Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:8459

Op 13 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 83-171226-21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:8459. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
83-171226-21
Datum uitspraak:
13 July 2026
Datum publicatie:
13 July 2026

Indicatie

Bewezen is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg), dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 4.539.378 en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen (gelijk aan het voorarrest) en een taakstraf van 240 uur. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn fors is overschreden en met de strafbeschikking die aan een medeverdachte is opgelegd. De verdachte wordt vrijgesproken van feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruikmaken van valse geschriften en oplichting. De benadeelde partijen (zorgverzekeraars) worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-171226-21

Datum uitspraak: 13 juli 2026

Datum zitting: 9, 10, 11, 12 en 15 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].

Advocaten van de verdachte: mr. J. Zevenboom en mr. N.M. van Boekel

Officieren van justitie: mr. M.L.M. Kuiper en mr. R.J.W. Kerckhoffs

Benadeelde partij: [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1])

Advocaat van de benadeelde partij: mr. A. Vaarkamp

Benadeelde partij: [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2])

Advocaat van de benadeelde partij: mr. E. Kallenberg

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg), dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 4.539.378 en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen (gelijk aan het voorarrest) en een taakstraf van 240 uur. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn fors is overschreden en met de strafbeschikking die aan een medeverdachte is opgelegd. De verdachte wordt vrijgesproken van feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruikmaken van valse geschriften en oplichting. De benadeelde partijen (zorgverzekeraars) worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1
Inleiding

In de jaren voorafgaand aan het onderzoek naar de verdachte en de medeverdachten zijn er bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA) meerdere meldingen binnengekomen over zorgondernemingen die zouden frauderen met zorggelden. Naar aanleiding daarvan is het strafrechtelijk onderzoek Waupun gestart, hetgeen heeft geleid tot de verdenking dat sprake was van een georganiseerd crimineel verband rondom de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zij zouden een werkwijze hebben uitgedacht waarmee fraude met zorggelden kon plaatsvinden. Dit vormde de aanleiding voor een nader onderzoek naar twee zorgondernemingen die zich richt(t)en op het verlenen van thuiszorg: [zorgonderneming 1] (hierna: [zorgonderneming 1]) in Utrecht (onderzoek New Richmond) en [zorgonderneming 2] (hierna: [zorgonderneming 2]) in Amsterdam (onderzoek Thorpe). Daarbij zijn ook de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in beeld gekomen. Onder de naam Hoxie is vervolgens een overkoepelend onderzoek gestart naar de verdachten en het georganiseerde verband.

De zorgonderneming [zorgonderneming 1] is opgericht op 26 november 2015 en failliet verklaard op 3 december 2019. De formele bestuurders waren achtereenvolgens [naam 1] (van 26 november 2015 tot en met 1 mei 2018 en van 1 juli 2018 tot en met 1 september 2018) en haar moeder [naam 2] (vanaf 1 mei 2018). De verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden beiden een dienstverband bij [zorgonderneming 1]. De stelling van de NLA en het Openbaar Ministerie is dat [naam 1] slechts bestuurder op papier was en dat [naam 2] met name een uitvoerende rol had. De [medeverdachte 1] zou de daadwerkelijke zeggenschap hebben gehad; hij zou achter de schermen de daadwerkelijke eigenaar zijn geweest. [medeverdachte 2] (de stiefzoon van [medeverdachte 1]) en de verdachte zouden een grotere rol hebben vervuld dan die van een werknemer en nauw betrokken zijn geweest bij het reilen en zeilen binnen de onderneming.

De zorgonderneming [zorgonderneming 2] is opgericht op 11 februari 2019. Als bestuurders staan [medeverdachte 3] (vanaf de oprichting tot 1 november 2020) en haar vader [medeverdachte 4] (sinds 1 november 2020) geregistreerd. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat [zorgonderneming 2] in feite een voortzetting is van [zorgonderneming 1] en dat naast de formele bestuurders ook de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] (die tevens indirect aandeelhouder is) en [verdachte] nauw betrokken waren bij de onderneming.

[zorgonderneming 1] noch [zorgonderneming 2] had contracten met zorgverzekeraars en beide zorgondernemingen waren daarmee zogenaamde ‘ongecontracteerde’ zorgaanbieders. Dit houdt in dat zij geen afspraken hebben gemaakt met zorgverzekeraars over bijvoorbeeld de hoogte van de vergoeding van de zorg en de kwaliteit van de zorg. Zorgverzekeraars vergoeden niet-gecontracteerde wijkverpleging alleen als zij daar voorafgaand aan de zorg een machtiging voor hebben afgegeven. Onderdeel van een aanvraag van een dergelijke machtiging is een indicatiestellig door een BIG-geregistreerde wijkverpleegkundige en een onderbouwing van de zorgvraag. In het geval van [zorgonderneming 1] was sprake van een betaalovereenkomst waarbij [zorgonderneming 1] de verleende zorg zelf rechtstreeks bij de zorgverzekeraar kon declareren. Bij [zorgonderneming 2] moesten de verzekerden de zorgnota’s zelf declareren bij de zorgverzekeraars en betaalden zij vervolgens [zorgonderneming 2].

De verdenking die uit de bovengenoemde strafrechtelijke onderzoeken naar voren is gekomen, komt er in de kern op neer dat [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2], al dan niet samen met indicatiestellers, misbruik hebben gemaakt van dit systeem en zorg hebben gedeclareerd en/of gefactureerd die niet of niet geheel is geleverd. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van valse facturen, urenoverzichten en dagrapportages en er zou een onvolledige en (deels) onjuiste administratie gevoerd zijn. [zorgonderneming 2] zou daarnaast weinig eigen personeel in dienst hebben en voornamelijk gebruikmaken van onderaannemers (vaak familieleden van cliënten), waardoor de door zorgverzekeraars uitgekeerde zorggelden vrij snel door [zorgonderneming 2] werden uitbetaald aan de onderaannemers en er weinig zicht was op wat er daarna mee gebeurde. De ontvangen zorggelden zouden door de zorgonderneming (in het geval van [zorgonderneming 1]) of door de onderaannemers (in het geval van [zorgonderneming 2]) contant zijn gemaakt en vermoedelijk zijn verdeeld tussen de zorgonderneming, de onderaannemers en de cliënten.

2
Tenlastelegging

In de tenlastelegging is de bovenstaande verdenking vertaald naar de volgende concrete feiten: het plegen van valsheid in geschrift (feit 2), het gebruikmaken van valse geschriften (feit 3), oplichting van zorgverzekeraars (feit 4) en het maken van een gewoonte van het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg (feit 5). De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Daarnaast wordt hij beschuldigd van het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 6) en het deelnemen aan een criminele organisatie (feit 1). De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.

3
Geldigheid van de dagvaarding
3.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. De onderdelen van de tenlastelegging die zien op artikel 36 Wmg (feiten 1 en 5) voldoen volgens de verdediging niet aan de wettelijke eisen. De tenlastelegging is ten aanzien van die onderdelen onvoldoende geconcretiseerd, onvoldoende duidelijk en onbegrijpelijk. Omdat deze onderdelen een aanzienlijk deel van de tenlastelegging behelzen en alle andere feiten daarmee samenhangen, schiet de tenlastelegging als geheel tekort.

De verdediging baseert haar standpunt op de volgende argumenten:

1) Onduidelijke normering: rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid

In de tenlastelegging is, behoudens de verwijzing naar artikel 36 Wmg, geen normering opgenomen. Het eerste lid van artikel 36 Wmg bevat een (semi-)open norm die slechts vereist dat er een administratie is waaruit blijkt welke prestaties zijn overeengekomen en geleverd, wanneer die prestaties zijn geleverd, aan wie, tegen welk tarief en wat in verband daarmee is of moet worden verrekend. Het begrip ‘administratie’ wordt niet verder gedefinieerd en er zijn geen kwaliteitsnormen opgenomen ten aanzien van de aansluiting met de facturatie.

Op grond van het derde lid heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) de bevoegdheid nadere regels te stellen. De tenlastelegging bevat echter geen verwijzing naar andere regelgeving. Zonder concretisering is de norm onvoldoende concreet, hetgeen rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid met zich meebrengt. Deze onduidelijkheid wordt niet weggenomen door de tenlastelegging in samenhang met het dossier te lezen, nu het procesdossier verwijst naar de Richtlijn verslaglegging van V&VN (2011). Deze richtlijn bevat slechts aanbevelingen en kan als zodanig niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift dat kan dienen als normatief kader dat strafrechtelijk wordt gesanctioneerd.

2) Onduidelijke verwoording: het ontbreken van de hoedanigheid ‘zorgaanbieder’

De wettekst van artikel 36 Wmg verwijst naar ‘zorgaanbieder’ en ‘ziektekostenverzekeraar’ als normadressanten. Deze hoedanigheid is ten onrechte niet opgenomen in de tenlastelegging, terwijl dit een onderscheidend en vereist element betreft en er bovendien een keuze moet worden gemaakt tussen beide alternatieven. Verder is feit 1, het lidmaatschap van een criminele organisatie, enkel aan natuurlijke personen ten laste gelegd, die niet kwalificeren als zorgaanbieder of ziektekostenverzekeraar. De verwijzing naar het niet voldoen aan een administratieplicht met betrekking tot dit feit maakt de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig en onduidelijk, althans onbegrijpelijk.

3.2.

Oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering vereist dat de tenlastelegging voldoende feitelijk en duidelijk is, zodat de verdachte weet waartegen hij of zij zich moet verdedigen. Of daaraan is voldaan hangt af van de bewoordingen van de tenlastelegging en het dossier waarop zij is gebaseerd. Daarbij wordt opgemerkt dat ingewikkelde (economische) regelgeving op zichzelf niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding.

