Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:9295

Op 14 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 83-177761-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9295. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
83-177761-23
Datum uitspraak:
14 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

De verdachte rechtspersoon heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt een geldboete op van € 12.000,-.(vul vestigingsplaats advocaat in) De vordering van de benadeelde partij het ministerie VWS wordt toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-177761-23

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Datum zitting: 30 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte rechtspersoon:

[verdachte rechtspersoon],

gevestigd aan de [adres], [postcode] [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte rechtspersoon: mr. N. Idrissi

Officier van justitie: mr. R.P. van der Pijl

Benadeelde partij: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Advocaat van de benadeelde partij: mr. G. Wind

Kern van het vonnis

De verdachte rechtspersoon heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt een geldboete op van

€ 12.000,-. De vordering van de benadeelde partij het ministerie VWS wordt toegewezen.

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte rechtspersoon – samengevat – van betrokkenheid bij valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1. primair

zij, op of omstreeks 25 juli 2022 te Deventer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- Vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-CZ-019),valselijk heeft opgemaakt en of heeft vervalst, door in strijd met de waarheid op dat geschrift - zakelijk weergegeven - te vermelden dat:- het totaal aantal medewerkers 9 bedroeg en/of- het totaal aantal coronabanen via detachering 5 bedroeg en/of- de werkelijke kosten voor periode 2 € 123.903.59 bedroegen en/of- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid wareningevuld, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

1. subsidiarzij, op of omstreeks 25 juli 2022 te Deventer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten- Vaststelling Coronabanen in de zorg (COZO) (DOC-CZ-019)als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven - was vermeld dat:- het totaal aantal medewerkers 9 bedroeg en/of - het totaal aantal coronabanen via detachering 5 bedroeg en/of- de werkelijke kosten voor periode 2 € 123.903.59 bedroegen en/of- de geldende wet- en regelgeving op basis waar,an de subsidie werd ingediend, was nageleefd en/of- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid wareningevuld, door dat geschrift te versturen en of te doen toekomen aan de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport, dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en of voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

2zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 september 2021 tot en met 11 juli 2023, in Deventer, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:- een subsidiebedrag van EUR 123.903,59 inzake tweede periode coronabanen subsidie tenbehoeve van de financiering van loonkomsten van tijdelijk personeel (al dan niet via eendetacheerder) (DOC-CZ-019) en/of,heeft aangewend voor:- (in)directe betalingen aan bedrijven in de bouwsector en/of schoonmaakbranche en/ofoverige branche onlogische bedrijven;- (in)directe betalingen aan buitenlandse bedrijven en/of bedrijven met een buitenlandsebankrekening zonder werknemers; in elk geval niet zijnde bedrijven met (voldoende) (zorg)personeel in dienst en/of in elk geval voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt (AMB-002-01 / AMB-004-01).

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte rechtspersoon moet worden veroordeeld voor feiten 1 primair en 2.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair

zij, op 25 juli 2022 te Deventer een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- Vaststelling Coronabanen in de zorg (DOC-CZ-019), valselijk heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op dat geschrift te vermelden dat:- het totaal aantal medewerkers 9 bedroeg en - het totaal aantal coronabanen via detachering 5 bedroeg en - de werkelijke kosten voor periode 2 € 123.903,59 bedroegen en - de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en - de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid wareningevuld, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

Feit 2zij, op tijdstippen in de periode van 16 september 2021 tot en met 11 juli 2023, in Deventer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:- een subsidiebedrag van EUR 123.903,59 inzake tweede periode coronabanen subsidie tenbehoeve van de financiering van loonkomsten van tijdelijk personeel (al dan niet via eendetacheerder), heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.

2.3.2.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen (Voetnoot 1) en de onderstaande bewijsmotivering.

2.3.3.

Bewijsmotivering feit 1 primair

Uit het dossier volgt dat [verdachte rechtspersoon] een subsidiebedrag € 123.903,59 heeft ontvangen voor Coronabanen in de zorg (hierna COZO). Na het verkrijgen van de subsidiegelden is ter verantwoording een COZO-vaststelling ingediend ten behoeve van [verdachte rechtspersoon] (DOC-CZ-019).

Niet ter discussie staat dat de [medeverdachte], bestuurder van [verdachte rechtspersoon], deze vaststelling heeft ingediend. Daarop staat aangegeven dat het volledige bedrag aan subsidiegelden is gebruikt ter invulling van tijdelijke coronabanen. Ter onderbouwing is een detacheringsovereenkomst en meerdere facturen overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat personeel is ingeleend van Dakar Trading B.V. De door [verdachte rechtspersoon] ontvangen COZO-gelden zijn overgemaakt naar de bankrekening van Dakar Trading.

De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzoek gedaan naar de geldstromen van Dakar Trading. Vanaf de bankrekening van deze vennootschap zijn de door [verdachte rechtspersoon] overgeboekte gelden doorgesluisd naar branche-onlogische bedrijven en/of buitenlandse bankrekeningen. Er zijn geen salarisbetalingen gedaan vanaf de bankrekening van Dakar Trading. Ook heeft de vennootschap geen aangiften loonbelasting gedaan. Hieruit volgt dat door Dakar Trading geen zorgpersoneel kan zijn gedetacheerd bij [verdachte rechtspersoon].

[medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte rechtspersoon] wel degelijk personeel heeft ingehuurd. Ter onderbouwing heeft [medeverdachte] vier werknemerslijsten en meerdere identiteitsbewijzen aangeleverd. Uit nader onderzoek van de arbeidsinspectie blijkt echter dat geen van de door de [medeverdachte] verstrekte namen personeel betreft dat kan hebben gewerkt bij [verdachte rechtspersoon].

