Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:9281

Op 14 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10-109215-25 en 22-002552-22, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9281. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10-109215-25 en 22-002552-22
Datum uitspraak:
14 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-109215-25

Parketnummer TUL: 22-002552-22

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Datum zitting: 30 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1964 in [geboorteland],

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],

gedetineerd in [naam PI].

Advocaat van de verdachte: G.W. Wurpel

Officier van justitie: N.A. van Manen

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. R.V. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Het beroep op noodweer(exces) slaagt niet. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

1
Tenlastelegging

De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van – samengevat – een poging doodslag dan wel een poging zware mishandeling.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte

op of omstreeks 8 april 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals en/of het bovenlichaam en/of de arm(en) van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft geen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ingenomen ten aanzien van het bewijs.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat de verdachte:

op 8 april 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, (met kracht) met een mes, in de hals en het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.3.2.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven (Voetnoot 1).

1. Verklaring van de verdachte  (Voetnoot 2)

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever] (Voetnoot 3)

3. Schriftelijk stuk (Voetnoot 4)

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

3.2.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

3.2.1.

Beroep op noodweer(exces)

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet

worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het slachtoffer, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Immers, het slachtoffer confronteerde de verdachte met een mes. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, nu hij zich in een kleine woning bevond en de uitgang daarvan werd geblokkeerd door het slachtoffer. De verdedigingshandelingen van de verdachte moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van één aaneengesloten geweldsituatie.

Subsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie

van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte

gemoedsbeweging.

3.2.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer, dient allereerst vastgesteld te worden of de feitelijke grondslag daarvan aannemelijk wordt geacht. Hiertoe dient de verklaring van de verdachte – die immers de grondslag vormt voor zijn beroep op noodweer – te worden beoordeeld aan de hand van de beschikbare informatie van het incident.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer hem heeft geconfronteerd en bedreigd met een mes, vindt geen steun in de inhoud van het procesdossier. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan ook een beroep op noodweerexces om die reden niet slagen. De verweren worden daarom verworpen. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 26 juni 2026. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer midden in de nacht in diens eigen woning meerdere keren gestoken met een mes in zijn hals en bovenlichaam. De verdachte had (vitale) delen van het lichaam van het slachtoffer kunnen raken, waardoor hij het leven had kunnen verliezen.

Met dit handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem angst aangejaagd.

Dat het strafbare feit in de woning van het slachtoffer heeft plaatsgevonden, rekent de rechtbank de verdachte in het bijzonder aan. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig zou moeten voelen. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering blijkt dat het feit veel impact op hem heeft gehad. Dit soort feiten veroorzaken veelal ook gevoelens van onrust in de directe omgeving en in de maatschappij in het algemeen.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad van 5 juni 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt daarom niet tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van het Pieter Baan Centrum van 2 juni 2026, opgesteld door [naam 1], psychiater, [naam 2], GZ-psycholoog, en [naam 3], GZ-psycholoog in opleiding tot rapporteur pro Justitia, staat onder meer het volgende.

De verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. De rapporteurs hebben voldoende informatie over de verdachte verkregen om tot diagnostische conclusies te komen, maar er blijven vragen bestaan betreffende de diagnostiek waardoor de gestelde vragen niet volledig kunnen worden beantwoord. Volgens de rapporteurs wordt de diagnostiek vooral bemoeilijk door de langdurige en ernstige middelenproblematiek in het gebruik van cocaïne, alcohol en cannabis. Deze stoornis bestaat al lange tijd en was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Het is echter onbekend in welke mate de verdachte tijdens het tenlastegelegde onder invloed was van middelen.

Hoewel in het verleden sprake is geweest van een depressie en PTSS, zien de rapporteurs momenteel geen aanwijzingen gezien voor andere psychiatrische problematiek. Volgens de rapporteurs zijn er enkele aanwijzingen voor een autismespectrumstoornis, maar voldoet de verdachte niet aan de criteria waardoor een diagnose niet wordt gesteld.

Volgens de rapporteurs zijn er te veel onduidelijkheden betreffende de delictdynamiek, zodat er geen betrouwbaar delictscenario is op te stellen. Er is onvoldoende zicht gekomen op welke aspecten een mogelijke rol hebben gespeeld in het ten laste gelegde en de mate van keuzevrijheid en van controle die betrokkene had over zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde.

Vanwege onvolledig zicht op de psychopathologie kan geen uitspraak worden gedaan over de toerekenbaarheid en geen onderbouwd recidiverisico worden bepaald. Hierdoor onthouden onderzoekers zich van een advies over een eventuele behandeling in een strafrechtelijk kader.

In het rapport van GGZ Fivoor van 26 juni 2026 staat onder meer het volgende.