Ad 1

De formulering van de tenlastelegging haakt rechtstreeks aan bij de wettekst van het eerste lid van artikel 36 Wmg. Daarin staat dat zorgaanbieders en ziektekostenverzekeraars een administratie moeten voeren waaruit blijkt welke prestaties zijn overeengekomen en geleverd, wanneer en aan wie, welke tarieven daarvoor in rekening zijn gebracht en welke betalingen of vergoedingen in verband daarmee zijn ontvangen of verricht. De rechtbank is van oordeel dat deze wettekst voldoende feitelijk en duidelijk is en dat daaruit volgt dat een zorgaanbieder een administratie moet voeren op grond waarvan nagegaan kan worden of en in hoeverre zorg terecht wordt gedeclareerd. In het (omvangrijke) dossier en in de door de officieren van justitie (hierna: de officier van justitie) op voorhand toegezonden ‘bouwstenen voor het bewijs’ is duidelijk uiteengezet welke gebreken en tekortkomingen er op dit punt aan de administratie zouden kleven. Het moet voor de verdediging dan ook voldoende duidelijk zijn wat de verdachte wordt verweten.

De rechtbank acht het kwalijk dat het dossier een op het oog onjuiste verwijzing naar de Richtlijn verslaglegging van V&VN (2011) bevat en dat de officier van justitie pas in repliek heeft gewezen op de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-1914 en de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-2002. In deze regelingen heeft de NZa nader geconcretiseerd waaraan de in artikel 36 Wmg genoemde administratie moet voldoen. Daarin staat onder meer opgenomen dat de administratie zo ingericht moet zijn dat een audit-trail mogelijk is en dat de NZa en de zorgverzekeraar te allen tijde de mogelijkheid moeten hebben om de vastlegging van de uitgevoerde zorg op juistheid te controleren (respectievelijk artikel 4.2 en artikel 4 lid 2).

Dat in het dossier ten onrechte wordt verwezen naar de Richtlijn verslaglegging leidt echter niet tot nietigheid van de dagvaarding nu de vereisten, uitgewerkt in de Regelingen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, reeds voldoende voortvloeien uit de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen, bezien in samenhang met het dossier.

Ad 2

Uit de wettekst van artikel 36 lid 1 Wmg volgt dat ‘zorgaanbieders’ en ‘zorgverzekeraars’ de zogenoemde normadressanten zijn. Uit het dossier volgt dat [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] zorgaanbieders zijn. Gelet daarop moest het voor de verdediging volstrekt duidelijk zijn dat de verdachte wordt aangesproken als feitelijk leidinggever van [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] in hun hoedanigheid als zorgaanbieder. Het ontbreken van die hoedanigheid in de tenlastelegging leidt dan ook niet tot de nietigheid van de dagvaarding.

Evenzo moet het voor de verdediging duidelijk zijn geweest dat verwijzing naar de administratieplicht bij het lidmaatschap van een criminele organisatie betrekking had op het ten laste gelegde feitelijk leidinggeven door de verdachte aan het plegen van strafbare feiten door [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2]. Dit maakt de tenlastelegging niet innerlijk tegenstrijdig, onduidelijk en/of onbegrijpelijk, en leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding.

Conclusie

De tenlastelegging, die aanhaakt bij het eerste lid van artikel 36 Wmg, maakt in samenhang met het dossier voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich moet verdedigen. De dagvaarding is geldig.

4
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Aan het onderzoek kleven volgens de verdediging ernstige vormverzuimen. Die vormen een zodanig ernstige inbreuk op het recht op een eerlijke behandeling (schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde), dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Deze inbreuk is niet herstelbaar en kan niet of onvoldoende worden gecompenseerd door een andere maatregel dan een niet-ontvankelijkverklaring.

Aan deze stelling liggen de volgende argumenten ten grondslag:

1) Vooringenomenheid opsporingsonderzoek en vervolging

Volgens de verdediging is het onderzoek naar de activiteiten van [zorgonderneming 2] gekleurd door de resultaten van het onderzoek naar [zorgonderneming 1]. Er is ten onrechte van uitgegaan dat de ‘criminele organisatie’ die achter [zorgonderneming 1] gezeten zou hebben, zou zijn voortgezet binnen [zorgonderneming 2]. Het onderzoek naar [zorgonderneming 2] is daardoor gekleurd en getuigt, ook door de wijze waarop er is geverbaliseerd, van vooringenomenheid.

2) Gebrekkige onderzoeksselectie; geen representatief en zorgvuldig onderzoek

De onderzochte zorgdossiers vormen volgens de verdediging geen representatieve selectie van het totale cliëntenbestand van [zorgonderneming 2]. Zo zijn ten onrechte cliënten meegenomen die waren ‘overgenomen’ van [zorgonderneming 1]. Als er wat deze cliënten betreft fouten waren gemaakt bij [zorgonderneming 1], dan komen diezelfde fouten weer naar boven in het onderzoek naar [zorgonderneming 2]. Verder heeft te gelden dat elke organisatie zich ermee geconfronteerd ziet dat mogelijk slordigheden of fouten in de administratie sluipen. Van belang is dan vast te stellen hoe die zich verhouden tot het grotere geheel.

Een procentuele ratio van (on)juistheden ontbreekt in dit onderzoek, waardoor het onderzoek en de bevindingen ook om die reden bij voorbaat onzorgvuldig zijn.

3) Geen nadere regels ondanks noodzaak en ontbreken van toezicht en handhaving

In het verlengde van het gevoerde verweer met betrekking tot nietigheid van de dagvaarding stelt de verdediging dat ter invulling van de (te) open normen van artikel 36, eerste en tweede lid, Wmg geen regeling is opgesteld met algemeen verbindende voorschriften voor het zorgveld waarin [zorgonderneming 2] actief was. Zo’n regeling is er bijvoorbeeld wel met betrekking tot langdurige zorg. Het ontbreken van zo’n regeling maakt dat onduidelijk is aan welke kwalitatieve en kwantitatieve eisen de administratie moet voldoen en welke foutmarge acceptabel is.

De verdediging merkt op dat in een proces-verbaal van bevindingen inzake de beoordeling van de rapportages wordt gesteld dat “in geen van de dossiers de rapportages voldoen aan de richtlijn V&VN”. Deze richtlijn bevat slechts aanbevelingen voor de verslaglegging en kan niet dienen als normatief kader dat strafrechtelijk wordt gesanctioneerd.

4) Bestendiging rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid en aantasting rechtspositie [zorgonderneming 2] c.s.

Juist omdat de wetgeving (art. 36 Wmg) onduidelijk is en niet strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden, mocht worden verwacht dat tegen eventuele administratieve misstanden bestuursrechtelijk zou worden opgetreden. Er is echter niet gebleken van enig toezicht door de NZa, laat staan van (voorgenomen) bestuursrechtelijke handhaving. Toezicht, controle en uiteindelijk bestuursrechtelijke handhaving hadden kunnen helpen om partijen als [zorgonderneming 2] duidelijk te maken welke regels er gelden. Het is - mede gelet op de (semi-)open normen van art. 36 Wmg - zeer onzorgvuldig dat bestuursrechtelijke controle en handhaving zijn uitgebleven en dat meteen is gekozen voor strafrechtelijk optreden.

5) Geen eigen volledig zelfstandige beoordeling door politie en justitie

De verdediging is van mening dat het opsporingsonderzoek te veel leunt op informatie die is verstrekt door zorgverzekeraars. Er heeft geen volledig zelfstandige beoordeling door de NLA en justitie plaatsgevonden. Er zijn ongefundeerde en onjuiste conclusies/opinies overgenomen, afkomstig van derden die niet onafhankelijk zijn maar wel (financieel) belanghebbend.

6) Schending van het beginsel van interne openbaarheid bij de totstandkoming van de aangiften.

Naar de mening van de verdediging is onvoldoende inzichtelijk geworden hoe de aangiften precies tot stand zijn gekomen. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om de wijze van totstandkoming, de daarbij betrokken personen, de onderlinge afstemming en de feitelijke grondslag van de aangifte adequaat te toetsen. Daardoor wordt de verdediging beperkt in haar mogelijkheid om de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid te onderzoeken.

Alle drie de betrokken verzekeraars ([zorgverzekeraar 1], [zorgverzekeraar 2] en [zorgverzekeraar 3]) zijn in eerste instantie na eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat bij [zorgonderneming 2] geen sprake was van fraude. [zorgverzekeraar 1] en [zorgverzekeraar 3] zijn pas naar aanleiding van informatie van de NLA tot de conclusie gekomen dat sprake is van fraude. Zij zijn beïnvloed door die informatie en zijn – aldus de verdediging - aangezet om aangifte te doen.

7) Gelijkheidsbeginsel; afdoening zaak [naam 2]

De verdediging vindt het onbegrijpelijk dat [naam 2], die binnen [zorgonderneming 1] een belangrijke rol vervulde, niet is gedagvaard maar dat haar bij strafbeschikking een taakstraf van slechts 84 uur is opgelegd, zonder ontnemingsvordering. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel; er is geen redelijke en billijke belangenafweging gemaakt ten aanzien van de vervolging van de andere verdachten. In dit verband is het voorwaardelijk verzoek gedaan om het OM een proces-verbaal te laten opmaken waarin wordt beschreven welke afwegingen ertoe hebben geleid dat aan [naam 2] deze strafbeschikking is opgelegd.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

Ad 1

Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat [zorgonderneming 2] in zekere zin een voortzetting was van [zorgonderneming 1]. Niet alleen heeft [zorgonderneming 2] een aantal cliënten overgenomen van [zorgonderneming 1]; ook een aantal personen (waaronder de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) was bij beide entiteiten betrokken. [zorgonderneming 1] was bij de NLA al in beeld vanwege mogelijke misstanden en strafbare feiten. Onder die omstandigheden is het niet vreemd dat, nadat [zorgonderneming 1] failliet was gegaan, de focus van het opsporingsonderzoek werd verlegd naar [zorgonderneming 2]. Ook de rechtbank is opgevallen dat in processen-verbaal van bevindingen en relaas-pv’s een (negatief) gekleurd beeld wordt geschetst. Dat getuigt niet per se van vooringenomenheid, maar maakt wel dat het dossier kritisch moet worden gelezen, met in het achterhoofd de vraag: zijn er voldoende objectieve gegevens die de stellingen van de NLA en het Openbaar Ministerie ondersteunen?

