 3:

(..)

08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.

Feit 3

1. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 5)

Op 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.

2. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 6)

Op 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.

3. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 7)

Op 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.

Ik, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.

Ik, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .

Ik zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.

Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .

Ik zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.

2.3.2.

Bewijsmotivering

De rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Parketnummer 10/073695-26

1

hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd

geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en/of gleuf van de

pinautomaat te grissen en/of weg te pakken en/of zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en/of zich los te rukken.

2

hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging

[adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en/of

- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en/of rukken.

3

hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,

100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het

oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en/of trekken

Parketnummer 10/353396-26

hij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,

opzettelijk en wederrechtelijk

een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een

ander, te weten aan [slachtoffer 4] en/of Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Parketnummer 10/008304-25

hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam

opzettelijk

heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam

door kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:

- zich niet zal ophouden in/op/rond de Josephstraat 52 te Rotterdam en

- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,

[naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,

[naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,

[naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,

door zich op te houden in/op/rond de [adres 3] en/of contact op te nemen

met die [naam 4] .

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 10/073695-26

1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

2
diefstal;

3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

Parketnummer 10/353396-26

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

Parketnummer 10/008304-25

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

3.3.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10/008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.

De rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.

Pro Justitia rapport en reclasseringsadvies

Uit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.

Uit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

4.3.3.

Oplegging straf

De verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het

bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die

in soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,

waarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de

voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de

reclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn

bedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.

5
In beslag genomen voorwerpen
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10/073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .

6
Vordering van de benadeelde partij
6.1.

Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10/073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Uit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

6.3.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

7
Vordering tot tenuitvoerlegging
7.1.

Vordering

Parketnummer 10/329152-22

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Parketnummer 10/201224-24

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en/of vrijetijdsbesteding.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10/329152-22 en 10/201224-24 gestelde voorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10/329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.

De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.

De voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.

8
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9
Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10/073695-26, 10/008304-26 en 10/353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10/353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;

verklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

de verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

de verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

de verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

de verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

de verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

In beslag genomen voorwerpen

- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers 10/329152-22 en 10/201224-24)

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;

wijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;

Vordering benadeelde partij

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10/073695-26);

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.

10
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.H. Kroon, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.

Mr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]

Voetnoot 2

Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.

Voetnoot 3

Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.

Voetnoot 5

Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.

Voetnoot 6

Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.

Voetnoot 7

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.