Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-032626-25
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Datum zitting: 9 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. J. Vlug
Officier van justitie: mr. E. Blanken
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in zijn positie van werkgever een medewerkster gedurende enkele maanden meermalen heeft aangerand.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 13 februari 2024 te Ridderkerk, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, bestaande uit het
- misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of
machtsverhouding vanwege zijn positie als werkgever/leidinggevende van haar
en/of
- voorbijgaan aan haar verbale protesten en/of
- onverhoeds handelen
[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het
- betasten van haar borst(en) en/of schaamstreek en/of
- drukken van zijn lichaam tegen haar lichaam en/of
- plaatsen van zijn hand onder haar kleding op haar rug en/of
- plaatsen van zijn hand tussen haar bovenbenen en/of
- slaan op haar billen en/of
- kussen van haar mond en/of lippen.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De aangeefster Larooij was een werkneemster in dienst bij de onderneming van de verdachte. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij de aangeefster heeft aangerand door haar gedurende een periode van ruim drie maanden te betasten en/of anderszins aan te raken op een manier die als ontucht (het dulden van handelingen die seksueel van aard zijn) gekwalificeerd dient te worden.
Voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, is van belang voor welke feitelijke handelingen voldoende steunbewijs bestaat en of de bewezen handelingen seksueel van aard zijn.
Uit het onderzoek op de terechtzitting en de onderliggende dossierstukken komt de verdachte naar voren als een werkgever die wat los was in de omgang met zijn werknemers in het algemeen en zeer zeker ook in het geval van de aangeefster. Het was niet ongewoon dat de verdachte zijn werknemers aanraakte of een knuffel gaf. Daarnaast had de verdachte met de aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode regelmatig en amicaal whatsappcontact, waarbij zij over en weer persoonlijke informatie deelden en elkaar hartjes stuurden. De tenlastelegging dient in deze context te worden bezien.
De zes in de tenlastelegging specifiek omschreven feitelijke handelingen zijn gebaseerd op de inhoud van de aangifte, maar vinden niet allemaal steun in andere bewijsmiddelen. Twee van de zes handelingen, te weten het door de verdachte betasten van de borst van de aangeefster en het door de verdachte drukken van zijn lichaam tegen het lichaam van de aangeefster, vinden steun in de verklaring van de [getuige]. Voor de vier overige handelingen is geen steunbewijs voorhanden. De twee bewezen handelingen zijn weliswaar in de relatie werkgever – werkneemster als grensoverschrijdend te kwalificeren, maar gelet op de hiervoor beschreven context is niet komen vast te staan dat de verdachte hiermee een seksuele intentie had en dat deze handelingen daarmee seksueel van aard waren. De rechtbank kan daarom niet komen tot bewijs van ontucht als bedoeld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt vrijgesproken.
3
Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het thans bewezen feit (een totaalbedrag van)
€ 28.876,66 als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.
De rechtbank bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
5
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. R.H. Kroon en J.K. Tempel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.