Ad 2

In de onderzochte periode had [zorgonderneming 2] een cliëntenbestand van ongeveer 50 personen. In het onderzoek is gefocust op een selectie van 13 cliënten van [zorgonderneming 2] en de bijbehorende zorgverleners. Dat niet alle 50 zorgdossiers bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken, is vanuit een oogpunt van opsporingscapaciteit begrijpelijk; de onderzochte 13 dossiers vormen een betrekkelijk grote steekproef uit het volledige cliëntenbestand. In het dossier is helder uiteengezet (Voetnoot 1) hoe de zorgdossiers die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken, zijn geselecteerd. Die selectie geeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomenheid.

Ad 3 en 4

In de overwegingen betreffende de geldigheid van de dagvaarding heeft de rechtbank al stilgestaan bij het wettelijk kader van artikel 36 Wmg. De conclusie was dat de tenlastelegging, die aanhaakt bij artikel 36, eerste lid, Wmg, voldoende duidelijk maakt tegen welk verwijt de verdachten zich moeten verweren.

De onder 3 en 4 weergegeven argumenten zien meer op de vraag of de verdachten – los van en vóór het strafrechtelijk onderzoek – voldoende duidelijk kon zijn aan welke administratieve verplichtingen zij zich moesten houden.

De rechtbank stelt voorop dat niet valt in te zien waarom de gestelde onduidelijkheid van het wettelijk kader zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Zoals hierboven onder 3.2 vermeld, is het (ook) de rechtbank opgevallen dat het dossier op het oog onjuiste, dan wel onvolledige informatie bevat over de regelgeving op dit punt. De in het dossier aangehaalde ‘Richtlijn verpleegkundige verslaglegging en overdracht’ van de beroepsvereniging voor verpleegkundigen en verzorgenden in Nederland (V&VN) bevat aanbevelingen (dus geen strafrechtelijk handhaafbare voorschriften) en is niet gebaseerd op artikel 36, derde lid, Wmg. In repliek heeft de officier van justitie gewezen op de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-1914 en de Regeling verpleging en verzorging NR/REG-2002. Die door de NZa uitgebrachte regelingen hebben wel artikel 36, derde lid, Wmg als basis en bevatten onder meer bepalingen over de eisen die aan de administratie worden gesteld.

Dat de laatstgenoemde regelingen niet in het dossier zijn genoemd, laat onverlet dat juist een professionele marktpartij als [zorgonderneming 2] de verantwoordelijkheid heeft om zich terdege te (laten) informeren over de eisen waaraan de administratie moet voldoen. De administratie is binnen het werkveld van [zorgonderneming 2] cruciaal: aan de hand van die administratie moet achteraf te verantwoorden zijn welke prestaties zijn geleverd en gedeclareerd en welke indicatiestellingen daaraan ten grondslag liggen. Ook zonder kennis van de verdere regelgeving had bekend kunnen en moeten zijn dat declaraties moeten kloppen en moeten aansluiten op de urenregistraties en zorgrapportages en uiteindelijk op de indicatiestellingen.

De stelling dat eerst binnen het bestuursrecht controlerend en zo nodig handhavend had moeten worden opgetreden voordat werd overgegaan tot strafrechtelijk ingrijpen, gaat eraan voorbij dat het Openbaar Ministerie een eigen bevoegdheid heeft om bij verdenking van strafbare feiten een onderzoek te starten.

Ad 5 en 6

Het valt de rechtbank op dat deze twee argumenten met elkaar in tegenspraak lijken. Enerzijds wordt gesteld dat de NLA zich bij het opsporingsonderzoek te veel heeft laten leiden door informatie uit de aangiften; anderzijds wordt het verwijt gemaakt dat de aangiften zijn ingegeven door informatie uit het opsporingsonderzoek.

In veel strafzaken is een zekere verwevenheid van opsporingsonderzoek en aangifte onvermijdelijk. Te denken valt aan de situatie waarin de politie de vernieling van een auto constateert en vervolgens de eigenaar van die auto informeert over de mogelijkheid om aangifte te doen. Die aangifte kan vervolgens weer informatie bevatten die nuttig is voor het opsporingsonderzoek.

Dat de NLA in de onderhavige zaak klakkeloos de informatie uit de aangiften heeft overgenomen en nauwelijks eigen onderzoek heeft gedaan, wordt weersproken door het lijvige onderzoeksdossier en door de vele opsporingsmiddelen (waaronder telefoontaps, OVC en infiltratie) die zijn ingezet.

Dat en hoe er informatie van de NLA naar de verzekeraars is gegaan, is voldoende transparant beschreven in het dossier.

Ad 7

Het Openbaar Ministerie heeft vanuit het opportuniteitsbeginsel een ruime bevoegdheid om al dan niet te vervolgen en om te kiezen voor dagvaarding of voor een andere afdoeningswijze. Alleen als het gelijkheidsbeginsel daarbij zodanig met voeten wordt getreden dat een verschil in afdoeningsmodaliteit volstrekt onbegrijpelijk is, zou onder omstandigheden niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen volgen. Daarbij is nog van belang dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel vaak problematisch is omdat het lastig is om apert gelijke gevallen aan te wijzen.

Ter zitting heeft de officier van justitie voldoende openheid van zaken gegeven met betrekking tot de strafbeschikking die aan [naam 2] is opgelegd en inzicht gegeven in de overwegingen die tot die strafbeschikking hebben geleid. De rechtbank vindt het niet nodig dat daarover nog een proces-verbaal van bevindingen wordt opgesteld.

Uit het dossier rijst het beeld op dat [naam 2] binnen [zorgonderneming 1] een belangrijke, aansturende rol heeft gehad bij de strafbare feiten die zouden zijn gepleegd. Om die reden is het – ook volgens de rechtbank – opvallend te noemen dat zij is ‘weggekomen’ met een betrekkelijk lichte taakstraf en dat tegen haar geen ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt. De rechtbank houdt dit in het achterhoofd voor het geval zij in deze strafzaak tot bewezenverklaring en strafoplegging komt, maar vindt de gekozen afdoeningswijze in de zaak tegen [naam 2] niet zo onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige strafzaken niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Conclusie

De verweren, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, worden verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5
Bewijs
5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de bewijsoverwegingen worden besproken.

5.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 en 6 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de bewijsoverwegingen worden besproken.

5.3.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 5 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan door de rechtspersonen [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] gepleegde strafbare feiten. In paragraaf 5.3.1. wordt ingegaan op het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader van feitelijk leidinggeven. Vervolgens wordt in de paragrafen 5.3.2. tot en met 5.3.4. per feit uiteengezet of sprake is van een door de rechtspersoon gepleegd strafbaar feit en zo ja, of de verdachte daarvoor als feitelijk leidinggever verantwoordelijk gehouden kan worden. Daarna wordt in de paragrafen 5.3.7. en 5.3.8. ingegaan op de overige ten laste gelegde feiten: respectievelijk witwassen (feit 6) en deelname aan een criminele organisatie (feit 1).

5.3.1.

Toetsingskader feitelijk leidinggeven (feiten 2, 3, 4 en 5)

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:733) het toetsingskader van feitelijk leidinggeven als volgt uiteengezet. Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijk leidinggeven eerst dient te worden beoordeeld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Indien dit het geval is, komt pas de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de verboden gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Dat is in beginsel het geval wanneer de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. Daarvan kan sprake zijn indien zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

het gaat om handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking of uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,

de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,

e rechtspersoon had de mogelijkheid erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waaronder mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Wanneer de delictsomschrijving van het strafbare feit opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt de vraag aan de orde of iemand als feitelijk leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. De enkele omstandigheid dat een verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, is niet voldoende om hem aan te merken als feitelijk leidinggever. Anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste. Ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon kan feitelijk leidinggeven aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Daarnaast kan sprake zijn van feitelijk leidinggeven indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene door de verdachte gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn indien de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en zulke maatregelen achterwege laat.

5.3.2.

Valsheden (feiten 2 en 3)

5.3.2.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan het vervalsen dan wel gebruik maken van alle in de tenlastelegging opgenomen documenten gevorderd, met uitzondering van de onder feit 2 ten laste gelegde urenlijsten met documentnummers DOC-018-75-16 en DOC-018-75-18 en de onder feit 2 en 3 ten laste gelegde factuur met nummer DOC-018-09-76.

