Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:9025

Op 23 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-032626-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9025. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-032626-25
Datum uitspraak:
23 July 2026
Datum publicatie:
24 July 2026

Indicatie

Vrijspraak van het verwijt van ontucht met een werkneemster. De verdachte wordt verweten dat hij een werkneemster in dienst bij de onderneming van de verdachte gedurende ruim drie maanden heeft aangerand (betasten en/of anderszins aan te raken op een manier die als ontucht gekwalificeerd dient te worden). De bewezen handelingen zijn weliswaar als grensoverschrijdend te kwalificeren, maar niet is komen vast te staan dat de hij hiermee een seksuele intentie had en dat deze handelingen daarmee seksueel van aard waren. De rechtbank kan daarom niet komen tot bewijs van ontucht als bedoeld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-032626-25

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Datum zitting: 9 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. J. Vlug

Officier van justitie: mr. E. Blanken

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in zijn positie van werkgever een medewerkster gedurende enkele maanden meermalen heeft aangerand.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 13 februari 2024 te Ridderkerk, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, bestaande uit het

- misbruik maken van de uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of

machtsverhouding vanwege zijn positie als werkgever/leidinggevende van haar

en/of

- voorbijgaan aan haar verbale protesten en/of

- onverhoeds handelen

[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het

- betasten van haar borst(en) en/of schaamstreek en/of

- drukken van zijn lichaam tegen haar lichaam en/of

- plaatsen van zijn hand onder haar kleding op haar rug en/of

- plaatsen van zijn hand tussen haar bovenbenen en/of

- slaan op haar billen en/of

- kussen van haar mond en/of lippen.

2
Vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De aangeefster Larooij was een werkneemster in dienst bij de onderneming van de verdachte. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij de aangeefster heeft aangerand door haar gedurende een periode van ruim drie maanden te betasten en/of anderszins aan te raken op een manier die als ontucht (het dulden van handelingen die seksueel van aard zijn) gekwalificeerd dient te worden.

Voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, is van belang voor welke feitelijke handelingen voldoende steunbewijs bestaat en of de bewezen handelingen seksueel van aard zijn.

Uit het onderzoek op de terechtzitting en de onderliggende dossierstukken komt de verdachte naar voren als een werkgever die wat los was in de omgang met zijn werknemers in het algemeen en zeer zeker ook in het geval van de aangeefster. Het was niet ongewoon dat de verdachte zijn werknemers aanraakte of een knuffel gaf. Daarnaast had de verdachte met de aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode regelmatig en amicaal whatsappcontact, waarbij zij over en weer persoonlijke informatie deelden en elkaar hartjes stuurden. De tenlastelegging dient in deze context te worden bezien.

De zes in de tenlastelegging specifiek omschreven feitelijke handelingen zijn gebaseerd op de inhoud van de aangifte, maar vinden niet allemaal steun in andere bewijsmiddelen. Twee van de zes handelingen, te weten het door de verdachte betasten van de borst van de aangeefster en het door de verdachte drukken van zijn lichaam tegen het lichaam van de aangeefster, vinden steun in de verklaring van de [getuige]. Voor de vier overige handelingen is geen steunbewijs voorhanden. De twee bewezen handelingen zijn weliswaar in de relatie werkgever – werkneemster als grensoverschrijdend te kwalificeren, maar gelet op de hiervoor beschreven context is niet komen vast te staan dat de verdachte hiermee een seksuele intentie had en dat deze handelingen daarmee seksueel van aard waren. De rechtbank kan daarom niet komen tot bewijs van ontucht als bedoeld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt vrijgesproken.

3
Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij voor het thans bewezen feit (een totaalbedrag van)

€ 28.876,66 als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.

De rechtbank bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.

Beslissing

4
Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Vordering benadeelde partij

verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

5
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en J.K. Tempel, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.