Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:9477

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 10.236393.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:9477. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
10.236393.25
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
3 August 2026

Indicatie

Onderzoek Blusboot. Veroordeling voor het samen met anderen vervaardigen en in bezit hebben van harddrugs en het deelnemen aan een criminele organisatie. De verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en een geldboete van € 50.000,- opgelegd. De rechtbank volgt de procesafspraken die het Openbaar Ministerie, de verdediging en de verdachte met elkaar hebben gemaakt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.236393.25

Datum uitspraak: 8 juli 2026

Datum zitting: 24 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. O. Saki

Officier van justitie: mr. N.J. Jacobs

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van – samengevat – het in de periode van 19 september 2024 tot 5 juni 2025 medeplegen van vervaardigen en in de handel brengen van MDMA-pillen en het op 5 juni 2025 medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 140 kilogram harddrugs en het in de periode 19 september 2024 tot en met 5 juni 2025 deelnemen aan een criminele organisatie.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1hij in of omstreeks de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 130.698 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA en/of- ongeveer 4.515 gram, in elk een hoeveelheid van een materiaal bevattende PMMAen/of- ongeveer 4.436 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B en/of- ongeveer 179 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevatten amfetamine,zijnde MDMA en/of PMMA en/of 2C-B en/of amfetamine (telkens) een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens hetvijfde lid van artikel 3a van die wet;

3hij in of omstreeks de periode van 19 september 2024 tot en met 5 juni 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven alsbedoeld in artikel 10 derde, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a eerste lid Opiumwet.

2
Bewijs
2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewezen is dat

1hij in de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 130.698 gram MDMA en - ongeveer 4.515 gram PMMA en - ongeveer 4.436 gram 2C-B en - ongeveer 179 gram amfetamine,zijnde MDMA en PMMA en 2C-B en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij in de periode van 19 september 2024 tot en met 5 juni 2025 te Rotterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid Opiumwet.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid van de Opiumwet

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straffen
4.1.

Procesafspraken

De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan.

De rechtbank heeft de officier van justitie op voorhand per e-mail gevraagd om tijdens de zitting op 24 juni 2024 een toelichting te geven waarom in deze zaak is gekozen voor procesafspraken met name, omdat het hier niet gaat om zogenaamde ‘plankzaken’. De verdediging is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De officier van justitie heeft toegelicht dat in deze zaak voor procesafspraken is gekozen, niet zozeer omdat het een oude zaak betrof, maar juist met het oog op een voortvarende en efficiënte afdoening. Daarmee is beoogd de strafrechtketen zo min mogelijk te belasten en de verdachten zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden, mede gelet op de impact van de strafzaak op hun maatschappelijke positie en persoonlijk welzijn.

Tijdens de zitting zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn waarnemend raadsman mr K. Durdu besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.

Volgens beide partijen heeft ten behoeve van het opstellen van de procesafspraken uitvoerig overleg plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens de bespreking benadrukt dat zij niet is gebonden aan die procesafspraken en dat de verdachte jegens de rechtbank dus niet is gehouden tot naleving van de gemaakte overeenkomst met het Openbaar Ministerie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte weloverwogen en vrijwillig ingestemd met de procesafspraken en is hij zich bewust van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook overigens is sprake van een eerlijk proces en voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt.

4.2.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden en een geldboete van € 50.000,-.

4.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de gemaakte procesafspraken recht doen aan de situatie en heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken geen strafmaatverweren gevoerd.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

Op 5 juni 2025 is in een ruimte in een pand aan de Laagjesweg in Rotterdam een productielocatie voor XTC-pillen ontdekt en opgerold. In het pand is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat op deze locatie in een periode van bijna één jaar grote hoeveelheden pillen zijn geproduceerd. De verdachte heeft actief deelgenomen aan het produceren van de pillen op de genoemde locatie. De verdachte is daarmee een schakel geweest in dit georganiseerde illegale productieproces. De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstig. Het is algemeen bekend dat de illegale handel in verdovende middelen gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning van de bovenwereld. Daarnaast is het (ongecontroleerde) gebruik van verdovende middelen schadelijk voor de volksgezondheid en kan het zowel direct als indirect in verband worden gebracht met overlast en (zware) criminaliteit.

4.4.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De persoon van de verdachte, zijn gezinsomstandigheden, wonen en werken zijn ter zitting aan de orde gekomen.

4.4.3.

Oplegging straffen

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank acht een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De in de procesafspraken overeengekomen straffen doen in voldoende mate recht aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Deze straffen zijn, mede gelet op de omstandigheid dat is gekozen voor het maken van procesafspraken uit het oogpunt van een efficiënte afdoening en voortvarende behandeling van de zaak, passend voor de verdachte. De rechtbank weegt daarbij mee dat in de procesafspraken een substantiële geldboete is overeengekomen. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 36 maanden en een geldboete van € 50.000.

Alles afwegend acht de rechtbank de door partijen overeengekomen straffen in dit geval passend en geboden.

5
Voorlopige hechtenis

De rechter-commissaris van de rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met ingang van 30 januari 2026. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt conform de procesafspraken door de rechtbank opgeheven.

6
In beslag genomen voorwerpen

Met de verdachte zijn afspraken gemaakt over onder een onder hem in inbeslaggenomen voorwerp; namelijk een horloge, merk Rolex, type GMT-Master II. Nu de rechtbank de procesafspraken volgt, zal zij inhoudelijk geen beslissingen nemen over het beslag.

7
Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

Beslissing

8
Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 zijn omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Geldboete

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend);

beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

9
Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Derijks, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en A.C.M. Klaasse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.

Mr. A.C.M. Klaasse is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.