5.3.2.2. Oordeel van de rechtbank

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [zorgonderneming 1] vervalsen van dagrapportages en declaraties en het door [zorgonderneming 2] vervalsen van urenlijsten en facturen (feit 2) en dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] gebruik maken van die valse declaraties/facturen door ze te verzenden naar de betreffende zorgverzekeraar (feit 3). De rechtbank is van oordeel dat deze feiten in het geheel niet kunnen worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Dagrapportages ([zorgonderneming 1])

Het staat vast dat de in de tenlastelegging opgenomen dagrapportages zien op niet-bestaande dagen. Zo zijn er dagrapportages gedateerd op 29, 30 en 31 februari 2017 en 31 september 2017. Dat maakt ze dus in beginsel vals. De vraag is echter of het foutief dateren opzettelijk is gebeurd en zo ja, of dit aan [zorgonderneming 1] kan worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt niet wie de dagrapportages heeft opgemaakt, alleen dat deze moesten worden opgemaakt door de persoon die de zorg verleende. Voor [zorgonderneming 1] geldt dat zij vaste werknemers in dienst had en dat zij daarnaast gebruik maakte van zelfstandigen. In het geval dat de ten laste gelegde dagrapportages zouden zijn opgemaakt door werknemers van [zorgonderneming 1], ligt toerekening daarvan aan [zorgonderneming 1] in beginsel voor de hand. In het geval de dagrapportage zou zijn opgemaakt door een zelfstandige, bestaat de mogelijkheid van toerekening eveneens, te meer als het dossier aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de gedraging binnen de normale bedrijfsvoering paste en/of er binnen [zorgonderneming 1] een zodanige feitelijk gang van zaken gold dat het foutief dateren van dagrapportages werd aanvaard. Uit het dossier kan zoals gezegd echter niet worden afgeleid wie de ten laste gelegde dagrapportages heeft of hebben opgemaakt en of dezen de dagrapportages opzettelijk foutief heeft of hebben gedateerd. Dat dit foutief dateren zou passen binnen de normale bedrijfsvoering of kennelijke feitelijke gang van zaken en zou duiden op een aanvaarding daarvan is ook niet gebleken. De door [aangever] geschetste mogelijkheid dat de dagrapportages achteraf zijn opgemaakt, naar aanleiding van haar verzoek om informatie, is daartoe niet voldoende, ook niet bezien in het licht van de overige omstandigheden die uit het dossier naar voren komen. Daar komt bij dat het om slechts zes dagrapportages gaat op een groot aantal dagrapportages die door [zorgonderneming 1] aan [zorgverzekeraar 3] zijn aangeleverd. Bij deze stand van zaken kan dit deel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

Declaraties ([zorgonderneming 1])

Het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het door [zorgonderneming 1] vervalsen van declaraties kan evenmin worden bewezen. De ten laste gelegde documenten zijn namelijk Excel-overzichten die door [zorgverzekeraar 3] zijn opgemaakt en overgelegd. Weliswaar bevatten deze overzichten declaratieregels van [zorgonderneming 1] van zorg die wel gedeclareerd is maar vermoedelijk niet is geleverd omdat de betreffende cliënten toentertijd in Turkije verbleven, maar ze zijn niet door [zorgonderneming 1] opgemaakt. Anders gezegd: het zou kunnen dat de brondocumenten die [zorgonderneming 1] heeft aangeleverd, niet strookten met de werkelijkheid, maar die brondocumenten zijn niet in de tenlastelegging vermeld.

[cliënt 1] ([zorgonderneming 2])

Met betrekking tot de urenlijsten en facturen aangaande [cliënt 1], genoemd in de tenlastelegging, heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze vals zijn omdat daarin verpleging wordt gerapporteerd, terwijl de betrokken zorgverlener, [medeverdachte 5] (handelend onder de naam [zorgaanbieder 1]), daartoe niet bevoegd was. Zij beschikte namelijk niet over de daarvoor vereiste BIG-registratie. Zij heeft zelf ook verklaard slechts persoonlijke verzorging te hebben verricht. [cliënt 1] heeft echter verklaard dat de zorg werd verleend door meerdere personen, waarvan één iemand apart voor de medicijnen en insuline. Daarnaast heeft de echtgenoot van [medeverdachte 5], [medeverdachte 2], ter zitting verklaard dat hij de facturen opmaakte en de administratie verzorgde voor [zorgaanbieder 1] en dat het verrichten van verplegingshandelingen werd uitbesteed aan een derde. In het bijzonder gelet op de verklaring van [cliënt 1] kan daarmee niet worden bewezen dat de urenlijsten en facturen vals zijn.

[cliënt 2] ([zorgonderneming 2])

Ten aanzien van de urenlijst en de factuur voor maart 2021 met betrekking tot [cliënt 2] geldt dat uit de in het dossier beschreven camerabeelden uit die periode blijkt dat er op de in de urenlijst genoemde momenten niemand in de woning aanwezig was, op één moment na. Op die momenten kan dus geen zorg zijn verleend, hetgeen zowel de factuur als de urenlijst vals maakt. Voor de factuur over de periode augustus 2020 geldt dat daar geen zorgadministratie aan ten grondslag lag. Daar staat tegenover dat de zorg niet werd verleend door [zorgonderneming 2], maar door een onderaannemer, [zorgaanbieder 2]. Dat betekent dat beoordeeld moet worden of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [zorgonderneming 2]. De gedraging is verricht door iemand die uit anderen hoofde voor [zorgonderneming 2] werkzaam was en die [zorgonderneming 2] ook dienstig is geweest, maar ook hier geldt dat het dossier, mede bezien het gegeven dat de verdachte van de overige ten laste gelegde valsheden wordt vrijgesproken, geen aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat er binnen [zorgonderneming 2] sprake was van een beleid of een feitelijke gang van zaken inhoudende de aanvaarding van het niet-verlenen van zorg. Dat betekent dat ook voor deze stukken niet kan worden bewezen dat zij door [zorgonderneming 2] vals zijn opgemaakt.

[cliënt 3] ([zorgonderneming 2])

Met betrekking tot de ten laste gelegde urenlijsten die zien op de heer [cliënt 3] heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, omdat deze in het geval van DOC-018-75-16 verwijst naar een urenlijst uit 2019 (en dus niet april 2020) en DOC-018-75-18 een rapportage uit het administratiesysteem Cliendo is. De rechtbank zal de officier van justitie daarin volgen, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan de vervalsing van deze twee urenlijsten.

Het voorgaande geldt eveneens voor de factuur over januari 2021. Weliswaar staat vast dat het in het administratiesysteem Cliendo gerapporteerde zorgmoment op 7 januari 2021 niet kan kloppen omdat [cliënt 3] toen aan het pinnen was en de betrokken zorgverlener op datzelfde moment aanwezig was bij een vergadering van [zorgonderneming 2], maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de middels de factuur gedeclareerde zorg niet op een eerder of later moment die dag is geleverd. Bij deze stand van zaken bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de valsheid van de betreffende factuur.

[cliënt 4] ([zorgonderneming 2])

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in de tenlastelegging genoemde documentnummers van de facturen over respectievelijk juli 2020 (DOC-018-78-15) en januari 2021 (DOC-018-78-23) verbeterd moeten worden gelezen. Bedoeld waren de facturen met nummers DOC-018-079-05 en DOC-018-079-12. De rechtbank gaat daar niet in mee. Mede gezien de omvang van het dossier en de duur van dit strafrechtelijk onderzoek mag worden verwacht dat in de tenlastelegging de documenten worden genoemd waarop het verwijt van valsheid ziet. De officier van justitie heeft er niet voor gekozen een vordering tot wijziging van de tenlastelegging in te dienen. Onder deze omstandigheden moet deze omissie voor rekening van het OM blijven. De verdachte zal ten aanzien van deze facturen worden vrijgesproken.

Cliënten [cliënt 5] en [cliënt 6] ([zorgonderneming 2])

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het vervalsen van de factuur over maart 2021 van [cliënt 6] (DOC-018-09-76), omdat er nog geen camera geplaatst was gedurende de gefactureerde periode. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het bewijs voor de valsheid van deze factuur ontbreekt.

Ook ten aanzien van de factuur over de tweede periode van maart 2021 voor [cliënt 6] en de factuur voor haar echtgenoot [cliënt 5] kan niet worden vastgesteld dat deze vals zijn. Weliswaar is er volgens de urenlijsten die ten grondslag zouden moeten liggen aan de factuur zorg geregistreerd op momenten waarop blijkens de camerabeelden niemand de woning is in- of uitgegaan, maar de ten laste gelegde facturen vermelden een veel lager bedrag dan volgt uit de urenlijsten, ook indien deze gecorrigeerd worden voor de momenten waarop geen zorg kan zijn verleend. Dat hier iets niet klopt moge duidelijk zijn, maar dat betekent nog niet dat bewezen kan worden dat [zorgonderneming 2] de in de factuur vermelde zorg niet of slechts gedeeltelijk heeft geleverd of heeft doen leveren.

Conclusie

Het is niet bewezen dat [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het vervalsen van de onder feit 2 ten laste gelegde documenten. Dat betekent dat evenmin kan worden bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde gebruik daarvan. Nu niet is vastgesteld dat sprake is van door de rechtspersonen begane strafbare feiten, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. De verdachte zal van beide feiten worden vrijgesproken.

5.3.3.

Oplichting (feit 4)

5.3.3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [zorgonderneming 2] oplichten van meerdere zorgverzekeraars voor een bedrag van € 1.701.661,- door bedrieglijk in te spelen op procedures, door valse facturen, declaratieformulieren, urenlijsten en dagrapportages op te maken en door niet bekend te maken dat werd gewerkt met onderaannemers die familie van de cliënten waren.

5.3.3.2. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ook de onder feit 4 ten laste gelegde oplichting niet bewezen kan worden en overweegt daartoe als volgt.

Wat het onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde betreft (het bedrieglijk inspelen op en/of (administratieve) handelingen of vastlegging aanpassen aan de procedures en/of omstandigheden bij het uitbetalen van zorggelden door zorgverzekeraars en/of bij controle door die zorgverzekeraars achteraf), geldt dat het dossier geen bewijs bevat voor handelingen van die strekking.

Uit het hiervoor met betrekking tot de feiten 2 en 3 overwogene volgt dat evenmin bewezen kan worden dat [zorgonderneming 2] de zorgverzekeraars heeft opgelicht door middel van het vervalsen of doen vervalsen van facturen, declaratieformulieren, urenlijsten of dagrapportages.