[medeverdachte] heeft op de zitting van 30 juni 2026 herhaald dat er wel degelijk personeel is ingeleend, maar dat hij de door Dakar Trading aangeleverde identiteitsbewijzen niet heeft gecontroleerd. Nu [medeverdachte] de COZO-vaststelling heeft ingediend op basis van de door Dakar Trading aangeleverde gegevens, ontbreekt volgens de verdediging het opzet en oogmerk van de verdachte rechtspersoon op het valselijk opmaken van de COZO-vaststelling en het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. In het verlengde hiervan stelt de verdediging dat [medeverdachte] niet wist dat de subsidiegelden werden aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren verstrekt en dat ook het opzet hierop bij hem dus ontbreekt.

De rechtbank verwerpt dat verweer. Op grond van het onderzoek van de Arbeidsinspectie naar Dakar Trading enerzijds als naar de door [medeverdachte] verstrekte gegevens anderzijds, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte rechtspersoon] (via Dakar Trading) geen ‘COZO-personeel’ in dienst had. De enkele stelling van [medeverdachte] dat dit wel zo was (maar dat hij niet de juiste gegevens van dit personeel aangeleverd heeft gekregen), is gelet hierop ongeloofwaardig. Hieruit volgt dat de COZO-vaststelling met opzet valselijk is opgemaakt door [medeverdachte] en dat door hem opzettelijk met de coronasubsidie is gefraudeerd. Deze is immers niet besteed aan coronabanen in de zorg.

Deze verboden gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon en zijn haar dienstig geweest. Deze gedragingen en het opzet daarop van [medeverdachte], die als bestuurder binnen de rechtspersoon de gedragingen verrichtte, kunnen daarom worden toegerekend aan [verdachte rechtspersoon].

Getuigenverzoek

Op 23 maart 2026 is door de verdediging schriftelijk verzocht om [naam] als getuige te horen. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling op 30 juni 2026 is dit getuigenverzoek afgewezen, omdat daartoe vooralsnog geen noodzaak bestond. Bij pleidooi heeft de raadsvrouw het getuigenverzoek nogmaals herhaald, maar niet nader onderbouwd. De noodzaak om deze getuige alsnog te horen is de rechtbank niet gebleken. Het herhaald verzoek om [naam] als getuige te horen wordt daarom afgewezen.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

valsheid in geschrift;

Feit 2

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte rechtspersoon

De feiten en de verdachte rechtspersoon zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte rechtspersoon moet voor worden veroordeeld tot een geldboete van € 12.000,-

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De door de verdachte rechtspersoon gepleegde strafbare feiten houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ondersteunen.

De verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een vals vaststellingsformulier COZO in te dienen bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS). De verdachte rechtspersoon deed, om aanspraak te kunnen maken op de COZO-subsidie, het voorkomen alsof zij zorgpersoneel had ingehuurd, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Op basis van deze aanvragen is het Ministerie VWS overgegaan tot uitkering van € 123.903,59 aan de verdachte rechtspersoon. De verdachte rechtspersoon heeft aldus het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften - juist in een periode van een wereldwijde pandemie - op ernstige wijze beschaamd.

Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon zich samen met anderen schuldig gemaakt aan subsidiefraude door de COZO-subsidie te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. De COZO-subsidie werd verstrekt met als doel coronabanen in de zorg te realiseren tijdens de coronacrisis. Het ten onrechte verkregen subsidiegeld is echter gebruikt voor (indirecte) overboekingen naar zakelijke bankrekeningen van zijn medeverdachten en vervolgens zonder schroom weggesluisd naar buitenlandse bankrekeningen. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen, wat ten laste van de samenleving is gekomen.

De verdachte rechtspersoon heeft op een geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid zich met eenvoudige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die er speelden. De verdachte rechtspersoon heeft zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van haar handelen.

4.3.2.

Strafblad

Uit het strafblad van 6 juni 2025 blijkt dat de verdachte rechtspersoon niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte rechtspersoon leidt dus niet tot een hogere straf.

4.3.3.

Oplegging straf

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten wordt aan de verdachte rechtspersoon een geldboete opgelegd. De rechtbank heeft gekeken naar de hoogte van geldboetes die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast is bij de bepaling van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de ouderdom van de bewezen feiten.

Alles afwegend, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete van €12.000,- passend en geboden.

5
Vordering van de benadeelde partij
5.1.

Vordering Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: WVS) heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 111.493,59 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 111.493,59 te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte rechtspersoon moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair moet de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Dit betekent dat de verdachte rechtspersoon € 111.493,59 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

5.4.2.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte rechtspersoon heeft de strafbare feiten met [medeverdachte] gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schadevergoeding. Als [medeverdachte] de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte rechtspersoon (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

5.4.3.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 september 2021.

De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

6
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 57, 225 en 323a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

7
Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte rechtspersoon de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

Straf

Geldboete

veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 12.000,-;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte rechtspersoon hoofdelijk met [medeverdachte], aan de benadeelde partij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te betalen een bedrag van

€ 111.493,59 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 september 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door [medeverdachte] (deels) is betaald, wordt de verdachte rechtspersoon (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

veroordeelt de verdachte rechtspersoon in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

bepaalt dat de verdachte rechtspersoon van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of [medeverdachte] de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P. van de Beek, voorzitter,

en mrs. E. IJspeerd en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

Mrs. Van de Beek en Den Hollander zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 – Bewijsmiddelen

Voetnoot

Voetnoot 1

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.