Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:8069

Op 7 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10/043912-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:8069. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10/043912-23
Datum uitspraak:
7 July 2026
Datum publicatie:
7 July 2026

Indicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/043912-23

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Datum zitting: 23 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat

Officier van justitie: mr. T. Lucas

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.

1
Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2

Hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en/of Rotterdam, althans in Nederland,

(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die

voorwerp(en) was/waren,

en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3

Hij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te

Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen althans eenmaal

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

een (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met

factuurnummer [factuurnummer]

als ware het echt en onvervalst, door

deze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.

4

Hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,

in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde

en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten

ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr./rolnr. C/10/652291 / HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,

mondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .

2
Bewijs feit 1 / vrijspraak feiten 2 tot en met 4
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen (Voetnoot 1) en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 2)

Op 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.

Omstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)

Wij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.

(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.

(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.

2. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 3)

(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.

(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.

Ik heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.

3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]  (Voetnoot 4)

V: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?

A: Dat is [naam 3] .

V: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?

A: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.

V: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?

A: Vrijdag

V: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?

A: Telegram.

O: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.

V: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?

A: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.

4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]  (Voetnoot 5)

0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?

A: Ja.

V: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?

A: Nou ja.

Foto 1, van fotobijlage 1:

aanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.

Einde 12, betreft wat er over is na 1 dag.

3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.

V: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan " [naam 3] "?

A: Ja.

V: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze " [naam 3] "?

A: Ja.

5. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 6)

Op 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.

Ik zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .

6. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 7)

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

Goednummer: [beslagnummer]

SIN: AAQA1727NL

Relatie met SIN: AAQW1827NL

Aantal: 17

Omschrijving: wikkels met wit poeder

Bijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe

Gewicht netto: 11,51 gram

Ruybal: positief op cocaïne

7. Deskundigenverslag (Voetnoot 8)

Kenmerk

Omschrijving FO

Conclusie

AAQW1827NL

Poeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek

Bevat cocaïne

8. Proces-verbaal van de politie (Voetnoot 9)

Op 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:

- Verhoor van verdachte [naam 2] ,

- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,

- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,

- Telefoon behorende bij [naam 2]

In de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene " [naam 3] " communiceert via de

dienst Telegram.

Op 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.

[naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond

16:00 meeten ergens kalm an

Bij1 09:51: Isg

[naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent

[naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate

Waar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn

(..)

[naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt

Nu is dat nog op je heenweg

Je rijdt daar toch langs

[naam 2] 15:47: Red ik nooit

Aank 16:30

Red ik colm niet

[naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort

Jooo

[naam 2] : 1620

Zorg dat je er bent

[naam 2] 16:22 Ik ben er

Waar rij je

[naam 3] 16:22 Onderweg

Haal maar broodje voor jezelf

eerder rijd afspreken

Niet 45 min van te voren tot zo

[naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm

jij schreef rond 16 uur

Maatje

[naam 3] 16:23: Het is jou schuld

Niet

Dus don't worry

[naam 2] 16:23: Ik doe mijn best

In deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00

uur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze " [naam 3] " verdachte [verdachte] is.

Tevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze " [naam 3] " en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.

Dit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en " [naam 3] " via de Telegram app.

Zondag 16/1/22

Aanvang: 23

Einde: 12

-------------------

11 x 50 = 550

Retour P ----? 50

Cash 600

2.3.2.

Bewijsmotivering

De verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.3.4.

Vrijspraak feiten 2 tot en met 4

Feit 2 (Witwassen)

Vaststaande feiten

Bij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.

Beoordeling

Het gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .

Deze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.

Uit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.

Daarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.

Verder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .

Gelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 3 (valsheid in geschrift)

Ten aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.

Onder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 4 (meineed)

Ten aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Feit 1

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.

4.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.

4.3.4.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

5
In beslag genomen voorwerpen
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.

6
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

7
Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

In beslag genomen voorwerpen

- gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.

8
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.H. Kroon, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3

Voetnoot 3

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26

Voetnoot 4

Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.

Voetnoot 5

Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.

Voetnoot 7

Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.

Voetnoot 8

Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.

Voetnoot 9

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.