Onder het vierde gedachtestreepje is ten laste gelegd dat [zorgonderneming 2] niet aan de betreffende zorgverzekeraars bekendmaakte dat in een aantal gevallen de zorg aan haar cliënten werd verleend door onderaannemers die eerste- of tweedegraads familieleden waren van die cliënten. Van de zorgverzekeraars heeft alleen [zorgverzekeraar 3] in haar verhoor bij de NLA onomwonden verklaard dat in het geval zorg door familieleden werd verleend zonder voorafgaande toestemming, dit niet werd goedgekeurd. Wat de andere twee zorgverzekeraars ([zorgverzekeraar 1] en [zorgverzekeraar 2]) betreft, kan op basis van het dossier dus niet worden geconcludeerd dat zij zouden zijn bewogen tot betaling van bedragen die ze niet zouden hebben betaald indien zij wisten dat onderaannemers van [zorgonderneming 2] familieleden waren.

Dat [zorgonderneming 2] [zorgverzekeraar 3] hierdoor heeft opgelicht, kan echter ook niet bewezen worden. De plicht tot het kenbaar maken dat de zorg werd verleend door een familielid lag bij de verzekerde zelf. Aanknopingspunten voor de stellingen dat [zorgonderneming 2] a) wetenschap had dat dat gegeven niet kenbaar werd gemaakt aan de zorgverzekeraar en b) daartoe aanzette, blijken niet uit het dossier. Het is weliswaar opvallend dat kennelijk meerdere keren is nagelaten kenbaar te maken dat zorg werd verleend door familieleden, maar mede gelet op de grote hoeveelheid administratie die met het aanvragen van zorg gepaard gaat, is dit gegeven niet zonder meer voldoende voor een bewezenverklaring van oplichting.

Conclusie

Niet bewezen is dat [zorgonderneming 2] zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 4 ten laste gelegde oplichting. Nu niet is vastgesteld dat sprake is van een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. De verdachte wordt van feit 4 vrijgesproken.

5.3.4.

Overtreding artikel 36 Wmg (feit 5)

5.3.4.1. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het overtreden van artikel 36 Wmg aangevoerd dat geen sprake is geweest van het opzettelijk niet voeren van een administratie. Artikel 36 Wmg bevat geen duidelijke normering met kwalitatieve eisen (waaronder acceptabele foutmarges), waardoor het onvoldoende vooraf kenbaar is wanneer wordt voldaan aan de vereisten van dit artikel. Ten aanzien van [zorgonderneming 2] geldt daarnaast dat het ging om een jonge onderneming. Zij heeft Cliendo, een duur administratiesysteem, in gebruik genomen met de intentie de zaken op orde te hebben. Zij beschikte ook over stukken waaruit de overeengekomen en geleverde prestaties blijken. Door de overname van cliënten van [zorgonderneming 1] en het gebruik van onderaannemers zijn er onvermijdelijk fouten ingetreden, maar de NZa had door middel van bestuursrechtelijke handhaving duidelijkheid moeten scheppen over de norm en de onderneming de tijd moeten geven om de administratie op orde te krijgen.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte niet als feitelijk leidinggever verantwoordelijk gehouden kan worden voor eventuele gebreken in de administratie bij [zorgonderneming 1] of [zorgonderneming 2]. De werkzaamheden van de verdachte bij [zorgonderneming 1] waren voornamelijk administratief van aard, waaronder eveneens het voeren van gesprekken met cliënten viel. Hij had geen zeggenschap over de financiële administratie of het opmaken van urenregistraties of dagrapportages. Bij [zorgonderneming 2] had de verdachte geen enkele formele of feitelijke betrokkenheid.

5.3.4.2. Oordeel van de rechtbank

In de overwegingen betreffende de geldigheid van de dagvaarding heeft de rechtbank al stilgestaan bij het wettelijk kader van artikel 36 Wmg. De rechtbank heeft hierboven al overwogen dat zij deze normering voldoende duidelijk acht en dat professionele marktpartijen als [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] bovendien zelf de verantwoordelijkheid hebben om zich terdege te (laten) informeren over de eisen waaraan de administratie moet voldoen. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat de wijze van normstelling niet tot vrijspraak leidt en gaat nader in op de vraag in hoeverre de administratie van [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] aan deze norm voldeed.

Ten aanzien van [zorgonderneming 1]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [zorgverzekeraar 3] een fraudeonderzoek heeft uitgevoerd naar [zorgonderneming 1], waarbij 146 zorgdossiers zijn gecontroleerd. De conclusie van het onderzoek was dat in alle dossiers de aangeleverde dagrapportages niet aansloten bij de gedeclareerde zorg. (Voetnoot 2) De NLA heeft de onderzoeksbevindingen van [zorgverzekeraar 3] getoetst ten aanzien van acht verzekerden, de in de tenlastelegging genoemde personen. De conclusie was dat in alle gevallen voor verschillende perioden waarin zorg was gedeclareerd, dagrapportages ontbraken. (Voetnoot 3) Hierdoor kon niet worden nagegaan welke zorg feitelijk was geleverd voor de gedeclareerde gelden, hetgeen gelet op wat eerder is overwogen een overtreding van het eerste lid van artikel 36 Wmg oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat deze overtreding ook redelijkerwijs aan [zorgonderneming 1] kan worden toegerekend. De gedraging heeft in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden: het voeren van een administratie is in de bedrijfsvoering en de taakuitoefening van een zorgaanbieder cruciaal. Daarnaast is de gedraging de rechtspersoon dienstig geweest: [zorgonderneming 1] heeft op grond van de ingediende declaraties zorggelden ontvangen, zonder over de daarbij behorende onderbouwing te beschikken. Het opzet kan bovendien worden afgeleid uit de feitelijke gang van zaken binnen de onderneming. Uit een uitgevoerde capaciteitsberekening volgt dat het feitelijk onmogelijk is dat [zorgonderneming 1] alle door haar gedeclareerde zorg feitelijk heeft geleverd. (Voetnoot 4) Wanneer ook [zorgverzekeraar 1] een fraudeonderzoek naar [zorgonderneming 1] uitvoert, wordt er geen enkele administratie aangeleverd (Voetnoot 5) en na het faillissement van [zorgonderneming 1] blijkt dat er helemaal geen fysieke of digitale administratie in het pand aanwezig is. (Voetnoot 6) Tijdens een heimelijk opgenomen gesprek wordt er door de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gesproken over het laten verdwijnen (verbranden) van de administratie, kennelijk zodat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van fraude. (Voetnoot 7) Een gedeelte van de administratie wordt uiteindelijk na een heimelijke doorzoeking bij de schoonmoeder van [medeverdachte 2] aangetroffen. (Voetnoot 8) Dit betrof onder andere incomplete dagrapportages waarop geen namen van zorgverleners waren vermeld.

Ten aanzien van [zorgonderneming 2]

Bij de doorzoeking van het pand van [zorgonderneming 2] is wel een fysieke en digitale administratie aangetroffen. Op grond van de verschillende getuigenverklaringen van werknemers en zorgverleners kan bovendien een beeld geschetst worden van de wijze waarop deze administratie gevoerd werd. Daaruit volgt dat de facturen, die de basis vormen van de declaraties bij de zorgverzekeraars, werden opgemaakt aan de hand van urenoverzichten. (Voetnoot 9) Deze urenoverzichten werden echter niet door de zorgverleners, maar door de medewerkers van [zorgonderneming 2] op kantoor ingevuld. (Voetnoot 10) De zorg werd door de zorgverleners vastgelegd in dagrapportages, die werden geregistreerd in het administratiesysteem Cliendo. (Voetnoot 11) De NLA heeft een selectie gemaakt van 13 cliënten (de in de tenlastelegging genoemde personen) waarvan zij de gefactureerde en uitbetaalde zorg heeft vergeleken met de onderliggende administratie. In alle gevallen wordt geconcludeerd dat de administratie gebrekkig is. De rechtbank volgt deze conclusie ten aanzien van 12 van de 13 cliënten. Uit de bevindingen van de NLA met betrekking tot deze cliënten volgt dat de dagrapportages niet aansluiten op de urenoverzichten en facturen die ten grondslag liggen aan de declaraties. Zo ontbreken er rapportages op dagen waarvoor er wel uren worden genoteerd op de urenoverzichten, worden er rapportages voorafgaand aan of ver na de veronderstelde zorgmomenten opgesteld en lijkt er sprake te zijn van knip- en plakwerk. (Voetnoot 12) Hierdoor kan niet gecontroleerd worden welke zorg feitelijk is geleverd voor de gedeclareerde gelden, hetgeen een overtreding van artikel 36 Wmg oplevert. Alleen ten aanzien van de cliënt [cliënt 21] (Voetnoot 13) onderschrijft de rechtbank de stelling van de NLA niet. Voor de periode waarvan facturen ten aanzien van deze cliënt zijn aangetroffen, wijken de uren in de dagrapportages weliswaar iets af, maar er wordt meer gerapporteerd dan gefactureerd. Er lijkt dus geen sprake te zijn van het ontbreken van dagrapportages. Er zijn ook geen aanwijzingen van knip- en plakwerk of andere onregelmatigheden in de rapportages. Weliswaar volgen er uit camerabeelden indicaties dat de cliënt mogelijk niet of minder zorgbehoevend was, maar onduidelijk is of (de medewerkers van) [zorgonderneming 2] hiervan op de hoogte zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de overtreding van artikel 36 Wmg ook redelijkerwijs aan [zorgonderneming 2] kan worden toegerekend. Om dezelfde redenen als bij [zorgonderneming 1] oordeelt de rechtbank dat de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden en de rechtspersoon dienstig is geweest. Ook bij [zorgonderneming 2] leidt de rechtbank het opzet af uit de feitelijke gang van zaken binnen de onderneming. [zorgonderneming 2] had in de onderzochte periode een cliëntenbestand van ongeveer 50 personen. De onderzochte 13 dossiers vormen dan ook een betrekkelijk grote steekproef uit het volledige cliëntenbestand. Bij 12 van de 13 cliënten is er een administratie die niet voldoet aan de eisen van artikel 36 Wmg, waarbij het ook nog eens gaat om grove onvolkomenheden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat niet meer gesproken kan worden van gebreken die in een normale bedrijfsvoering onvermijdelijk zijn. De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat [zorgonderneming 2] de mogelijkheid had moeten krijgen om de tekortkomingen te herstellen of dat eerst bestuursrechtelijk gehandhaafd had moeten worden. Uit de wet volgt dat het opzettelijk niet voeren van een deugdelijke administratie nou eenmaal een strafbaar feit is. Het is de verantwoordelijkheid van [zorgonderneming 2] om zich aan de wet te houden.