De reclassering ziet risicofactoren in de delictgeschiedenis en in het sociaal netwerk, het middelengebruik, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. Volgens de reclassering is er een verband tussen het middelengebruik en het gewelddadig delictgedrag van de verdachte. De verdachte slaagt er niet in om met behandelingen abstinent te worden en te blijven en geeft het gebruik een plaats in zijn leven waarvan hij denkt dat het goed is. Volgens de reclassering houdt dit de problematiek in stand, terwijl er ook sprake is van zorgvermijding. Volgens de reclassering wijst dit op een beperking in probleem- en zelfinzicht van de verdachte.

De reclassering ziet beschermende factoren op de leefgebieden financiën, familierelaties en houding. De verdachte heeft enkele schulden, maar heeft bewindvoering en werkt hier goed aan mee. Daarnaast kan de verdachte terugvallen op ondersteuning van zijn familie, die betrokken is bij zijn behandelingen, bewindvoering en ook nu met hem meedenkt.

De reclassering schat het recidiverisico in als laag tot gemiddeld en het risico op letsel als gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod met het slachtoffer, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing in middelengebruik. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het reclasseringstoezicht, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. De verdachte heeft zich meewerkend opgesteld en is bereid zich te houden aan de bijzondere voorwaarden.

Overige persoonlijke omstandigheden

Sinds zijn detentie is de verdachte naar eigen zeggen gestopt met zijn middelengebruik. De verdachte is bereid zijn medewerking te verlenen aan een reclasseringstoezicht en de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

4.3.3.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank komt gelet hierop tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij weegt de rechtbank ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, zoals die uit de rapporten en tijdens de zitting naar voren zijn gekomen, en het feit dat aan de verdachte een fors pakket aan bijzondere voorwaarden zal worden opgelegd. Een gevangenisstraf van 36 maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Van deze gevangenisstraf worden 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De rechtbank ziet op dit moment geen noodzaak om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op de duur van de gevangenisstraf die de verdachte moet ondergaan.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5
Vordering van de benadeelde partij
5.1.

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij primair € 1.144,43 en subsidiair € 548,43 als vergoeding voor materiële schade, € 12.500,- als vergoeding voor immateriële schade en

€ 2.500,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de immateriële schade en de materiële schade, met uitzondering van de huishoudelijke hulp, worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de huishoudelijke hulp refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering ten aanzien van de nader te onderbouwen schade.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op het verzoek om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. De immateriële schade moet fors worden gematigd.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt, voor zover deze betrekking heeft op het eigen risico en de kledingschade, toegewezen. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd en is door de verdediging onvoldoende weersproken.

Ten aanzien van de kosten voor de huishoudelijke hulp en subsidiair de schoonmaakkosten zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering ten aanzien van de urgentie aanvraag zal worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit.

Dit betekent dat de verdachte € 355,43 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.2.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van steekwonden in zijn hals en borstkas. Voorts heeft het strafbare feit psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, een ordening van

smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door

andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier

aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens

de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen (bij littekens en geestelijk letsel) doorgaans worden toegekend, acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 5.000.- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag

toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.3.

Nader te onderbouwen schade

De benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering

opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook

daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering afgewezen.

5.4.4.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 april 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 51 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6
Vordering tot tenuitvoerlegging
6.1.

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 uur, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de taakstraf moet worden omgezet naar 15 dagen gevangenisstraf.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte de kans moet krijgen om de taakstraf alsnog uit te voeren. De taakstraf moet niet worden omgezet naar een gevangenisstraf.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, gelet op de duur van de gevangenisstraf die aan de verdachte zal worden opgelegd bij dit vonnis. De vordering wordt dus afgewezen. Het is wel nodig de proeftijd te verlengen met een jaar.

7
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8
Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 6 (zes) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:

- [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1963 te [geboorteplaats] ([geboorteland]);

2. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

3. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet) en alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

4. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor-forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie en/of stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

5. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een ander te indiceren instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

6. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding, vrijetijdsbesteding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;

7. dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wnsp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 22-002552-22)

verlengt de proeftijd van de bij het arrest van Gerechtshof Den Haag van 3 mei 2023 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 30 uren met 1 jaar;

wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 5.355,43, bestaande uit € 355,43 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 april 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de kosten voor huishoudelijke hulp en de schoonmaakkosten; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 5.355,43 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 51 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. IJspeerd, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

Mrs. Van de Beek en Den Hollander zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.

Voetnoot 2

Verklaard tijdens de zitting van 30 juni 2026.

Voetnoot 3

Pagina 26 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer].

Voetnoot 4

FARR-verklaring d.d. 28 mei 2025 (losbladig).