Feitelijk leidinggeven

Nu is vastgesteld dat artikel 36 Wmg niet is nageleefd en dat dit feit kan worden toegerekend aan [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2], moet de vraag worden beantwoord of de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die gedraging.

De rechtbank stelt vast dat de [medeverdachte 6] in haar verklaringen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] een belangrijke rol toedicht binnen [zorgonderneming 1]. Omdat niet valt uit te sluiten dat zij met deze verklaringen geprobeerd heeft om haar eigen rol kleiner te laten lijken, moet haar verklaring zeer kritisch worden bezien. De rechtbank zal om die reden haar verklaringen niet als bewijsmiddel gebruiken.

De verdachte kwam volgens gegevens uit SUWI / Belastingdienst per 1 januari 2018 in dienst bij [zorgonderneming 1] als salesmanager. Hij heeft over zijn rol verklaard (Voetnoot 14) dat hij “veel dossiers” voorbij heeft zien komen. “Ik deed bij [zorgonderneming 1] veel administratie, juridisch, cliëntenonderhoud om het zo maar te noemen.” Indicatiesteller [naam 3] (Voetnoot 15) zegt over de verdachte: “Als we overleg hadden of iets dergelijks bij [zorgonderneming 2], dan kwam hij ook aanschuiven. Dit was een werkoverleg, overleg over de organisatie, hoe alles ging.” In een getapt telefoongesprek (Voetnoot 16) met een medewerker van een autobedrijf geeft de verdachte uitleg over de werkwijze met betrekking tot het factureren binnen [zorgonderneming 1], waarbij duidelijk wordt dat hijzelf zich daarmee bezighoudt: “Zij, ik factureer door aan hun en zij factureren door aan de zorgverzekeraars.” Tijdens een heimelijk opgenomen gesprek (Voetnoot 17) op 17 september 2019, waaraan ook de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] actief deelnemen, wordt (kennelijk) gesproken over problemen wanneer stukken uit de administratie van [zorgonderneming 1] worden gevonden; er wordt gesproken over het laten verdwijnen (verbranden) van de administratie.

In juni 2019 voert de verdachte een telefoongesprek (Voetnoot 18) met [medeverdachte 4] over “wat er nog gedaan moet worden aangaande [zorgonderneming 2]”; kennelijk houdt de verdachte zich bezig met de oprichting van het nieuwe bedrijf. Dit blijkt ook uit het gegeven dat in zijn uitgaande e-mail (Voetnoot 19) de concept-akte van oprichting van [zorgonderneming 2] is aangetroffen.

Ook binnen [zorgonderneming 2] hield de verdachte zich bezig met administratie. Uit een gesprek (Voetnoot 20) dat een infiltrant voerde met hem en [medeverdachte 2] blijkt dat de verdachte goed op de hoogte was van het proces rond indicatiestelling en verantwoording van zorg, inclusief de veranderende regelgeving en hoe daarmee kon worden omgegaan: “Erdal zei dat er telkens wetswijzigingen plaatsvinden en dat er telkens gebruik wordt gemaakt van de mazen van de wet, als er iets gesloten is, dan kijken hoe we weer binnen kunnen.” De verdachte was ook geautoriseerd voor het administratiesysteem Cliendo; in zijn e-mails (Voetnoot 21) zijn bovendien diverse organisatorische en administratieve stukken aangetroffen. In mei 2020 voerden de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] een gesprek (Voetnoot 22) over het invullen van urenlijsten aan de hand van het beschikbare budget.

Uit het bovenstaande blijkt dat de verdachte zowel binnen [zorgonderneming 1] als binnen [zorgonderneming 2] een rol had die aanzienlijk verder ging dan die van een puur uitvoerend administratief medewerker. Hij wist van de hoed en de rand, van de “mazen in de wet” en was actief betrokken bij de overgang van een deel van de activiteiten van [zorgonderneming 1] naar [zorgonderneming 2]. Uit dit alles blijkt dat hij wat de administratie betreft een belangrijke rol had, die maakt dat hij ten aanzien van de overtreding van artikel 36 Wmg (mede-)feitelijk leidinggevende was.

Gewoonte maken

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte van het plegen van een overtreding van artikel 36 Wmg een gewoonte heeft gemaakt. Het zijn namelijk de rechtspersonen [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] die de strafbare feiten hebben gepleegd. Voor dit onderdeel hadden dan ook de rechtspersonen opgenomen moeten worden in de tenlastelegging in plaats van ‘verdachte’.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg. Niet bewezen is dat de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

5.3.5.

Witwassen (feit 6)

5.3.5.1. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het onder feit 6 ten laste gelegde witwassen slechts bewezen kan worden ten aanzien van de op de bankrekening van de verdachte ontvangen geldbedragen. De verdachte heeft ten aanzien van de overige geldbedragen geen wetenschap gehad van enige verhullingshandeling.

5.3.5.2. Oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat sprake is van een voorwerp met een criminele herkomst. Daarnaast moet de verdachte wetenschap hebben gehad van deze criminele herkomst.

Voor een bewezenverklaring van het in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen afgeleid moet kunnen worden dat het voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig bepaald misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het afkomstig is uit enig misdrijf. Dit kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het bewijs dat de officier van justitie heeft aangedragen feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Als de verdachte vervolgens een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die alternatieve herkomst.

Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Criminele herkomst

In de periode van 1 januari 2016 tot en met 16 april 2019 heeft een groot aantal opvallende transacties via de bankrekeningen van [zorgonderneming 1] plaatsgevonden. Middels 1.212 opnames is er in totaal een bedrag van ruim € 1,7 miljoen euro contant opgenomen. (Voetnoot 23) Vaak werden in meerdere transacties op één dag totaalbedragen van € 5.000 of € 10.000 opgenomen. Daarnaast is er ruim € 500.000 overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ruim € 400.000 is betaald via overboekingen waarbij in de omschrijving het woord ‘lening’ stond. Er is door [zorgonderneming 1] echter nooit rente ontvangen, en er is op één uitzondering na ook geen aflossing gedaan op enige lening. Verder zijn grote totaalbedragen betaald aan betrokkenen bij [zorgonderneming 1], waaronder de verdachte en zijn medeverdachten, met omschrijvingen als ‘lening’, ‘opstart bedrijf’, en ‘overname dossiers’. In totaal was met deze betalingen aan deze personen ruim € 1,2 miljoen euro gemoeid.

De NLA heeft voor dezelfde periode onderzocht of [zorgonderneming 1] op basis van de beschikbare uren van het eigen personeel en van haar onderaannemers genoeg capaciteit had om de uren die zij heeft gedeclareerd aan zorgverzekeraars ook daadwerkelijk te kunnen leveren. Uit de berekening in het dossier blijkt dat dat niet het geval is geweest. Er blijven 110.933 uren over die niet uit de beschikbare uren verklaard kunnen worden, hetgeen omgerekend staat voor een omzet van € 4.539.378,36. (Voetnoot 24)

Op grond van deze feiten en omstandigheden is er sprake van een gerechtvaardigd vermoeden dat [zorgonderneming 1] gelden heeft ontvangen die geen legale herkomst hadden. Zij zijn namelijk door zorgverzekeraars betaald aan [zorgonderneming 1] voor zorg die kennelijk niet geleverd is. Daarmee is sprake van een vermoeden van witwassen, zonder dat het Openbaar Ministerie gehouden is om nader onderzoek te doen naar het vermoedelijke gronddelict. Omdat er geen administratie van [zorgonderneming 1] is aangetroffen, is een dergelijk onderzoek ook niet mogelijk geweest. Gezien dit witwasvermoeden is het aan de verdachte om een verklaring te geven voor de herkomst van het geld.

De verdachte heeft geen andere verklaring gegeven voor de herkomst van de € 4.539.378,36 die uit de capaciteitsberekening van het Openbaar Ministerie volgt, en hetzelfde geldt voor zijn medeverdachten. Dat maakt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de op de bankrekeningen van [zorgonderneming 1] voor de onverklaarbare uren ontvangen vergoedingen een legale herkomst hadden. Daarom kan een criminele herkomst van dit geldbedrag als enige aanvaardbare verklaring gelden.

Wetenschap

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de bedragen die door [zorgonderneming 1] op zijn rekeningen zijn betaald en die hij in contanten heeft opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige wetenschap had van verhullingshandelingen ten aanzien van andere bedragen. Het totaal ten laste gelegde bedrag kan daarom niet worden bewezen, aldus de verdediging.

Om de redenen, vermeld in paragraaf 5.3.4.2, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer goed op de hoogte was van alle aspecten van de bedrijfsvoering van [zorgonderneming 1]. Dat betekent ook dat hij wist dat een aanzienlijk deel van de gelden die [zorgonderneming 1] ontving van [zorgverzekeraar 3] en [zorgverzekeraar 1] een criminele herkomst had – namelijk declaraties voor niet-verleende zorg.

Daarbij is van belang dat de verdachte bedragen van in totaal € 318.332 die [zorgonderneming 1] van de zorgverzekeraars had ontvangen en die vervolgens op zijn bankrekeningen waren overgemaakt contant heeft opgenomen, naar eigen zeggen om die aan anderen binnen [zorgonderneming 1] af te geven (Voetnoot 25). Dat gebeurde in de regel direct nadat [zorgonderneming 1] de betreffende bedragen op zijn bankrekening had bijgeschreven. Ook dit duidt op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en andere betrokkenen binnen [zorgonderneming 1]. De rol van de verdachte bij deze handelingen was daarbij significant: het waren immers (mede) zijn bankrekeningen waarlangs de omzetting van giraal in contant geld liep. De verdachte kan dan ook worden aangemerkt als medepleger van witwassen.

De rechtbank acht ook gewoontewitwassen bewezen omdat de witwashandelingen over een lange periode en middels veel transacties en dus stelselmatig zijn uitgevoerd.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het gewoonte witwassen van een door [zorgonderneming 1] ontvangen geldbedrag van € 4.539.378.

5.3.6.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 1)

5.3.6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende blijkt dat bij [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] sprake was van een organisatie met een crimineel oogmerk, namelijk het plegen van zorgfraude, en dat de verdachte aan deze organisatie heeft deelgenomen.

5.3.6.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de rol van de verdachte bij eventuele fraude binnen [zorgonderneming 1] beperkt is gebleven tot het ontvangen van een aantal geldbedragen op zijn rekening in een kortere periode dan ten laste is gelegd. Bij [zorgonderneming 2] had hij geen betrokkenheid.

5.3.6.3. Oordeel van de rechtbank

De verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] wordt verweten dat zij deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie. Om tot een bewezenverklaring daarvan te komen moet de rechtbank vaststellen of sprake was van een organisatie die het oogmerk had om misdrijven te plegen en of de verdachte daaraan heeft deelgenomen. In het dossier en in de tenlastelegging wordt steeds een onderscheid gemaakt tussen [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2]. De rechtbank zal dat onderscheid ook maken bij de beoordeling of sprake was van een criminele organisatie.

Ten aanzien van [zorgonderneming 1]

Gebleken is dat [zorgonderneming 1] meer zorg declareerde dan feitelijk geleverd kon worden en dat er ook concrete misdrijven zijn gepleegd, namelijk het niet voeren van een juiste administratie in de zin van artikel 36 Wmg en gewoontewitwassen. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen eerder is overwogen, volgt dat deze gedragingen in een georganiseerd verband hebben plaatsgevonden. De verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben hierbij ieder een rol gespeeld en hebben samengewerkt. Gelet daarop acht de rechtbank ten aanzien van deze personen een crimineel samenwerkingsverband bewezen.

Ten aanzien van [zorgonderneming 2]

Gebleken is dat [zorgonderneming 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het niet voeren van een juiste administratie in de zin van artikel 36 Wmg. De rechtbank is echter van oordeel dat enkel het voeren van een gebrekkige administratie onvoldoende is om te kunnen spreken van een oogmerk om misdrijven te plegen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat na het faillissement van [zorgonderneming 1] nog sprake is geweest van een crimineel samenwerkingsverband en acht evenmin bewezen dat de bestuurders van [zorgonderneming 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], onderdeel zijn geweest van de criminele organisatie.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte in de periode tussen de oprichting en het faillissement van [zorgonderneming 1] deel uitmaakte van een crimineel samenwerkingsverband. Niet bewezen is dat de verdachte ten tijde van [zorgonderneming 2] deelnam aan een criminele organisatie.

5.3.7.

Conclusie

Het is niet bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van valse geschriften en oplichting. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Wel bewezen is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 5.4.

5.4.

Bewezenverklaring

De bewezenverklaring is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en op de hierboven opgenomen bewijsoverwegingen.

Bewezen is dat:

Feit 1

hij in de periode van 26 november 2015 tot en met 3 december 2019 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het opzettelijk niet voldoen aan de geldende administratieplicht ex art. 36 Wmg;

- het gewoontewitwassen van geldbedragen;

Feit 5

[zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] in de periode van 26 november 2015 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht en Amsterdam, telkens opzettelijk geen administratie hebben gevoerd waaruit in ieder geval blijkt wanneer en/of welke prestaties zouden zijn geleverd en/of welke tarieven voor die prestaties in rekening zijn gebracht, en/of de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden, met betrekking tot de volgende personen:

[zorgonderneming 1]:

- [cliënt 7] en

- [cliënt 8] en

- [cliënt 9] en

- [cliënt 10] en

- [cliënt 11] en

- [cliënt 12] en

- [cliënt 13] en

- [cliënt 14]

[zorgonderneming 2]:

- [cliënt 1], en

- [cliënt 2], en

- [cliënt 15] en [cliënt 16], en

- [cliënt 6] en [cliënt 5], en

- [cliënt 17] en [cliënt 18], en

- [cliënt 19] en [cliënt 20], en

- [cliënt 3],

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 6

hij in de periode van 26 november 2015 tot en met 22 juni 2021 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, telkens van voorwerpen, te weten een totaalbedrag van 4.539.378 EUR (door [zorgonderneming 1] ontvangen),

a. a) de herkomst heeft verhuld, en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op

genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden hebben gehad, en/of

b) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt.

6
Kwalificatie en strafbaarheid
6.1.

Kwalificatie

6.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten, voor zover deze betrekking hebben op artikel 36 Wmg, niet als strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd, omdat in de tenlastelegging de hoedanigheid van zorgaanbieder ontbreekt.

6.1.2.

Oordeel van de rechtbank

In de overwegingen betreffende de geldigheid van de dagvaarding heeft de rechtbank al stilgestaan bij het ontbreken van de hoedanigheid van zorgaanbieder in de tenlastelegging. De conclusie was dat dit niet kon leiden tot nietigheid van de dagvaarding, omdat het, gelet op de wijze van ten laste leggen in samenhang met het dossier bezien, volstrekt duidelijk is dat [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2] worden aangesproken in de hoedanigheid van zorgaanbieder. De rechtbank is om diezelfde reden van oordeel dat het ontbreken van de term ‘zorgaanbieder’ in de tenlastelegging er niet voor zorgt dat de feiten niet gekwalificeerd kunnen worden als overtreding van artikel 36 Wmg.

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

` deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Feit 5

feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

Feit 6

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken

6.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

7
Straffen
7.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur langer is dan het voorarrest.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

7.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan het langdurig niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg door zorgaanbieders [zorgonderneming 1] en [zorgonderneming 2]. In de administratie van deze ondernemingen is niet op de juiste manier bijgehouden wanneer en/of welke zorg is geleverd. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Gebleken is namelijk dat de zorgaanbieder [zorgonderneming 1] gelden ontving voor zorg die zij feitelijk niet geleverd kon hebben. Dit heeft de onderneming een financieel voordeel opgeleverd van € 4.539.378.

In de zorgsector wordt regelmatig gefraudeerd. Dit heeft veel schade tot gevolg voor zorgverzekeraars en uiteindelijk voor alle verzekerden omdat zij daardoor hogere premies moeten betalen. Om fraude tegen te gaan is het noodzakelijk dat zorgaanbieders op de juiste wijze bijhouden welke zorg zij verlenen. Zeker in het geval van niet-gecontracteerde zorg wordt gewerkt met een systeem dat gebaseerd is op vertrouwen: zorgverzekeraars hebben zelf weinig zicht op de (kwaliteit van de) geleverde zorg. De regelgeving hieromtrent is bewust ruim ingericht, zodat zorgbehoevenden laagdrempelig en snel zorg kunnen krijgen. De verdachten hebben hier misbruik van gemaakt en de betrokken zorgverzekeraars zijn hierdoor benadeeld. Zij hebben zorggelden uitgekeerd, terwijl niet gecontroleerd kan worden of deze zorg daadwerkelijk is geleverd. Ten aanzien van alleen [zorgonderneming 1] betreft het benadelingsbedrag al € 4.539.378. Ten aanzien van [zorgonderneming 2] kan het benadelingsbedrag niet worden vastgesteld. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat door de verdachte op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld dat bedoeld is voor zorgbehoevenden.

7.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

7.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 juni 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vijf jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn fors is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.

7.3.4.

Oplegging straffen

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Hoewel de valsheden en de oplichting in deze zaak niet bewezen kunnen worden, kijkt de rechtbank wel naar de oriëntatiepunten voor fraude, die ook gelden voor witwassen. Uit deze oriëntatiepunten volgt dat in het geval van fraude met een benadelingsbedrag van € 1.000.000 of hoger in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van ten minste 24 maanden passend is.

De rechtbank houdt echter in sterke mate rekening met het forse tijdsverloop in deze zaak en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast wordt rekening gehouden met de afdoening in de zaak van de [medeverdachte 6], de formele bestuurder van [zorgonderneming 1]. Het dossier bevat aanwijzingen dat zij minstens een vergelijkbare rol heeft gespeeld bij de door [zorgonderneming 1] gepleegde zorgfraude. Zij heeft bij strafbeschikking een taakstraf gekregen voor de duur van 84 uur. De rechtbank is van oordeel dat dit invloed dient te hebben op de straf van de verdachte, in die zin dat daardoor een lagere straf wordt opgelegd dan anders het geval zou zijn.

De rechtbank acht alles afwegend een gevangenisstraf van 95 dagen en de maximale taakstraf van 240 uur passend en geboden. De gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis.

8
Vordering van de benadeelde partijen
8.1.

Vordering [benadeelde partij 1]

heeft als benadeelde partij € 268.555,56 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op door [benadeelde partij 1] aan (cliënten van) [zorgonderneming 2] uitbetaalde declaraties.

8.2.

Vordering [benadeelde partij 2]

heeft als benadeelde partij € 502.849,10 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op door [benadeelde partij 2] aan (cliënten van) [zorgonderneming 2] uitbetaalde declaraties.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van valse geschriften en oplichting. Ten aanzien van het feitelijk leidinggeven aan het niet voeren van een juiste administratie zoals bedoeld in artikel 36 Wmg bestaat er geen rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het strafbare feit.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

9
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 51, 57, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg.

Beslissing

10
Beslissingen

De rechtbank:

Voorvragen

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 5 en 6, zoals in hoofdstuk 4 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 5 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 95 (vijfennegentig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

Vorderingen benadeelde partijen

verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.

verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.

11
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en D.M. Douwes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 juli 2026.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2015 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het plegen van valsheid in geschrift;

- het gebruik maken van een vals en/of vervalst geschrift;

- oplichting;

- het opzettelijk niet voldoen aan de geldende administratieplicht ex art. 36 Wmg (terwijl daarvan een gewoonte is gemaakt);

- het gewoontewitwassen van één of meer geldbedragen en/of andere vermogensbestanddelen;

Feit 2

[zorgonderneming 1] en/of [zorgonderneming 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2015 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer facturen en/of dagrapportages en/of declaraties en/of urenlijsten;

[zorgonderneming 1]:

- dagrapportages (DOC-045-30A, DOC-045-31 A, DOC-045-32, DOC-072-01 t/m DOC-072-03), en/of

- declaraties (DOC-045-05, DOC-045-06, DOC-045-07)

[zorgonderneming 2]:

- [cliënt 1]: urenlijsten april 2020 en/of oktober 2020 (DOC-037-01P, DOC-037-01R) en/of facturen mei 2020 en/of oktober 2020 (DOC-037-01H, DOC-037-01M), en/of

- [cliënt 2]: urenlijst maart 2021 (DOC-018-55) en/of facturen augustus 2020 en/of maart 2021 (DOC-018-39, DOC-018-46), en/of

- [cliënt 3]: factuur januari 2021 (DOC-018-58-13) en/of urenlijsten april 2020 (DOC-018-75-16, DOC-018-75-18), en/of

- [cliënt 4]: urenlijst maart 2021 (DOC-018-77-24) en/of facturen juli 2020 en/of januari 2021 (DOC-018-78-15, DOC-018-78-23)

- [cliënt 6]: facturen maart 2021 (DOC-018-09-76, DOC-018-09-77)

- [cliënt 5]: factuur maart 2021 (DOC-018-09-78)

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of heeft vervalst en/of doen vervalsen, bestaande die valsheid telkens hierin dat [zorgonderneming 1] en/of [zorgonderneming 2] de op die geschriften vermelde zorg weergegeven in uren en tevens in bedragen die moeten worden voldaan, in werkelijkheid niet of slechts deels heeft geleverd en/of heeft doen leveren en/of de zorg niet heeft geleverd en/of heeft (doen) leveren

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 3

[zorgonderneming 1] en/of [zorgonderneming 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2015 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

voorhanden heeft gehad en/of gebruik heeft gemaakt en/of heeft (doen) maken van valse en/of vervalste geschriften, die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (onder meer):

[zorgonderneming 1]:

- declaraties (DOC-045-05, DOC-045-06, DOC-045-07)

[zorgonderneming 2]

- [cliënt 1]: facturen mei 2020 en/of oktober 2020 (DOC-037-01H, DOC-037-01M), en/of

- [cliënt 2]: facturen augustus 2020 en/of maart 2021 (DOC-018-39, DOC-018-46), en/of

- [cliënt 3]: factuur januari 2021 (DOC-018-58-13), en/of

- [cliënt 4]: facturen juli 2020 en/of januari 2021 (DOC-018-78-15, DOC-018-78-23), en/of

- [cliënt 6]: facturen maart 2021 (DOC-018-09-76, DOC-018-09-77), en/of

- [cliënt 5]: facturen maart 2021 (DOC-018-09-78)

als ware deze echt en onveiwalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat [zorgonderneming 1] en/of [zorgonderneming 2] B V. voomoemde facturen althans geschriften, heeft (doen) verzenden/verzonden naar [zorgverzekeraar 3] en/of [zorgverzekeraar 1] en/of [zorgverzekeraar 2], althans een of meerdere zorgverzekeraars, en/of naar cliënten (ter indiening bij die zorgverzekeraars)

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 4

[zorgonderneming 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 februari 2019 tot en met 22 juni 2021 te Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[zorgverzekeraar 3] en/of [zorgverzekeraar 1], en/of [zorgverzekeraar 2], althans een of meerdere zorgverzekeraars, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,

te weten: één of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 1.701.661 EUR), in elk geval van enig goed,

door - zakelijk weergegeven –

- bedrieglijk in te spelen op en/of (administratieve) handelingen of vastlegging aan te passen aan de procedures en/of omstandigheden bij het uitbetalen van zorggelden door zorgverzekeraars en/of bij controle door die zorgverzekeraars achteraf, en/of

- valse facturen (voor geleverde zorg) op te (doen) maken en/of (doen) verzenden aan (voornoemde) zorgverzekeraars, terwijl die zorg in werkelijkheid niet of niet geheel is geleverd, en/of

- valse declaratieformulieren en/of urenlijsten en/of dagrapportages in te (doen) vullen en/of (doen) ondertekenen, en/of

- niet (middels machtigingsaanvragen) aan (voornoemde) zorgverzekeraars bekend te (doen) maken dat (in veel gevallen) gewerkt werd met onderaannemers en/of dat die onderaannemers (in veel gevallen) 1e en of 2e graad familie van de verzekerden/cliënten zijn

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 5

[zorgonderneming 1] en/of [zorgonderneming 2] op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2015 tot en met 22 juni 2021 te Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk geen administratie heeft/hebben gevoerd waaruit in ieder geval blijkt wanneer en/of welke prestaties zouden zijn geleverd en/of welke tarieven voor die prestaties in rekening zijn gebracht, en/of de in verband daarmee ontvangen of verrichte betalingen of vergoedingen aan derden, met betrekking tot (onder meer) de volgende personen:

[zorgonderneming 1]:

- [cliënt 7] en/of

- [cliënt 8] en/of

- [cliënt 9] en/of

- [cliënt 10] en/of

- [cliënt 11] en/of

- [cliënt 12] en/of

- [cliënt 13] en/of

- [cliënt 14]

[zorgonderneming 2]:

- [cliënt 1], en/of

- [cliënt 2], en/of

- [cliënt 15] en/of [cliënt 16], en/of

- [cliënt 6] en/of [cliënt 5], en/of

- [cliënt 17] en/of [cliënt 18], en/of

- [cliënt 19] en/of [cliënt 20], en/of

- [cliënt 3], en/of

- [cliënt 21]

aan welke bovenomschreven feit(en) hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven, en/of

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

Feit 6

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2015 tot en met 22 juni 2021 te Amsterdam en/of Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) (van) één of meerdere voorwerpen, te weten een (totaal)bedrag van 4.539.378 EUR (door [zorgonderneming 1] ontvangen),

a. a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op

genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, en/of

b) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt, en/of

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) dat feit heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van zijn/hun beroep en/of bedrijf.

Voetnoot

Voetnoot 1

Pagina 001387 (211214.1200.CSV.H)

Voetnoot 2

Pagina 010950 e.v. (AG-001-02A)

Voetnoot 3

Pagina 003171 e.v. (220112.0848.AMB)

Voetnoot 4

Pagina 003119 e.v. (211116.1431.AMB)

Voetnoot 5

Pagina 010961 e.v. (AG-002-02)

Voetnoot 6

Pagina 009632 (DOC-062-01)

Voetnoot 7

Pagina 003364 e.v. (190917.1345.AMB)

Voetnoot 8

Pagina 003133 e.v. (211217.1225. AMB)

Voetnoot 9

Pagina 002025 e.v. (G-003-01)

Voetnoot 10

Pagina 002103 e.v. (G-012-01)

Voetnoot 11

Pagina 002090 e.v. (G-011-01)

Voetnoot 12

Pagina 002416 e.v. (210719.0858.AMB); Pagina 002431 e.v. (210719.1134.AMB); Pagina 002533 e.v. (210802.1342.AMB); Pagina 002563 e.v. (210803.0825.AMB); Pagina 002603 e.v. (210803.1044.AMB); Pagina 002705 e.v. (210903.1250.AMB); Pagina 002727 e.v. (210903.1251.AMB); Pagina 002909 e.v. (211018.1421.AMB)

Voetnoot 13

Pagina 003072 e.v. (211027.0958.AMB)

Voetnoot 14

Pagina 001750 (211013.1000. KARAE78.VRH7)

Voetnoot 15

Pagina 011160 (230815.1505. PI NAG88.VRH 1)

Voetnoot 16

Pagina 006880 e.v. (DOC-013-19)

Voetnoot 17

Pagina 003364 e.v. (190917.1345.AMB)

Voetnoot 18

Pagina 006902 (DOC-013-30)

Voetnoot 19

Pagina 008602 e.v. (DOC-037-13)

Voetnoot 20

Pagina 010687 e.v. (0200527.B)

Voetnoot 21

Pagina 011101 e.v. (220228.0939.AMB)

Voetnoot 22

Pagina 003838 e.v. (200506.0937.AMB)

Voetnoot 23

Pagina 002214 (191029.1501.AMB)

Voetnoot 24

Pagina 003129 (211116.1431.AMB)

Voetnoot 25

Pagina 4180 (200501.0847.AMB.1)